Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6215

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
350773 / HA RK 18-207
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

[kantoorplaats]

zaaknummer/rekestnummer: C/02/350773 / HA RK 18-207

Beslissing van 6 november 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. [naam advocaat] te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

MR. VAN DER WEIDE,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter-commissaris.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het strafdossier met parketnummer 02/800562-18, met daarin een proces-verbaal voorgeleiding met bijlagen, een bevel beperkingen, een uittreksel justitiële documentatie, een vordering tot inbewaringstelling, een gewijzigde vordering tot inbewaringstelling, een proces-verbaal verhoor verdachte en een bevel bewaring;

- het wrakingsverzoek d.d. 15 oktober 2018, gedaan bij gelegenheid van de behandeling van een vordering tot inbewaringstelling;

- het verweerschrift d.d. 20 oktober 2018 van de rechter-commissaris;

- de schriftelijke reactie d.d. 24 oktober 2018 van de officier van justitie.

1.2.

Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer behandeld op de openbare zitting van 30 oktober 2018. Bij het uitroepen van de zaak zijn verschenen:

- de raadsman mr. [naam advocaat] van verzoeker;

- de gewraakte rechter-commissaris mr. van der Weide.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. van der Weide, die als rechter-commissaris belast is met de behandeling van een vordering tot inbewaringstelling in de tegen verzoeker dienende strafzaak met parketnummer 02/800562-18.

2.2.

De rechter-commissaris berust niet in het verzoek tot wraking.

3 De feiten

3.1.

Op woensdag 10 oktober 2018 is bij een onderzoek rondom een woning in [plaatsnaam] een drugslaboratorium aangetroffen in een loods. In/onder het tuinhuis bij die woning is tevens een hennepkwekerij ontdekt. De woning en de loods zijn eigendom van verzoeker. De woning en de loods waren verhuurd aan de zoon van verzoeker.

3.2.

Die middag omstreeks 16.30 uur is verzoeker aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij het vervaardigen van synthetische drugs. Tevens werd hij verdacht van betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Vervolgens is verzoeker omstreeks 18.45 uur in verzekering gesteld. Op 11 oktober 2018 heeft de officier van justitie tegen verzoeker een bevel beperkingen afgegeven. De inverzekeringstelling is per zaterdag 13 oktober 2018 verlengd met drie dagen.

3.3.

Naar aanleiding van dit opsporingsonderzoek is een dossier met parketnummer 02/800562-18 aangemaakt. De zoon van verzoeker wordt in dat dossier als hoofdverdachte aangemerkt. Verzoeker wordt aangemerkt als medeverdachte en/of medeplichtige.

3.4.

De officier van justitie heeft op maandagochtend 15 oktober 2018 bij de rechter-commissaris een vordering tot inbewaringstelling ingediend tegen verzoeker. Blijkens die vordering wordt verzoeker verdacht van het medeplegen van althans van medeplichtigheid bij het vervaardigen van synthetische drugs, van het medeplegen van althans van medeplichtigheid bij het voorbereiden van het vervaardigen van synthetische drugs en van het kweken van hennep. Volgens de vordering van de officier van justitie is de inbewaringstelling van verzoeker nodig omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verzoeker opnieuw een misdrijf zal begaan (recidivegevaar).

3.5.

In de ochtend van maandag 15 oktober 2018 heeft de rechter-commissaris, na kennisneming van de vordering tot inbewaringstelling, de officier van justitie opgebeld met de vraag of de voortvluchtige zoon van verzoeker al was aangehouden. In dat gesprek heeft de rechter-commissaris de opmerking gemaakt dat in de vordering tot inbewaringstelling van verzoeker geen onderzoeksgrond wordt genoemd. Volgens de officier van justitie was de zoon van verzoeker nog niet aangehouden en had de onderzoeksgrond wel moeten zijn genoemd in de ingediende vordering.

3.6.

Na dit telefoongesprek heeft de officier van justitie een nieuwe vordering tot inbewaringstelling ingediend bij de rechter-commissaris. In die vordering wordt naast het recidivegevaar ook de onderzoeksgrond genoemd.

3.7.

In het kader van de behandeling van de vordering tot inbewaringstelling heeft de rechter-commissaris verzoeker in de middag van maandag 15 oktober 2018 verhoord. De raadsman van verzoeker was bij dat verhoor aanwezig. Tijdens dat verhoor heeft de rechter-commissaris meegedeeld dat de vordering tot inbewaringstelling was gewijzigd. Verder heeft hij verslag gedaan van het telefoongesprek dat hij die ochtend met de officier van justitie had gehad. In het proces-verbaal van dat verhoor wordt de gang van zaken daaromtrent als volgt beschreven:

De raadsman blijkt de vervangende vordering inbewaringstelling niet in zijn bezit te hebben, zo stelt de rechter-commissaris vast. De rechter-commissaris geeft kort aan welke veranderingen in de tweede vordering zijn opgenomen, er wordt een print gemaakt van de nieuwe vordering die aan de raadsman ter hand wordt gesteld. De raadsman vraagt wanneer de rechter-commissaris de tweede vordering heeft ontvangen. De rechter-commissaris legt uit dat hij in de ochtend gezien heeft dat de vordering geen onderzoeksgrond vermeldde terwijl hij weet dat de politie naspeuringen doet om de verdachte [naam verdachte] te kunnen aanhouden. Hij heeft vervolgens gebeld met [naam OvJ] , de officier van justitie, om te horen of deze verdachte al was aangehouden en of het onderzoek op dat punt vorderde. Hij heeft toen ook [naam OvJ] voorgehouden dat hij had geconstateerd dat de vordering enkel een recidivegrond bevatte. De raadsman merkt op dat hij een schorsing wil om zich te kunnen beraden over de vraag of de rechter-commissaris op grond van deze gang van zaken nog wel onbevooroordeeld kan beslissen.

De rechter-commissaris legt uit dat het zeer vaak voorkomt dat ook na aanhouding van een verdachte, het verdere opsporingsonderzoek nog doorloopt en dat het daarbij niet ongewoon is dat de rechter-commissaris daarin betrokken is. Veelal dient de verdediging daarvan in eerste instantie onkundig te blijven maar in dit geval is zo evident dat [naam verdachte] aangehouden moet worden, dat de rechter-commissaris geen bezwaar ziet tegen het informeren van [naam advocaat] over het telefonisch contact van deze ochtend tussen de rechtercommissaris en de officier van justitie.

Ongetwijfeld heeft de officier van justitie in het gesprek aanleiding gezien een nieuwe vordering in te dienen. Zij sprak over een fout in de vordering. Vervolgens wordt de voorgeleiding onderbroken om [naam advocaat] in de gelegenheid te stellen zich te beraden op de vraag of er processuele consequenties zijn te verbinden aan deze gang van zaken.

Na de onderbreking heeft de raadsman meegedeeld dat de rechter-commissaris wordt gewraakt.

3.8.

Vervolgens heeft de rechter-commissaris de vordering tot inbewaringstelling toch behandeld, daarbij overwegend dat de inverzekeringstelling die dag zal eindigen en dat er geen andere rechter-commissaris beschikbaar is die voor het einde van die dag in staat is op de vordering tot inbewaringstelling te beslissen. De raadsman heeft op dat moment tegen die gang van zaken geprotesteerd. Vervolgens heeft de raadsman afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling bepleit en – subsidiair – verzocht om schorsing van de bewaring.

3.9.

Diezelfde middag heeft de rechter-commissaris besloten tot het geven van een bevel tot bewaring van verzoeker voor een termijn van veertien dagen en het verzoek tot schorsing afgewezen. Daarbij heeft de rechter-commissaris met betrekking tot de gronden overwogen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor recidivegevaar maar dat er wel een onderzoeksbelang speelt, in die zin dat een afstemming tussen verzoeker en diens zoon voorkomen dient te worden en dat dit enkel kan indien de voorlopige hechtenis voortduurt.

4 De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoeker

4.1.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de vooringenomenheid althans de schijn van partijdigheid van de rechter-commissaris is gewekt door het telefoongesprek dat de rechter-commissaris heeft gevoerd met de officier van justitie. Verzoeker is van mening dat de rechter-commissaris, door zijn telefoontje en het inhoudelijke overleg over de vordering tot inbewaringstelling, de officier van justitie (impliciet) heeft aangezet tot verbetering van die vordering. De rechter-commissaris bemoeit zich aldus met zaken waar hij zich als onpartijdige rechter buiten had moeten houden. Daarmee is vooringenomenheid althans schijn van vooringenomenheid vast komen te staan.

4.2.

Ter zitting geeft de raadsman van verzoeker de navolgende toelichting op het wrakingsverzoek. Aanleiding tot de wraking is niet dat de rechter-commissaris telefonisch contact opgenomen heeft met de officier van justitie, maar dat de rechter-commissaris in dat telefoongesprek de inhoud van de vordering tot inbewaringstelling aan de orde heeft gesteld. In de schriftelijke reactie van de officier van justitie op het wrakingsverzoek staat dat de rechter-commissaris heeft gezegd dat het hem bevreemde dat de onderzoeksgrond niet was opgenomen in de vordering tot inbewaringstelling. Die opmerking impliceert een inhoudelijk oordeel van de rechter-commissaris over de vordering tot inbewaringstelling, nog voordat die vordering was behandeld en de verdediging zich daarover had kunnen uitlaten. Daaruit blijkt dat de rechter-commissaris niet onpartijdig was. Verzoeker zat toen nog vast. In feite is per ongeluk aan het licht gekomen dat er contact van de rechter-commissaris met de officier van justitie over de vordering tot inbewaringstelling heeft plaatsgevonden.

4.3.

Verzoeker blijft bij zijn verzoek tot wraking van de rechter-commissaris.

5 Het standpunt van de rechter-commissaris

5.1.

De rechter-commissaris stelt voorop dat het vaker voor komt dat de rechter-commissaris op de hoogte is van aspecten van het opsporingsonderzoek die niet blijken uit het proces-verbaal van voorgeleiding omdat het belang van het onderzoek zich verzet tegen het informeren van de verdediging over het voortgaande onderzoek. Die hybride situatie is eigen aan de positie van de rechter-commissaris in zaken waarin de opsporing voortgaat, ook na de aanhouding van een verdachte.

In dit geval heeft de rechter-commissaris bij de officier van justitie geïnformeerd naar de stand van zaken van het opsporingsonderzoek omdat hij zo actueel mogelijk geïnformeerd wilde zijn over de pogingen tot aanhouding van de zoon van verzoeker. In de voorbereiding van de voorgeleiding had hij namelijk al onder ogen gezien dat een onderzoeksbelang te overwegen was om collusie tussen verzoeker en diens zoon te voorkomen. Dat dit onderzoeksbelang niet als bewaringsgrond was opgevoerd in de vordering tot inbewaringstelling, was daarbij geen factor van belang. Het komt regelmatig voor dat een niet door het OM opgevoerde grond ambtshalve wordt overwogen bij de afwegingen omtrent een beslissing tot inbewaringstelling. De voortvluchtigheid van de zoon is dan wel de dragende omstandigheid voor de beslissing tot inbewaringstelling.

Waar het hier op aankomt is dat de reden voor de rechter-commissaris om contact op te nemen met de officier van justitie was om te informeren of de zoon al was aangehouden en, toen hij vernam dat dit niet het geval was, hoe de pogingen daartoe vorderden. De rechter-commissaris heeft de officier van justitie dus niet ‘te hulp willen schieten’ maar wilde informatie ontvangen over de voortgang van het onderzoek, conform zijn wettelijke opdracht en in het belang van deze verdachte. Er was geen sprake van hulp, al is het maar omdat hulp niet geboden was. Anders zou het zijn wanneer de rechter-commissaris gebonden zou zijn aan de door de officier van justitie opgevoerde gronden, maar dat is niet het geval.

5.2.

De rechter-commissaris licht ter zitting toe dat hij een ander perspectief op het voorval heeft dan verzoeker. Bij de voorbereiding van het verhoor van verzoeker had de rechter-commissaris zelf al bedacht dat de onderzoeksgrond een centraal thema zou worden bij deze voorgeleiding. Hij had eerder de opsporing van de zoon gefaciliteerd door toestemming te geven voor bijzondere opsporingsmiddelen. Daarom wilde hij weten hoe het zat met de aanhouding van de zoon. Alleen dàt heeft een rol gespeeld bij zijn initiatief om de officier van justitie op te bellen. Het was denkbaar dat er geen onderzoeksgrond in de vordering stond omdat de zoon al was aangehouden. Daarom heeft de rechter-commissaris aan de officier van justitie de vraag gesteld of de zoon inmiddels was aangehouden. De rechter-commissaris erkent dat hij erbij heeft gezegd dat hij geen onderzoeksgrond in de vordering had gezien en dat dit de reden van het telefoongesprek was.

Verder merkt de rechter-commissaris nog op dat hij de sprong niet kan maken tussen dit telefoongesprek en het verwijt van (de schijn van) vooringenomenheid. Voor de rechter-commissaris was de onderzoeksgrond het centrale thema van het telefoongesprek.

5.3.

Volgens de rechter-commissaris kan niet volgehouden worden dat er sprake is van een gang van zaken die de conclusie rechtvaardigt dat hij (de schijn heeft gewekt dat hij) niet langer onpartijdig zou kunnen oordelen. De rechter-commissaris concludeert dat het verzoek tot wraking ongegrond moet worden verklaard.

6 Het standpunt van de officier van justitie

6.1.

De officier van justitie erkent dat zij in het betreffende telefonisch onderhoud met de rechter-commissaris aanleiding heeft gezien om een nieuwe, gewijzigde vordering tot inbewaringstelling in te dienen. Dit enkele feit levert in haar optiek echter geen grond op te vrezen dat de rechter-commissaris niet onpartijdig zou zijn. Evenmin levert het de schijn van partijdigheid op.

De eerste vordering tot inbewaringstelling bevatte een evident onjuiste grond, hetgeen ter

sprake is gekomen in een regulier telefonisch onderhoud tussen een officier van justitie en een rechter-commissaris met betrekking tot de voortgang van een onderzoek. Hieruit kan de (schijn van) vooringenomenheid niet blijken. Bovendien staat het de rechter-commissaris vrij om de inbewaringstelling mede te baseren op een niet door de officier van justitie aangedragen grond tot voorlopige hechtenis.

6.2.

De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het wrakingsverzoek.

7 De beoordeling

7.1.

Het onderhavige wrakingsverzoek is ingediend naar aanleiding van het initiatief van de rechter-commissaris om, na het lezen van de door de officier van justitie ingediende vordering tot inbewaringstelling van verzoeker, telefonisch contact te zoeken met de officier van justitie. Het staat niet ter discussie dat de rechter-commissaris dit heeft gedaan omdat hij zich wilde laten informeren omtrent de stand van het opsporingsonderzoek, meer in het bijzonder omtrent de aanhouding van de zoon, tevens medeverdachte, van verzoeker. In dat telefonisch contact met de officier van justitie heeft de rechter-commissaris de opmerking gemaakt dat de vordering tot inbewaringstelling geen onderzoeksgrond bevatte, hetgeen voor de officier van justitie aanleiding is geweest een gewijzigde vordering tot inbewaringstelling in te dienen waarin het onderzoeksbelang wel als bewaringsgrond wordt aangevoerd.

Het standpunt van verzoeker komt erop neer dat de rechter-commissaris hulp heeft geboden aan de officier van justitie door haar te wijzen op het ontbreken van de onderzoeksgrond in de oorspronkelijke vordering tot inbewaringstelling. Het oordeel van de rechter-commissaris over de vordering tot inbewaringstelling stond daarmee nog voor de behandeling daarvan al vast en heeft hij zich, in de aanloop naar zijn beslissing op de vordering tot inbewaringstelling van verzoeker, niet onpartijdig opgesteld.

7.2.

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan een rechter die een strafzaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat is het geval als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

7.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

7.4.

De rechtbank weegt verder mee dat een rechter-commissaris in strafzaken een andere rol heeft dan een strafrechter. De rechter-commissaris houdt toezicht op het verloop van een opsporingsonderzoek en moet toestemming geven voor het inzetten van bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals een telefoontap. Die positie brengt mee dat de rechter-commissaris betrokken is bij het opsporingsonderzoek, regelmatig contact heeft met de officier van justitie en beschikt over informatie die hij in het belang van het opsporingsonderzoek niet zomaar met een verdachte en de verdediging kan delen. Ook in deze zaak is daarvan sprake. Ten behoeve van de opsporing van de zoon van verzoeker heeft de rechter-commissaris namelijk toestemming gegeven voor het inzetten van bijzondere onderzoeksmiddelen. Dat de rechter-commissaris telefonisch contact met de officier van justitie heeft gezocht om te informeren naar de stand van het onderzoek wat betreft de opsporing (en mogelijke aanhouding) van verzoekers zoon, wordt hem door verzoeker ook niet verweten.

7.5.

Kern van het verwijt van verzoeker is het feit dat de rechter-commissaris tegen de officier van justitie spontaan een opmerking heeft gemaakt over de inhoud van de door de officier van justitie ingediende vordering tot inbewaringstelling. Volgens verzoeker blijkt uit deze opmerking dat de rechter-commissaris bij voorbaat voornemens was om verzoeker in bewaring te stellen. In dit geval kan de rechtbank die redenering niet volgen. Bij het nemen van zijn beslissing omtrent de bewaring is de rechter-commissaris immers niet gebonden aan de gronden die in de vordering tot inbewaringstelling zijn opgenomen. Verder ligt het in de normale lijn der verwachting dat, zolang de zoon van verzoeker nog op vrije voeten zou zijn, de bewaring van verzoeker wordt bevolen om het opsporingsonderzoek niet in gevaar te brengen. In dat verband acht de rechtbank het zorgvuldig dat de rechter-commissaris zich laat informeren over de actuele stand van zaken omtrent de opsporing van verzoekers zoon. Gelet op de gevorderde inbewaringstelling is dat ook in het belang van verzoeker.

7.6.

Natuurlijk had de rechter-commissaris in zijn telefonisch contact met de officier van justitie kunnen volstaan met de enkele vraag naar de stand van zaken met betrekking tot de opsporing van de zoon, zonder enige toevoeging of opmerking over de inhoud van de vordering tot inbewaringstelling. Dat de rechter-commissaris zich wel een inhoudelijke opmerking over de vordering heeft laten ontvallen, acht de rechtbank onvoldoende om vooringenomenheid of een schijn van vooringenomenheid bij de rechter-commissaris aan te nemen. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechter-commissaris niet gebonden aan de gronden die door de officier van justitie in de vordering tot inbewaringstelling zijn opgenomen. Het melden aan de officier van justitie dat in haar vordering tot inbewaringstelling een onderzoeksgrond ontbreekt, brengt verzoeker dan ook geenszins in een nadeligere positie.

7.7.

Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat bij verzoeker de indruk bestaat dat de rechter-commissaris, met zijn opmerking over de onderzoeksgrond, hulp heeft geboden aan de officier van justitie, blijkt uit voorgaande overwegingen dat de betreffende opmerking op geen enkele manier nadelig uitwerkt voor de positie van verzoeker. Aan die opmerking van de rechter-commissaris kan dan ook geen (schijn van) vooringenomenheid ontleend worden. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

8 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Peters, van Kralingen en van Voorthuizen, in aanwezigheid van mr. de Baar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

6 november 2018.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.