Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6211

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
350780/ HA RK 18-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

procedurenummer C/02/350463/ HA RK 18-203

Beslissing van 7 november 2018

inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder te noemen verzoekster,

advocaat [naam advocaat] te [kantoorplaats] .

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de op 12 oktober 2018 ten overstaan van mr. van Geloven, senior rechter in deze rechtbank, in na te noemen procedure gehouden comparitie van partijen, waarin opgenomen het namens verzoekster tegen mr. Van Geloven mondeling gedaan wrakingsverzoek;

  • -

    de bij e-mail van 25 oktober 2018 door de advocaat van verzoekster gegeven toelichting op dit verzoek;

  • -

    het bij e-mail van 26 oktober 2018 ingekomen standpunt van [naam] , advocaat te [plaatsnaam] , namens [eiseres] en [tussenkomende partij] , eiseres respectievelijk tussenkomende partij in de hierna te noemen procedure;

  • -

    de processtukken in die procedure, en

de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank op 30 oktober 2018, waarbij is verschenen mr. Van Geloven. Namens verzoekster, alsmede namens [eiseres] en [tussenkomende partij] , is, ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, niemand verschenen.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van Geloven, verder te noemen de rechter, in zijn hoedanigheid van comparitierechter, belast met de in de tussen verzoekster en [eiseres] en [tussenkomende partij] , verder ook te noemen [eiseres] en [tussenkomende partij] dienende procedure, zaaknummer C/02/338664/HA ZA 17-811 op 12 oktober 2018 gelaste comparitie van partijen.

De rechter berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3 De feiten en de gronden voor wraking

3.1.

In de hiervoor genoemde procedure vordert [eiseres] (in de hoofdzaak) veroordeling van verzoekster tot betaling van een bedrag van € 114.422,65, vermeerderd met contractuele rente en buitengerechtelijke kosten, ter zake van aan verzoekster geleverde schoonmaakproducten. [tussenkomende partij] vordert als bij vonnis van 25 april 2018 toegelaten tussenkomende partij, veroordeling van verzoekster van het hiervoor door [eiseres] gevorderde.

3.2.

Bij in die procedure gewezen tussenvonnis van 27 juni 2018 is een comparitie van partijen gelast voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling. Deze comparitie heeft ten overstaan van de rechter plaatsgevonden op 12 oktober 2018, waarbij zijn verschenen namens verzoekster [namens verzoekster] en [naam advocaat] en namens [eiseres] , [namens eiseres] , bijgestaan door [naam] , en namens [tussenkomende partij] eveneens [naam] .

3.4.

Blijkens het van die comparitiezitting opgemaakte proces-verbaal heeft deze zitting het volgende verloop gehad.

De rechter gaat over tot de comparitie.

[naam advocaat] verklaart : Ik maak bezwaar tegen de toegezonden producties 8 en 9 van [eiseres] . Deze zijn binnen de 14 dagentermijn van het procesreglement. Bovendien mag [eiseres] vandaag een conclusie van antwoord in reconventie nemen naar aanleiding van de brief van de rechtbank van 10 oktober 2018. Dit terwijl het rolreglement bepaalt dat zo’n conclusie 14 dagen voor de zitting moet zijn toegezonden aan de rechtbank en de wederpartij. Ik heb onvoldoende tijd gehad om mij voor te kunnen bereiden op de conclusie van antwoord in reconventie die ik gisterenavond heb ontvangen. Ik verzoek daarom om aanhouding van de comparitie. Cliënt wordt door deze handelwijze in zijn verdediging geschaad. Het is in strijd met de goede procesorde.

Rechter: De rechtbank wijst een partij gebruikelijk op het dienen te nemen van een conclusie van antwoord in reconventie. Bij het alsnog toestaan van deze conclusie gelden de volgende regels van het spel die in dit geval aan de orde zijn. De rechtbank moet waken voor een snelle voortgang van de procedure. De rechtbank moet bewaken dat partijen voldoende op elkaars stellingen kunnen reageren. Het gaat erom of het beginsel van hoor en wederhoor wordt bewaakt. Ik zal dat bewaken. Is [verzoekster] geschaad in de verdediging? Dat weet ik nog niet. We kennen de inhoud van de conclusie nog niet. Als het geen nieuwe stellingen zijn ten opzichte van wat in de dagvaarding al staat kunt u daar wel op reageren op zitting. Tijdens de zitting kan ik pas beoordelen of uw cliënt in de belangen wordt geschaad. De zitting gaat door.

[naam advocaat] : Ik zou graag een schorsing willen want ik overweeg wraking.

Rechter : Bent u er zo een? Ik vindt dit een dreigement.

[naam advocaat] : Wat zegt u nu? Dit is geen dreigement. Ik sta hier voor de belangen van mijn cliënt. Dit is een reëel wrakingsverzoek. De rechtbank merkt niets op over de producties vier dagen voor de zitting. De rechtbank merkt hier niets over op in de toegestuurde brief en geeft zelfs gelegenheid voor een conclusie. Dat is raar. Is de rechter dan objectief? De producties hadden niet mogen worden toegelaten. En de conclusie ook niet. Ik vraag netjes om te schorsen om te overwegen of een verzoek om wraking zal worden gedaan. Ik behandel u respectvol.

Rechter : Dit was een emotionele uitlating. U bent er blijkbaar niet van overtuigd dat ik uw cliënt zal beschermen in zijn belang. Daardoor voel ik mij gekrenkt. De 14 dagentermijn is een termijn van orde. Dat heeft de Hoge Raad meermalen beslist. Maar het gaat altijd om het beginsel van hoor en wederhoor. Er is niet op voorhand al vast te stellen of iemand in zijn belang wordt geschaad. Dat kan pas op het eind van de zitting. Het gebeurt zo vaak dat er nieuwe zaken op zitting aan de orde komen.

De zitting wordt geschorst voor beraad.

[naam advocaat] : Cliënt persisteert in het wrakingsverzoek. Ik verzoek om wraking.

Rechter: De zitting wordt gelet op het wrakingsverzoek geschorst. “

3.5.

Bij het hiervoor onder 1. vermelde e-mailbericht van 25 oktober 2018 heeft de advocaat van verzoekster het wrakingsverzoek toegelicht. Na eerst de strekking van de volgens verzoekster in aanloop van de procedure tussen haar en [eiseres] plaatsgehad hebbende contacten te hebben geschetst, voert verzoekster -samengevat- aan dat [eiseres] slechts vier dagen voor de comparitiezitting en niet minimaal 14 dagen daaraan voorafgaand nieuwe stukken in het geding heeft gebracht, waartegen namens verzoekster bezwaar is gemaakt, waarop evenwel de rechter in het geheel niet is ingegaan. Alsof die late overlegging van stukken volgens verzoekster nog niet erg genoeg is, heeft verzoekster 2 dagen voor de zitting ook nog eens een brief van de rechtbank ontvangen dat [eiseres] ter comparitiezitting alsnog schriftelijk mag reageren op de eis in reconventie van verzoekster door middel van een conclusie van antwoord in reconventie, welke conclusie de advocaat van verzoekster eerst de avond voor de comparitiezitting van de advocaat van [eiseres] heeft ontvangen, op een moment dat deze al niet meer op kantoor aanwezig was.

3.6.

Verzoekster vervolgt dat namens haar bezwaar is gemaakt tegen deze gang van zaken en dat om aanhouding van de comparitie is verzocht. De advocaat van verzoekster heeft immers onvoldoende tijd gehad zich op de conclusie van antwoord in reconventie voor te bereiden. Door toch de comparitie onverkort doorgang te laten vinden, meent verzoekster dat zij in haar verdedigingsbelang wordt geschaad.

4 Het standpunt van de rechter

4.1.

De rechter voert aan dat hij bij de voorbereiding van de zaak, enkele dagen voor de comparitiezitting, bemerkte dat in het tussenvonnis, waarbij de comparitie is bevolen, verzuimd was op te nemen dat [eiseres] de gelegenheid werd geboden om een conclusie van antwoord in reconventie te nemen. Gegeven de omstandigheid dat [eiseres] al in de dagvaarding anticipeerde op mogelijke verweren van verzoekster, lag het volgens de rechter in de rede om [eiseres] alsnog de mogelijkheid te bieden op de comparitie van partijen deze conclusie te nemen, wat dan ook aan haar is bericht.

4.2.

Voorts voert de rechter aan dat hij bij zijn beslissing om de comparitie, ondanks het aanhoudingsverzoek namens verzoekster, doorgang te laten vinden, in zijn afweging heeft betrokken enerzijds dat hij ervoor dient te waken dat een procedure niet onnodig wordt vertraagd en anderzijds dat beide partijen in voldoende mate de gelegenheid krijgen voor het naar voren brengen van hun standpunten. De rechter stelt dat hij verzoekster heeft geprobeerd duidelijk te maken dat pas kan word vastgesteld of verzoekster met het in het (alsnog) geding brengen van [eiseres] van een tweetal producties en van het alsnog nemen van de conclusie van antwoord in reconventie, in haar verdedigingsbelang zou worden geschaad, nadat deze op de comparitiezitting zouden zijn besproken. Hij heeft verzoekster daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat hij dit belang zou bewaken. Deze gang van zaken is, naar de rechter aanvoert, geenszins ongebruikelijk.

4.3.

Omdat verzoekster, althans haar raadsman, met het door hem vervolgens geuite voornemen van het indienen van een wrakingsverzoek impliciet te kennen gaf daaraan geen geloof te hechten, heeft de rechter, zo hij verder betoogt, zich uitgelaten in de zin als in proces-verbaal van de zitting is vermeld. De rechter voert aan dat hij, nadat de comparitie was hervat, heeft uitgelegd dat dit in een emotionele opwelling is gebeurd. De rechter heeft nog verklaard dat hij de raadsman van verzoekster niet kent en jegens hem geen enkele persoonlijke, negatieve gevoelens heeft.

4.4.

De rechter meent dat op grond van het vorenstaande geen sprake kan zijn van vooringenomenheid.

5 Het standpunt van [eiseres] en [tussenkomende partij]

5.1.

In zijn hiervoor onder 1. aangehaald e-mailbericht van 26 oktober 2018 voert de advocaat van [eiseres] en [tussenkomende partij] samengevat aan dat, anders dan door verzoekster wordt gesteld, de aanvullende producties niet slechts vier dagen, maar één week voor de zitting in het geding zijn gebracht. Dit is weliswaar binnen de termijn van veertien dagen uit het procesreglement, doch deze termijn is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts een termijn van orde. Bovendien gaat het volgens [eiseres] / [tussenkomende partij] om een korte e-mail van één alinea tussen verzoekster en [eiseres] en om een vaststellingsovereenkomst, gesloten tussen verzoekster en de heer [naam] Deze stukken zijn verzoekster dus reeds bekend en zijn daarnaast zeer bescheiden van omvang. [eiseres] en [tussenkomende partij] menen dan ook dat het logisch en bovendien gebruikelijk is dat het [eiseres] werd toegestaan om zich op deze aanvullende producties te beroepen.

5.2.

Daarnaast wordt namens [eiseres] en [tussenkomende partij] aangevoerd dat de rechter [eiseres] per faxbrief van 10 oktober 2018 in de gelegenheid heeft gesteld (alsnog) een conclusie van antwoord in reconventie te nemen. Hiertoe was zij nog niet eerder in de gelegenheid gesteld. In de dagvaarding is [eiseres] al ingegaan op de vermeende tegenvordering van verzoekster. De reconventionele vordering van [verzoekster] heeft weinig om het lijf en is nauwelijks onderbouwd. In de conclusie van antwoord in reconventie is feitelijk volstaan met het betwisten van de feiten die verzoekster aan de vermeende tegenvordering ten grondslag legt.

5.3.

Volgens [eiseres] / [tussenkomende partij] is de door de rechter gegeven uitleg waarom hij van mening is dat de zitting doorgang moest vinden geheel in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Ook achten zij het begrijpelijk dat de rechter, nadat namens verzoekster om schorsing werd verzocht, omdat wraking werd overwogen, zich kortstondig emotioneel uitliet. Enkel op basis van deze uitlating kan volgens [eiseres] / [tussenkomende partij] niet worden gesteld dat de rechter de zaak niet meer objectief en onpartijdig zal kunnen behandelen.

6 De beoordeling

6.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv geldt als uitgangspunt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

Dat in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke zwaarwegende aanwijzing is echter niet, dan wel onvoldoende aannemelijk geworden, noch is daarvan anderszins gebleken. De door verzoekster aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegde beslissing van de rechter om de comparitiezitting doorgang te laten vinden, betreft een processuele beslissing.

Naar heersende rechtsopvatting, laatstelijk andermaal bevestigd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413), brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mee dat een dergelijke beslissing nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van die beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van het aanwenden van een rechtsmiddel belast is met de behandeling daarvan.

6.4.

Evenzeer verzet volgens die rechtsopvatting het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen dat ook de motivering van een processuele beslissing grond kan vormen voor wraking, ook al zou bij een beoordeling daarvan door de wrakingskamer sprake kunnen zijn van een onjuiste, onbegrijpelijke, gebrekkig of te summier geachte motivering of van het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden uitgelegd dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.

6.5.

Dit laatste is echter naar het oordeel van de wrakingskamer in het onderhavige geval gebleken, noch aannemelijk geworden. De door de rechter aan zijn beslissing om de comparitiezitting doorgang te laten vinden op die zitting gegeven uitleg is zeer wel verklaarbaar. Eerst na het bespreken van de conclusie van antwoord in reconventie, alsook van de door [eiseres] nog in het geding gebrachte producties, kan immers, naar de rechter verzoekster op de comparitiezitting heeft voorgehouden, duidelijkheid bestaan of deze reden geven om, met het oog op het procesbelang van verzoekster om zich daartegen te kunnen verweren, de zitting aan te houden of verzoekster nog gelegenheid te geven nader schriftelijk te reageren. De rechter heeft daarbij op de comparitiezitting expliciet verklaart dit belang van verzoekster te zullen bewaken.

6.6.

Ook de door de rechter ter zitting gedane emotionele uitlating rechtvaardigt, al dan niet bezien in samenhang met het vorenstaande, niet het kennelijk door verzoekster ingenomen standpunt, dat de rechter daarmee blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, dan wel daartoe, naar objectieve maatstaven gemeten, een schijn heeft gewekt. Ofschoon die uitlating ongelukkig is te noemen, gaat het te ver om op grond daarvan vooringenomenheid aan te nemen, te minder nu de rechter op de comparitiezitting aan verzoekster heeft uitgelegd die uitlating in een emotionele opwelling te hebben gedaan. Niet valt in te zien dat de rechter om die reden de verdere behandeling van de zaak moet worden onthouden.

6.7.

Dit betekent dat het wrakingverzoek behoort te worden afgewezen.

7 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer C/02/338664/HA ZA 17-811 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van het wrakingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven op 7 november 2018 door mrs. Peters, van Voorthuizen en Visser , in tegenwoordigheid van de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

--