Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6449

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
AWB 17_7293
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwet. Weigering pgb voor begeleiding door de ouders. Individuele thuisbegeleiding door een professionele aanbieder is toegekend. Rapportages van de consulente en het onderzoek van het college voldoen niet aan de daaraan te stellen eisen. Onvoldoende is in kaart gebracht welke problemen de jeugdige precies ondervindt van zijn stoornis(sen). In de adviesrapportage zijn wel bepaalde problemen benoemd, maar onvoldoende (concreet) is inzichtelijk gemaakt welke stoornissen en samenhangende problemen de jeugdige precies heeft. Daarnaast mist de concrete vaststelling van de aard en omvang van de benodigde hulp. Verder mist de consulente in dit concrete geval de specifieke deskundigheid om te beoordelen of en te concluderen dat de hulp die de ouders bieden niet (meer) passend is. Daarvoor is een deskundige/specialist op het gebied van autisme meer aangewezen. Bovendien is ten onrechte geen medische informatie ingewonnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/7293 JW

uitspraak van 5 november 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

wettelijk vertegenwoordigers: [naam vader] (vader) en [naam moeder] (moeder),

gemachtigde: mr. M.A.E. Bol,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst (het college), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar.

Hangende dat beroep heeft het college bij besluit van 5 december 2017 alsnog beslist op het bezwaar en dat bezwaar ongegrond verklaard (bestreden besluit).

Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep mede gericht tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 26 september 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam vader] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder 1] en [naam vertegenwoordiger verweerder 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser ( [naam eiser] ), geboren op [geboortedatum] , heeft een Autisme spectrum stoornis (ASS).

Het Zorgkantoor heeft eiser tot en met 31 december 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor Begeleiding Individueel en Begeleiding Groep.

Bij besluit van 12 november 2015 heeft het college aan eiser over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een pgb toegekend voor Begeleiding Individueel, 3 uur per week, en Begeleiding Groep, 1 dagdeel per week, in natura.

Bij besluit van 9 februari 2017 (primair besluit) heeft het college eisers aanvraag voor een pgb voor begeleiding door zijn ouders afgewezen en aan hem individuele thuisbegeleiding door een professionele aanbieder aangeboden. Volgens het college draagt de hulpverlening door eisers ouders onvoldoende bij aan zijn ondersteuningsbehoefte. Gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie kan hieraan een betere bijdrage bieden. Eisers ouders hebben de aangeboden voorziening geweigerd maar kunnen deze vorm van jeugdhulp alsnog aanvragen.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Volgens eiser zijn zijn ouders de aangewezen personen om hem begeleiding te geven. Eiser verzoekt voor deze begeleiding alsnog een pgb toe te kennen.

Eiser heeft met ingang van 14 maart 2017 op basis van Basis GGZ recht op 0 tot 1.9 uur per week intervalbegeleiding van Praktijk Van Waterschoot.

Bij het bestreden besluit heeft het college alsnog beslist op het bezwaar en dat bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het college blijkt uit het onderzoek van oktober 2016 dat de voorziening Begeleiding Groep niet is afgenomen. Met het pgb voor Begeleiding Individueel is de begeleiding die de ouders hebben gegeven betaald. Eiser heeft geen zorg bij derden ingekocht. Uit het verslag dat de ouders in het kader van het nieuwe onderzoek hebben overgelegd blijkt, dat het met eiser minder goed gaat dan in oktober 2015. Verder blijkt uit dit verslag dat eisers ouders blij zijn dat zij een gezinscoach kunnen raadplegen en dat eisers moeder heeft aangegeven dat er sprake is van overbelasting. Op dit verslag is aangetekend dat voor eiser begeleiding klasse 3 wordt aangevraagd, omdat eiser continu toezicht nodig heeft en meer zorg dan normaal. Het college stelt aan de hulpvraag geen verkeerde conclusies te hebben verbonden en dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De hulpvraag is vastgesteld, de stoornissen en problematiek zijn in kaart gebracht, bepaald is welke hulp nodig is en of eisers ouders die kunnen bieden. Het college acht de eigen mogelijkheden en het oplossend vermogen van eisers ouders en het sociale netwerk ontoereikend. Een voorziening in de vorm van een pgb die alleen wordt besteed aan de begeleiding die eisers ouders aan hem geven, is volgens het college geen passende voorziening. Het college heeft daarom professionele jeugdhulp aangeboden. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom die hulp niet passend is.

Standpunt van eiser

2. Eiser heeft aangevoerd dat zijn ouders de aangewezen personen zijn om de zorg aan hem te verlenen en dat zij dat op verantwoorde wijze doen. Eiser stelt dat de conclusies die het college aan de gesprekken met zijn ouders verbindt, geen recht doen aan hetgeen zij hebben verteld en de hulpvraag die zij hebben geformuleerd. Eisers ouders hebben aangegeven dat de zorg voor hem soms zwaar is. Daaraan dient echter niet de conclusie te worden verbonden dat zij de zorg niet meer kunnen en willen uitvoeren. Eisers ouders willen de begeleiding graag zelf in de vorm van een pgb uitvoeren en daarbij graag gedeeltelijk ontlast worden. Onvoldoende gemotiveerd is waarom de begeleiding die eisers ouders bieden geen passende voorziening is. De beoordeling is slechts gedaan door een consulent, een niet-medicus. Eiser betwist dat de zorg/begeleiding door zijn ouders onvoldoende bijdraagt aan zijn ondersteuningsbehoefte en dat die zorg niet passend is. Eisers ouders hebben veel kennis opgebouwd om de juiste begeleiding te kunnen bieden. Er kan deels begeleiding door een instelling plaatsvinden en deels door de ouders, zoals het altijd is geweest. Eiser stelt voorts dat gespecialiseerde hulpverlening niet passend is, omdat deze niet altijd beschikbaar is als de zorg nodig is. Daarnaast geeft deze zorg meer belasting dan ontlasting van eisers ouders.

Wettelijk kader

3. De van belang zijnde wetsbepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank overweegt allereerst dat het college met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op eisers bezwaar. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Dat beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het college in bezwaar op goede gronden het besluit heeft gehandhaafd om de aanvraag voor een pgb af te wijzen en in plaats daarvan individuele thuisbegeleiding door een professionele zorgverlener aan te bieden.

Ter zitting is gebleken dat het besluit betrekking heeft op een reeds afgesloten periode (tot en met 31 januari 2018). Omdat de ouders de begeleiding aan eiser feitelijk wel hebben gegeven hebben zij een financieel belang en daarmee ook een procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit. Of een eventueel toe te kennen pgb gevolgen heeft voor hun bijstandsuitkering is afhankelijk van toekomstige besluitvorming door het college. Hierop kan niet worden vooruitgelopen in deze procedure.

Het college heeft de aanvraag voor een pgb afgewezen, omdat de begeleiding door de ouders niet (meer) passend is en onvoldoende bijdraagt aan eisers ondersteuningsbehoefte. Het college heeft gespecialiseerde hulp aangeboden, omdat dat door deskundige S. [naam deskundige] (consulente van [naam stichting] ) is geadviseerd en passend is voor eiser.

De rechtbank leidt uit het besluit en wat op de zitting aan de orde is geweest af, dat het college zich heeft gebaseerd op het gespreksverslag van 30 januari 2017 en de adviesrapportage van 3 februari 2017 van consulente [naam deskundige] . Ook heeft het college zich gebaseerd op het ‘Verslag ingezette zorg’ van oktober 2016 van eisers ouders. Volgens het college volgt uit deze stukken dat ondanks de begeleiding door de ouders eisers gedragsproblemen heftiger worden, de ouders overbelast zijn en zij moeite hebben met de dubbelrol van ouder en begeleider.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de rapportages van [naam deskundige] dan wel het onderzoek van het college, niet aan de daaraan te stellen eisen, gelet op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Onvoldoende is in kaart gebracht welke problemen eiser precies ondervindt van zijn stoornis(sen). [naam deskundige] heeft in haar adviesrapportage wel bepaalde problemen benoemd, maar zij heeft onvoldoende (concreet) inzichtelijk gemaakt welke stoornissen en samenhangende problemen eiser precies heeft. Daarnaast mist de rechtbank de concrete vaststelling van de aard en omvang van de benodigde hulp. Verder is de rechtbank van oordeel dat [naam deskundige] in dit concrete geval de specifieke deskundigheid mist om te beoordelen of en te concluderen dat de hulp die eisers ouders hem bieden niet (meer) passend is. De rechtbank acht daarvoor een deskundige/specialist op het gebied van autisme meer aangewezen. Hieruit volgt dat het college niet heeft voldaan aan zijn verplichting zich ervan te vergewissen dat het door [naam deskundige] uitgebrachte advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Bovendien heeft het college in de bezwaarfase ten onrechte nagelaten informatie in te winnen bij Van Waterschoot, hoewel dit bureau (een GGZ-instelling die onder meer hulp biedt gericht op onderzoek en behandeling van leer-, ontwikkelings-, gedrags- en psychiatrische stoornissen bij kinderen en jeugdigen) sinds maart 2017 op intervalbasis betrokken is bij eisers begeleiding.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2, 3:9, 3:46 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het college zal alsnog (door een deskundige) nader onderzoek moeten doen naar de aard en omvang van de voor eiser benodigde hulp en naar de vraag of eisers ouders die zorg kunnen leveren/of de door hen geleverde zorg, gelet op zijn behoefte, passend is dan wel zorg door een professional aangewezen is.

Conclusie

6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar zal niet ontvankelijk worden verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit zal gegrond worden verklaard. Uit overweging 5 volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand kan laten of zelf in de zaak kan voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

8. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1). Ook zal de rechtbank het college opdragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, voorzitter, en mr. J.L. Sierkstra en mr. V.M. Schotanus, leden, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

BIJLAGE

Jeugdwet

Artikel 2.3

1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

2. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. (…)

4. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:

a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en

b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

5. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp.

Artikel 2.5

Ter uitvoering van artikel 2.3, vierde lid (…) draagt het college er in ieder geval zorg voor dat passende jeugdhulp ingezet wordt of een passende gecertificeerde instelling de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert.

Artikel 8.1.1

1. Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, verstrekt het college hun een persoonsgebonden budget dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.

2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:

a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3.2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3.9

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Artikel 3.49

Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

Artikel 7.12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.