Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6193

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
5880136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in Dexia-zaak. Dexia is volledig aansprakelijk te houden voor de schade als gevolg van het contract. De kantonrechter volgt ter zake het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 ECLI:NL:HR:2016:2012:r.o.5.6 en 5.7:de redelijkheid en billijkheid vereist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft omdat zij niet heeft geweigerd met een particuliere belegger te contracteren, terwijl zij wist of had behoren te weten dat de tussenpersoon, de beleggingsadviseur een cliëntenremisier is die zonder vergunning beleggingsadviezen heeft verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 5880136 / 17-1810

vonnis van de kantonrechter d.d. 30 mei 2018

in de zaak van

[eiser],

wonende te Lewedorp, gemeente Borsele,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

verder te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces te Amsterdam,

t e g e n :

de besloten vennootschap

[gedaagde]

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel, USG Juristen B.V. te Amsterdam.

het procesverloop

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 31 maart 2017,

- conclusies van antwoord, repliek en dupliek in conventie, respectievelijk tevens van eis, antwoord en repliek in reconventie,

- conclusie van dupliek in reconventie.

de beoordeling van de zaak

in conventie en in reconventie:

feiten

1.1

Door bemiddeling van Spaar Select heeft eiser op 18 januari 2000 met een rechts-voorganger van [gedaagde], Bank Labouchere N.V., de volgende effectenleaseovereenkomst (verder: het contract) afgesloten:

Allround Sparen, contractnr. 39407184, met een leasesom van € 16.336,08.

Het contract had een looptijd van 240 maanden, maar is voortijdig beëindigd. Eiser diende de eerste 60 maandtermijnen met een korting van 20 % vooruit te betalen, een bedrag van € 3.267,22. Dat bedrag is op 3 februari 2000 aan [gedaagde] betaald. Het contract is afgerekend naar de koers per 4 februari 2005 en geëindigd met een restschuld van € 1.583,12. Eiser heeft die op 17 februari 2005 voldaan. Wegens dividend en claims heeft eiser geen uitkeringen ontvangen.

1.2

Met een brief d.d. 22 februari 2006 (prod. D, verder: de brief van 2006) heeft Leaseproces namens eiser op diverse rechtsgronden [gedaagde] gesommeerd binnen twee weken alles terug te betalen. In 2007 is tijdig en geldig verklaard dat eiser niet gebonden wenst te zijn aan de Duisenbergregeling. In oktober 2009 heeft [gedaagde] van Leaseproces een stuitingsbrief (verder: de brief van 2009) ontvangen.

1.3

Op 24 januari 2012 is aan [gedaagde] een stuitingsbrief van Leaseproces betekend.

1.4

Op 13 januari 2012 heeft [gedaagde] naar aanleiding van de jurisprudentie in effectenleasezaken uit eigen beweging een bedrag van € 1.430,36 aan eiser voldaan. Dat bedrag is berekend als tweederde van de restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente.

1.5

Bij brief van 1 december 2016 heeft Leaseproces namens eiser [gedaagde] gesommeerd alles binnen veertien dagen terug te betalen. Leaseproces heeft gewezen op de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en -:2015) en aangevoerd dat [gedaagde] 100 % van alle schade moet vergoeden wegens verboden advisering van eiser door Spaar Select.

vorderingen

2.1

In de jurisprudentie is vastgesteld dat de aanbieder van een effectenleasecontract de volgende precontractuele zorgplichten heeft:

a. de zorgplicht om indringend te waarschuwen voor het risico van een restschuld,

b. de zorgplicht om de financiële inkomens- en vermogenspositie van de particuliere belegger te onderzoeken met de verplichting om het contract aan de afnemer te ontraden, wanneer dat voor deze tot een onaanvaardbaar zware financiële last zal leiden, en

c. de zorgplicht om te weigeren het contract aan te gaan, wanneer de particuliere belegger als potentiële cliënt bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

2.2

[gedaagde] heeft met de betaling van tweederde van de restschuld van eiser erkend dat de onder a. vermelde zorgplicht niet is nagekomen. Partijen hebben nauwelijks aandacht besteed aan de zorgplicht onder b. De vordering van eiser is gebaseerd op schending van de onder c. vermelde zorgplicht. Bij zulke schending vereist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft. Dat geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden.

2.3

Eiser heeft gevorderd:

A. “Voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens eiser tekort is geschoten op de in deze dagvaarding genoemde gronden”;

B. “[gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door eiser geleden schade, bestaande uit de door eiser betaalde bedragen aan inleg in de effectenleaseovereenkomst en de betaalde restschuld, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag der door gedane betalingen (…)”, vermeerderd met kosten.

2.4

Onder de voorwaarde dat de rechtbank het verweer met betrekking tot de klachtplicht en de verjaring zoals opgeworpen bij de conclusie van antwoord in conventie verwerpt, heeft [gedaagde] gevorderd eiser “te bevelen (…) aan [gedaagde] tegen vergoeding van de kosten daarvan kopie te verstrekken van het dossier dat Leaseproces omtrent hem heeft aangelegd, althans van het intakeformulier of de intakeformulieren die Leaseproces omtrent hem heeft opgemaakt”, versterkt met een dwangsom.

Schending klachtplicht?

3.1

Ter afwering van haar aansprakelijkheid heeft [gedaagde] zich beroepen op artikel 6:89 BW. Daartoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat eiser er niet tijdig over heeft geklaagd dat [gedaagde] bij het sluiten van het contract zou hebben gehandeld in strijd met artikel 41 van de toenmalige Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (NR 99). Volgens [gedaagde] heeft eiser hierover niet eerder dan bij brief van 1 december 2016 geklaagd, terwijl het contract in januari 2000 tot stand is gekomen.

3.2

Daarover overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 6:89 BW is geplaatst in de titel aangaande verbintenissen in het algemeen, meer in het bijzonder in de afdeling aangaande de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis (afdeling 9 van titel 1 van boek 6 BW). Deze afdeling is van toepassing op alle verbintenissen. Met verbintenissen in de zin van deze titel en afdeling worden alleen die rechtsplichten bedoeld waarmee een subjectief vermogens-recht correspondeert van hem jegens wie de rechtsplicht bestaat (TM, Parl. Gesch. Boek 6, pag 38). Onder verbintenis moet, met andere woorden, worden verstaan een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en deze jegens gene tot die prestatie verplicht is (Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I, nr. 6 e.v.). De in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden voor de toepassing van artikel 6:89 BW betreffen dergelijke prestaties, meer in het bijzonder in contractuele verhoudingen. Géén verbintenissen in de zin van artikel 6:89 BW zijn de op een ieder rustende rechtsplicht om een ander niet op onrechtmatige wijze schade te berokkenen. Dergelijke algemene rechtsplichten zijn geen verbintenissen, omdat zij geen rechtsbetrekking vestigen tussen twee of meer bepaalde personen en omdat met deze rechtsplichten niet een subjectief vermogensrecht van de door de norm beschermde persoon correspondeert (vergelijk TM, Parl. Gesch., Boek 6, pag. 37). Het in boek 6 BW omtrent verbintenissen bepaalde is niet toepasselijk op de bedoelde andere rechtsplichten. Uit het systeem van de wet volgt dan ook dat de klachtplicht geen betrekking heeft op de in dit geding aan de orde zijn verplichting van [gedaagde] zich te onthouden van onrechtmatige gedragingen. Het beroep op de klachtplicht door [gedaagde] faalt dan ook.

3.3

Voor zover [gedaagde] beoogd heeft aan te voeren dat sprake is van rechtsverwerking wordt overwogen dat daarvan geen sprake is omdat enkel stilzitten daarvoor onvoldoende is.

Verjaring?

4.1

[gedaagde] heeft zich beroepen op verjaring. Met juistheid heeft [gedaagde] vastgesteld dat de vordering van eiser gebaseerd is op onrechtmatige daad en daarom is onderworpen aan de verjaringstermijn van vijf jaren van artikel 3:310 BW. Die termijn vangt aan op de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden.

4.2

Eiser was al in februari 2005 bekend met de schade en de aansprakelijke rechtspersoon. Mocht eiser aanvankelijk niet bekend zijn geweest met het verbod van art 41 aanhef en onder c NR 99, dan komt dat voor rekening van eiser.

4.3

Voor haar beroep op verjaring richt [gedaagde] zich op de periode van vijf jaren voorafgaand aan de brief van Leaseproces van 1 december 2016. [gedaagde] stelt dat in die periode de verjaring niet is gestuit door de brief van Leaseproces die haar is betekend op 24 januari 2012. Daarbij heeft [gedaagde], samengevat, aangevoerd:

Deze brief voldoet niet aan het vereiste dat daaruit blijkt welk recht op nakoming door de schuldeiser wordt voorbehouden. Wat de inhoud van de vorderingen is blijft volledig in het midden. Bij de uitleg van de brief behoort geen acht geslagen te worden op de brieven uit 2006 en 2009, want daarnaar wordt niet verwezen in de brief uit 2012 terwijl er een aanzienlijk tijdsverloop is. Bovendien is de brief van 2012 verzonden namens enige tienduizenden afnemers. Van [gedaagde] kan niet worden gevergd om in elk van die tienduizenden dossiers na te gaan welke vorderingen Leaseproces op het oog had.

Overigens maken ook de brieven van 2009 en 2006 die vorderingen niet duidelijk. De brief van 2009 is bijna woordelijk gelijk aan die van 2012. Uit de brief van 2006 blijkt slechts welke prestatie van [gedaagde] werd verlangd (terugbetaling), maar niet op welke feiten deze aanspraak was gebaseerd en evenmin tegen welke verwijten [gedaagde] zich zou hebben te verweren.

[gedaagde] meent dat vereist is dat voldoende inzicht wordt gegeven in de feiten die aanleiding geven tot de vordering. [gedaagde] bestrijdt dat het een rol mag spelen dat Leaseproces namens andere cliënten een beroep heeft gedaan op schending van artikel 41 NR 1999. [gedaagde] staat erop dat de beoordeling van de stuitingshandeling van 2012 en van de context daarvan strikt individueel per cliënt van Leaseproces plaats zal vinden.

4.4

het WCAM-verzoek en zijn gevolgen

4.4.1

Tussen [gedaagde] en de betrokken belangenorganisaties is een schikking tot stand gekomen, die is neergelegd in een “Hoofdovereenkomst” van 23 juni 2005. Deze overeenkomst wordt ook wel aangeduid als de Duisenbergregeling. Partijen hebben op dezelfde datum een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:907, lid 1, BW (de WCAM-overeenkomst, bijlage III bij de Hoofdovereenkomst), er toe strekkende dat de rechter op gezamenlijk verzoek de Duisenbergregeling verbindend verklaart voor personen aan wie schade is veroorzaakt.

In artikel 7:905, lid 5, BW is bepaald dat het verzoek tot verbindendverklaring van, in dit geval, de Duisenbergregeling de verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade stuit.

4.4.2

Voor zover [gedaagde] beoogd heeft aan te voeren dat van stuiting van de verjaring ex artikel 7:905, lid 5, BW in dit geval geen sprake is omdat de WCAM-procedure geen betrekking had op schending van artikel 41, aanhef en onder c van de NR 1999, wordt overwogen als volgt.

4.4.3

De WCAM-overeenkomst ziet op de afwikkeling van de massaschade, niet alleen indien niet voldaan is aan artikel 1:88 BW (toestemming van de andere echtgenoot voor het aangaan van de overeenkomst), maar ook in de gevallen waarin schade is geleden door schending van verplichtingen van [gedaagde] in de precontractuele fase (onderzoeksplicht en waarschuwingsplicht voor een restschuld).

4.4.4

In alinea 51 van het mede door [gedaagde] ingediende WCAM-verzoekschrift van 18 november 2005 (prod. 29) is gewezen op het debat omtrent de rol van tussenpersonen en op de gevolgen van het schenden van hun vergunningsplicht. Alinea 51 houdt onder meer in:

“[…] zijn de Belangenorganisaties van oordeel dat veel tussenpersonen op zeer agressieve en ontoelaatbare wijze afnemers hebben geworven voor de producten van [gedaagde]. Dit heeft de vraag opgeworpen of [gedaagde] verantwoordelijk is voor het optreden van tussenpersonen. […] Een nadere samenvatting van de standpunten is opgenomen in Productie 24, waarin tevens het debat aan de orde komt omtrent de vergunningsplicht van tussenpersonen en de consequenties van schending daarvan. […]”

Eiser heeft voorts gewezen op het verweerschrift in de WCAM-procedure dat door Leaseproces is ondersteund. In de alinea’s 44 en 84 van dat verweerschrift (prod. 30) is gewezen op het onrechtmatige handelen van de cliëntenremisiers en [gedaagde] in verband met artikel 41 NR 99. Alinea 44, 14e punt, luidt:

“[gedaagde] heeft zaken gedaan met cliëntenremisiers waarvan zij wist dat ze de grenzen van hun vrijstelling ex artikel 12 Vr Wte 1995 overschreden .”

Alinea 84 staat in een uitleg over de zorgplicht. Nadat in alinea 83 is geconcludeerd dat [gedaagde] wegens schending van de zorgplicht jegens benadeelden wanprestatie heeft gepleegd, luidt alinea 84:

In andere gevallen leidt zij [de schending van de zorgplicht] tot de conclusie dat [gedaagde] jegens benadeelden onrechtmatig heeft gehandeld. Dit geldt met name de schending van de artikelen 25, 26, 28 lid 1, 30, 33 en 41 NR 1999.”

Uit de geciteerde inhoud van deze stukken blijkt dat [gedaagde] reeds in 2005 wist dat zij door Leaseproces namens haar cliënten op basis van onrechtmatige daad aansprakelijk werd gehouden voor het optreden van tussenpersonen en voor schending van artikel 41 NR 1999.

4.4.5

De stuiting van de verjaring als bedoeld in artikel 7:905, lid 5, BW door de indiening van het verzoek om verbindendverklaring van de Duisenbergregeling ziet daarom ook op een geval als dit waarbij aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van schade wegens schending van artikel 41 NR 1999.

4.5

de verjaringstermijn ex artikel 7:905 lid 5 BW

4.5.1

Op grond van artikel 7:905 lid 1 BW begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren (sedert 1 juli 2013: twee jaren) te lopen “met de aanvang van de dag, volgende op die waarop (sub b) de in artikel 908 lid 2 bedoelde termijn is verstreken nadat een gerechtigde binnen die termijn een in dat lid bedoelde mededeling heeft gedaan”. De in artikel 7:908 lid 2 BW bedoelde mededeling betreft de mededeling van de gerechtigde “niet gebonden te willen zijn” aan de WCAM-overeenkomst (ook wel aangeduid als de “opt-out verklaring”).

In 2007 is tijdig en geldig verklaard dat eiser niet gebonden wenst te zijn aan de Duisenbergregeling. Op de dag na het uitbrengen van die verklaring begon een nieuwe verjaringstermijn ex artikel 7:907 lid 5 BW te lopen. Die verjaringstermijn bedroeg destijds vijf jaren.

4.6

Is de verjaring gestuit met de brief van 2006?

4.6.1

Bij de beantwoording van deze vraag komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • -

    het beoordelingskader van de stuitingshandeling

  • -

    Wist [gedaagde] wat met “onrechtmatige daad” bedoeld werd?

  • -

    Was het voor [gedaagde] kenbaar waarop met “onrechtmatige daad” werd gedoeld?

4.6.2

het beoordelingskader van de stuitingshandeling

In de brief van 22 februari 2006 is ondubbelzinnig een recht op nakoming voorbehouden. Aan de orde is daarom of deze brief de verjaring heeft gestuit ex artikel 3:317 BW, zoals eiseres gesteld heeft.

De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming kan ook zonder daad van rechtsvervolging worden gestuit ex artikel 3:317, lid 1, BW door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze schriftelijke aanmaning of mededeling dient een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar in te houden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een alsnog in te stellen vordering van de schuldeiser behoorlijk kan verweren.

Niet vereist is dat de benadeelde tevens bekend is met de juridische waardering van de feiten die aanleiding geven tot de aansprakelijkheid. Onbekendheid daarmee komt voor risico van de benadeelde.

Aan de mededeling die aan de schuldenaar wordt gedaan kan niet de eis worden gesteld dat deze nauwkeurig de vordering moet omschrijven waarvoor de schuldeiser zich het recht op nakoming voorbehoudt met aanwijzing van de correcte juridische grondslag daarvoor (HR 27 juni 2008, nr. C07/039, LJN BD1494, NJ 2008/373).

Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. (HR 8-10-2010 ECLI:NL:HR:2010:BM9615 [Chipshol]).

Bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Het komt uiteindelijk erop aan of de mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhoudt dat hij rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vordering nog geldend wordt gemaakt zodat hij ervoor kan zorgen dat hij de beschikking behoudt over voor het voeren van verweer benodigde gegevens en bewijsmateriaal. ( HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR: 2009:BI8502)

4.6.3

[gedaagde] wordt niet gevolgd in haar opvatting dat de context van de stuitingshandeling strikt individueel moet worden beoordeeld. Er behoort niet aan voorbij te worden gegaan dat deze zaak een van de zeer vele is in de afwikkeling van massaschade als gevolg van effecten-leaseovereenkomsten. Eiser heeft een historisch overzicht gegeven. Dat is niet weersproken, zodat van dat overzicht wordt uitgegaan.

Enkele punten daaruit zijn:

In juli 2004 publiceerde de Commissie Geschillen Aandelenlease (CGA, rapporterend aan de Minister van Financiën) haar rapport. In dit rapport is vermeld dat er vanaf begin jaren negentig circa 700.000 contracten zijn afgesloten met omvang van zo’n 6,5 miljard Euro. De 700.000 contracten zijn aangegaan door zo’n half miljoen huishoudens, waarmee een veelvoud aan personen is gemoeid die te maken hebben met de financiële gevolgen, nadat medio 2000 de aandelenkoersen kelderden. Het rapport van de CGA bevat kritische conclusies, onder meer betreffende de zorgplicht van de aanbieders, onder wie [gedaagde], en de rol van tussenpersonen.

Voor [gedaagde] begon de aandelenlease-affaire in 2002. Deze nam in de jaren daarna aanzienlijk in omvang toe. Vanaf 2003 bood [gedaagde] aan afnemers van haar producten een vaststellingsovereenkomst aan met de naam “Het [gedaagde] Aanbod”.

Vanaf 2002 zijn er tegen [gedaagde] diverse procedures aanhangig gemaakt betreffende de schending van haar zorgplichten. Leaseproces is in 2004 haar eerste procedure tegen [gedaagde] begonnen. In 2005 liepen er honderden procedures van Leaseproces tegen [gedaagde] betreffende de schending van haar zorgplichten. Voorts ontving [gedaagde] van Leaseproces honderden brieven namens afnemers waarin [gedaagde] aansprakelijk werd gesteld voor schade van effectenlease-overeenkomsten. [gedaagde] heeft tegenover Leaseproces steeds haar aansprakelijkheid betwist.

Vanaf maart 2005 begon [gedaagde] Leaseproces te verzoeken om procedures aan te houden in verband met de bemiddeling van de heer Duisenberg. Nadat de Duisenbergregeling tot stand was gekomen, was [gedaagde] een van de verzoekers van het WCAM-verzoek d.d. 18 november 2005. In die procedure is de rol van de tussenpersonen en ook de schending van artikel 41 NR 99 aan de orde geweest.

4.6.4

Wist [gedaagde] wat met “onrechtmatige daad” bedoeld werd?

Vanwege de zeer vele contacten die Leaseproces en [gedaagde] sinds 2004 hadden in correspondenties en in procedures, behoefde Leaseproces natuurlijk niet in elke brief bij Abraham te beginnen. Bij Leaseproces en bij [gedaagde] waren in 2006 elkaars standpunten over de diverse onderwerpen uit en te na bekend. Leaseproces mocht er daarom van uit gaan dat [gedaagde] aan een half woord genoeg had.

4.6.5

De brief van 22 februari 2006 van Leaseproces mag worden gekwalificeerd als een schot hagel, in die zin dat er vele rechtsgronden worden genoemd. Maar één van die rechtsgronden is onrechtmatige daad. Vanwege de voorgeschiedenis moet [gedaagde] begrepen hebben, dat hiermee is gedoeld op schending van precontractuele zorgplichten.

4.6.6

Dat [gedaagde] dat heeft begrepen blijkt wel uit het feit dat [gedaagde] zonder verdere uitleg in januari 2012 uit eigen beweging aan eiser tweederde van de restschuld met de wettelijke rente heeft voldaan. Daarmee heeft [gedaagde] uiteindelijk erkend dat jegens eiser niet de precontractuele zorgplicht is nagekomen om indringend te waarschuwen voor het risico van een restschuld. [gedaagde] had dus aan een half woord (“onrechtmatige daad”) in de brief van 2006 genoeg om te begrijpen dat haar de schending van haar precontractuele zorgplichten verweten werd.

4.7.1

Was het voor [gedaagde] kenbaar waarop met “onrechtmatige daad” werd gedoeld?

De vraag is dan of voor [gedaagde] kenbaar was dat met “onrechtmatige daad” in de brief van 2006 ook is gedoeld op aansprakelijkheid voor het optreden van tussenpersonen en op schending van het verbod van artikel 41 aanhef en onder c NR 1999. Eiser heeft onder veel meer gewezen op de WCAM-procedure.

4.7.2

Hiervoor (4.4.4) werd reeds geciteerd uit de inhoud van het WCAM-verzoekschrift van 18 november 2005 en uit het verweerschrift. Uit de geciteerde inhoud van deze stukken blijkt dat [gedaagde] reeds in 2005 wist dat zij door Leaseproces namens haar cliënten op basis van onrechtmatige daad aansprakelijk werd gehouden voor het optreden van tussenpersonen en voor schending van artikel 41 NR 1999. Voorts wist [gedaagde] dat met “onrechtmatige daad” in de brief van 2006 de schending van precontractuele zorgplichten werd bedoeld. Uit een en ander wordt afgeleid dat het voor [gedaagde] duidelijk kenbaar was dat met “onrechtmatige daad” in de brief van 2006 ook is gedoeld op aansprakelijkheid voor het optreden van tussenpersonen en schending van het verbod van artikel 41 aanhef en onder c NR 1999.

4.7.3

De brief van 2006 dient blijkens zijn inhoud als een in artikel 3:317 BW bedoelde mededeling ter stuiting van de verjaring. In de brief is de vordering van eiser op basis van onrechtmatige daad verder niet omschreven, maar dat is ook niet vereist. Gelet op de context van de brief van 2006 bevat de brief toch een voldoende duidelijke waarschuwing aan [gedaagde], waardoor [gedaagde] er rekening mee moest houden dat eiser in de toekomst jegens haar een vordering op basis van onrechtmatige daad zou instellen, waarbij [gedaagde] aansprakelijk wordt gehouden voor het optreden van tussenpersonen en schending van het verbod van artikel 41 aanhef en onder c NR 1999. Door de brief van 2006 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld ervoor te zorgen dat zij de beschikking behoudt over voor het voeren van verweer benodigde gegevens en bewijsmateriaal.

4.7.4

Het maakt geen indruk dat [gedaagde] nu gewag maakt van bewijsmoeilijkheden. Ook nu nog kan in een openbaar register gemakkelijk worden nagegaan of een tussenpersoon destijds een vergunning had om een beleggingsadvies te geven. Zoals hierna nog wordt uitgelegd, lag het op de weg van [gedaagde] om met in achtneming van de NR1999 te onderzoeken of er sprake was van een beleggingsadvies, zoals door de STE in haar brief van 5 februari 2002 was bedoeld. Relevante feiten dienaangaande lagen en liggen bij uitstek in de sfeer van [gedaagde], gelet op het verbod van art 41 aanhef en onder c NR 1999. (Dat verbod zal destijds overigens bij vrijwel iedere afnemer van effectenleaseproducten onbekend geweest zijn.) Tenslotte moet de context niet uit het oog worden verloren: het kader is de afwikkeling van massaschade. Gelet op een en ander behoefde de brief van 2006 geen feiten te bevatten voor de vordering van eiser uit onrechtmatige daad.

4.7.5

De brief van 22 februari 2006 voldoet gelet op het voorgaande aan de vereisten voor een stuiting van de verjaring op basis van artikel 3:317 lid 1 BW. Hierdoor ging een nieuwe verjaringstermijn lopen, die op 22 februari 2012 zou aflopen.

4.8.

Hebben de brieven van oktober 2009 en januari 2012 de verjaring gestuit?

4.8.1

[gedaagde] heeft weliswaar opgemerkt dat de brief betekend op 24 januari 2012 is verzonden namens enige tienduizenden afnemers, maar heeft niet weersproken dat eiser een van die afnemers is. Evenmin is weersproken dat de brief van 2009 mede namens eiser is verzonden.

4.8.2

Inderdaad wordt in de brieven van 2009 en 2012 de vordering niet omschreven, maar dat was voor het rechtsgevolg van stuiting niet meer vereist, omdat het door de brief van 2006 voor [gedaagde] kenbaar was om welke vordering van eiser het ging. Bij deze stand van zaken lag het op de weg van [gedaagde] ook in 2009 en 2012 de beschikking te houden over gegevens en bewijsmateriaal aangaande de totstandkoming van de tienduizenden contracten. Bezien tegen de hiervoor geschetste achtergrond van afwikkeling van massaschade was het niet nodig dat in de brieven van 2009 en 2012 nog eens expliciet werd verwezen naar de inhoud van de brief van 2006.

4.8.3

De stuitingsbrieven van 2009 en 2012 hebben gelet hierop rechtsgevolg gehad, zodat de rechtsvordering van eiser ten tijde van de brief van Leaseproces van 15 november 2016 niet was verjaard. Het beroep op verjaring van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.

beleggingsadvies van Spaar Select

5.1.

Eiser heeft omtrent zijn contacten met Spaar Select de volgende feiten gesteld:

Eiser was reeds met de tussenpersoon van Spaar Select bekend doordat zijn ouders een jaar eerder via Spaar Select effectenleaseovereenkomsten hadden afgesloten. Eiser had een bedrag aan spaargeld ter beschikking en wilde graag zijn vermogen opbouwen, bijvoorbeeld voor het moment dat hij zelfstandig zou gaan wonen. Ten tijde van het afsluiten van het contract woonde eiser namelijk nog bij zijn ouders. Om de mogelijkheid van vermogensopbouw te bespreken heeft eiser contact opgenomen met Spaar Select. Er is toen een huisbezoek afgesproken.

De adviseur is in de avonduren in het ouderlijk huis van eiser op bezoek gekomen. Tijdens het gesprek heeft de adviseur naar aanleiding van de wens van eiser hem een Allround Sparen overeenkomst aangeraden. Dit product, dat de adviseur als spaarplan omschreef, zou voor eiser de beste optie zijn. De adviseur vertelde onder verwijzing naar rekenvoorbeelden en prognoses dat het een veilig product was met een hoog rendement. Dat er in werkelijkheid sprake was van een uiterst risicovolle constructie, waarbij met geleend geld in effecten werd belegd, heeft de adviseur niet verduidelijkt. Risico’s verbonden aan de overeenkomst zijn dan ook niet besproken. Eiser had geen ervaring met beleggen en heeft na de mooie woorden van de adviseur van Spaar Select ermee ingestemd de overeenkomst af te sluiten, nu de adviseur hem ervan had overtuigd dat het Allround Sparen voor hem de beste keuze was. De adviseur is later nog eenmaal teruggekomen om de overeenkomst te laten tekenen.

5.2.

[gedaagde] heeft erkend dat een medewerker van Spaar Select voorafgaand aan het afsluiten van het contract met eiser heeft gesproken en vermeldt de naam van die medewerker: E. Hermans. [gedaagde] heeft echter betwist dat het contact tussen eiser en Hermans is verlopen, zoals door eiser is gesteld. Daarbij heeft [gedaagde] aangevoerd:

In gelijke zaken wordt door Leaseproces een persoonlijk financieel plan overgelegd. In dit geval heeft Leaseproces op geen enkele wijze haar stellingen met betrekking tot het ‘advies’ onderbouwd en dient daaraan voorbij te worden gegaan.

5.3.

Aldus heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken wat eiser heeft gesteld omtrent zijn persoonlijke situatie. Vastgesteld wordt daarom dat eiser destijds, voorafgaand aan het afsluiten van het contract nog bij zijn ouders woonde en contact heeft gezocht met Hermans omdat hij de beschikking had over spaargeld en graag vermogen wilde opbouwen.

5.4.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat eiser bij de aanvraag van het product werd bijgestaan door Hermans van Spaar Select. Daarbij heeft [gedaagde] aangevoerd dat het niet anders kan dat het invullen van het aanvraagformulier en de keuze van het product met eiser is doorgenomen, zeker gezien de vele mogelijkheden en de hoogte van de vooruitbetaling. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat het zeer goed mogelijk is dat er zeer veel voorlichting is gegeven over de risico’s van het aangaan van een effectenleaseovereenkomst.

5.5.

[gedaagde] wenst het kennelijk zo te zien dat de keuze voor het contract volledig de eigen keuze is geweest van eiser. Hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Eiser woonde nog bij zijn ouders. Niet weersproken is dat eiser geen ervaring had met beleggen. Ook dat wordt als feit vastgesteld. Eiser was dus volledig aangewezen op advisering omtrent een gecompliceerde overeenkomst als het contract in deze zaak. [gedaagde] zelf heeft aangevoerd dat het niet anders kan dan dat Hermans van Spaar Select het invullen van het aanvraagformulier en de keuze van het product met eiser heeft doorgenomen, vanwege de vele mogelijkheden en de hoogte van de vooruitbetaling. Onder de voormelde omstandigheden moet die activiteit worden opgevat als advisering van eiser met zijn persoonlijke situatie als uitgangspunt.

5.6.

Hier komt dan nog bij dat [gedaagde] zelf op het contract Spaar Select heeft vermeld als adviseur. Uit de publicatie op haar website, zoals deze luidde in 2001 (productie 1 bij de dagvaarding) blijkt dat Spaar Select zich een “onafhankelijk financieel adviesbureau gespecialiseerd in spaar- en beleggingsproducten, zoals (…) aandelenleasen”. Voorts had Spaar Select op haar website vermeld dat en hoe zij werkt volgens het concept van Persoonlijke Financiële Planning. Ook volgens de toenmalige directeur van Spaar Select drs. J.W. van Dijk presenteerden de medewerkers van Spaar Select zich als adviseur (productie 5 bij de dagvaarding).

[gedaagde] heeft niet weersproken dat zij voor de bemiddeling aan Spaar Select een aan de leasesom gerelateerde vergoeding betaalde. In navolging van de STE (zie hierna 7.3.2.) gaat de kantonrechter er van uit dat dat Spaar Select bij deze stand van zaken bedrijfsmatig en binnen het kader van haar bedrijfsstrategie (zie ook 7.4.1. en 7.4.2.) specifiek het contract aan eiser als passend heeft geadviseerd.

5.7.

De conclusie is dat Spaar Select aan eiser een op zijn specifieke situatie toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven dat inhield het contract met [gedaagde] af te sluiten.

eigen schuld?

6.1

[gedaagde] heeft benadrukt dat de adviseur risico’s niet onvermeld heeft gelaten. Ook heeft [gedaagde] betwist dat Spaar Select een vaste werkwijze had, de verkoopmethode SPEND, zoals door eiser uiteengezet. In het voormelde arrest van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016: 2012) in het bijzonder r.o. 5.6.2. ziet [gedaagde] ruimte voor het standpunt dat er geen reden is om ten voordele van de afnemer af te wijken van de gebruikelijke schadeverdeling in effectenleasezaken, indien de adviseur de risico’s van het contract niet onvermeld heeft gelaten. Maar bij zorgvuldige lezing van het arrest in zijn geheel is er geen ruimte voor dat standpunt. Dat risico’s niet onvermeld zijn gelaten leidt niet tot een schadeverdeling op basis van eigen schuld. Wel biedt het arrest enige ruimte voor een verweer van eigen schuld.

6.2

De Hoge Raad heeft in de samenvatting van het arrest van 2 september 2016 vanwege de massaliteit van de soort vorderingen enkele duidelijke maatstaven gegeven voor de afhandeling van procedures. Deze maatstaven zijn geformuleerd als uitgangspunten. Onder 6.2.3. van dat arrest is overwogen “dat de billijkheid dan in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft”. Met de woorden “in beginsel” is tot uitdrukking gebracht dat de feiten en omstandigheden in een specifieke zaak zo kunnen liggen dat er wel voldoende reden is voor een schadeverdeling op basis van eigen schuld.

6.3

Maar over de feiten en omstandigheden in deze zaak kan men kort zijn. [gedaagde] heeft aangevoerd dat door Spaar Select is gewezen op risico’s. Er is echter heel wat meer nodig dan het obligate: “Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.”. Eiser heeft er met juistheid op gewezen dat vereist is dat de afnemer in niet mis te verstane bewoordingen gewaarschuwd wordt voor het grote risico van een restschuld. Niet alleen heeft [gedaagde] niets gesteld omtrent zulke indringende waarschuwingen van Spaar Select aan eiser, maar bovendien heeft [gedaagde] met de betaling van tweederde van de restschuld in 2012 erkend dat eiser niet op indringende wijze is gewaarschuwd voor het grote risico van een restschuld.

6.4.

In deze zaak is er daarom geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat bij een beleggingsadvies van een cliëntenremisier, waarvan [gedaagde] wist of behoorde te weten, de schade geheel voor rekening van [gedaagde] moet blijven. Het verweer van eigen schuld wordt verworpen en het aanbod van [gedaagde] te bewijzen dat risico’s niet onvermeld zijn gelaten dient te worden gepasseerd.

wetenschap beleggingsadvies?

7.1

[gedaagde] heeft betwist dat zij wist of moest weten dat Spaar Select aan eiser een beleggingsadvies gegeven had.

7.2

Blijkens de “overeenkomst cliëntenremisier Bank Labouchere N.V.” aangegaan met Spaar Select in 1994 (prod. 14) wist Bank Labouchere/[gedaagde] dat Spaar Select een cliëntenremisier was.

7.3

de brief van de STE van 5 februari 2002

7.3.1

In het arrest van 2 september 2016 (4.6.4) is vermeld dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) - in 2002 opgevolgd door de Autoriteit Financiële Markten, AFM - als gedelegeerd toezichthouder bevoegd is nadere invulling te geven aan het Besluit toezicht effectenverkeer 1995. Daarvan heeft hij gebruik gemaakt door het opstellen van de (Nadere Regeling) NR 1995 en de NR 1999. De hierin opgenomen regels vormen recht in de zin van artikel 79 RO.

Artikel 41 NR 99 luidde:

“Een effecteninstelling onthoudt zich met betrekking tot een natuurlijke of rechtspersoon waarop artikel 21, eerste lid, van de wet, van toepassing is, maar die niet is ingeschreven in het in dat lid bedoelde register, van de volgende rechtshandelingen:

[…]

c. het aanbrengen van cliënten of effectenorders voor rekening van cliënten bij deze instelling;

7.3.2

Bij brief van 5 februari 2002 heeft de STE in overeenstemming hiermee het volgende vastgelegd:

“De Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) heeft de afgelopen periode regelmatig geconstateerd dat cliëntenremisiers andere activiteiten verrichten dan is toegestaan onder de vrijstelling voor cliëntenremisiers. Voorts heeft de STE vastgesteld dat cliëntenremisiers de van toepassing zijnde gedragsregels niet naleven. Uitgangspunt voor de STE is dat alle (particuliere) beleggers dezelfde bescherming genieten. Wij achten het daarom van groot belang u nader te informeren over de wettelijk vereiste zorgplicht van cliëntenremisiers bij het aanbrengen van klanten bij effecteninstellingen en beleggingsfondsen. (…)

Aanbrengen

Zoals bekend mogen cliëntenremisiers uitsluitend klanten aanbrengen bij onder toezicht staande effecteninstellingen of beleggingsfondsen. Ze mogen geen effecten orders van klanten doorgeven of uitvoeren en geen geld van klanten onder zich houden. (…)

Advisering en vergunningplicht

Indien de cliëntenremisier klanten die bij effecteninstellingen worden of zijn aangebracht, tevens beroeps- of bedrijfsmatig adviseert over (specifieke) effectentransacties, dan verricht hij feitelijk orderremisier- dan wel vermogensbeheeractiviteiten en is hij vergunningplichtig. (…)

De cliëntenremisier mag (potentiële) klanten wel informeren over kenmerken van beleggingscategorieën (informatie over wat een aandeel is, wat een obligatie is of wat effectenleaseproducten zijn), omdat dit geen adviezen over effectentransacties of beheersactiviteiten betreffen.

De cliëntenremisier mag dus niet beroeps- of bedrijfsmatig adviseren c.q. aanprijzen om bijvoorbeeld een specifiek aandeel, een specifiek beleggingsfonds of een bepaalde obligatie of een specifiek effectenleaseproduct te kopen.

Indien de cliëntenremisier een transactiegerelateerde vergoeding (bijvoorbeeld provisie, commissie of een andersoortige vergoeding) ontvangt van de uitvoerende effecteninstelling, gaat de STE ervan uit dat de cliëntenremisier beroeps- of bedrijfsmatig adviseert en daarom vergunningplichtig is, tenzij de cliëntenremisier aantoont dat hij geen adviezen over effectentransacties verstrekt aan betrokken klanten. De cliëntenremisier kan dit bijvoorbeeld aantonen door middel van schriftelijke stukken waarin aan de klant wordt gecommuniceerd dat de cliëntenremisier de klant niet mag adviseren over effectentransacties. (…)”.

7.3.3

Reeds deze waarschuwing van de autoriteit die toezicht houdt op het effectenverkeer, had voor [gedaagde] aanleiding moeten zijn om te controleren of tussenpersonen met een vergunning als cliëntenremisier beleggingsadviezen gaven en in feite als orderremisier optraden. Overigens diende [gedaagde] ook zonder die waarschuwing te voorkomen dat zij het verbod van artikel 41 aanhef en onder c NR 99 zou overtreden. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] zulke controles heeft uitgevoerd. Daarom wordt vastgesteld dat [gedaagde] destijds heeft verzuimd te controleren of cliëntenremisiers beleggingsadviezen gaven.

7.4

de opzet van [gedaagde] en Spaar Select

7.4.1

Eiser heeft voldoende aangetoond dat het de bedoeling was dat Spaar Select een op de persoon toegesneden beleggingsadvies zou geven.

7.4.1.1 Als productie 8 bij de dagvaarding heeft eiser een print overgelegd van de website van Bank Labouchere, rechtsvoorganger van [gedaagde], van 10 mei 2000. Daaruit blijkt dat Bank Labouchere de volgende tekst op haar website had opgenomen:

“Labouchere Beleggingsproducten

Met de effectenleaseproducten van Labouchere Beleggingsproducten is het voor iedereen mogelijk kansrijk te beleggen. Ze zijn bestemd voor particulieren die op basis van hun financiële situatie deskundig advies van gespecialiseerde onafhankelijke financiële adviseurs wensen.

(….)

De producten worden uitsluitend aangeboden via onafhankelijke, gespecialiseerde financiële adviseurs in ons land. Hun kwaliteit en kennis van zaken garandeert hun cliënten een met zorg omkleed persoonlijk advies. Door training en begeleiding van de financiële adviseurs houden de accountmanagers van Labouchere Beleggingsproducten hen uitvoerig op de hoogte van de verschillende producten. (…)”.

7.4.1.2 Als productie 1 bij de dagvaarding heeft eiser een print overgelegd van de website van Spaar Select zoals deze luidde op 11 april 2001. De “content” luidde toen:

Spaar Select is een onafhankelijk financieel adviesbureau gespecialiseerd in spaar- en beleggingsproducten, (…) Spaar Select werkt volgens het concept van Persoonlijke Financiële Planning. Wat houdt dit nu precies in? Allereerst maakt de accountmanager een inventarisatie van uw huidige situatie. Vervolgens kijkt hij naar uw wensen (…) Aan de hand van de inventarisatie van de persoonlijke situatie en de wensen maakt de accountmanager een Persoonlijk Financieel Plan. Hierin omschrijft hij hoe u door de combinatie van verschillende spaarvormen van diverse banken en maatschappijen uw wensen kunt realiseren tegen zo laag mogelijke kosten. (…)”

7.4.1.3 J.W. van Dijk, destijds directeur van Spaar Select, heeft verklaard (productie 5 bij de dagvaarding):

3. (…) Spaar Select kreeg daarbij commerciële ondersteuning van Bank Labouchere. In de periode 1997-1998 ontvingen de financiële adviseurs van Spaar Select trainingen van Bank Labouchere. Daarna werden de trainingen intern verzorgd op basis van voorlichtingsmateriaal van Bank Labouchere.

5. Tussen Spaar Select en Bank Labouchere c.q. [gedaagde] bestond intensief contact. Ons aanspreekpunt was de heer Jack Troost, die ons wekelijks bezocht en op de hoogte was van de werkwijze van Spaar Select. De focus van Bank Labouchere c.q. [gedaagde] was (…) gericht op het behalen van een zo groot mogelijke omzet.”

7.4.1.4 De toenmalige directeur van Bank Labouchere beleggingsproducten, J. Troost, heeft dat bevestigd (productie 10 bij de dagvaarding).

7.4.2

Met eiser wordt uit het voorgaande afgeleid dat het de bedrijfsopzet was van Bank Labouchere/[gedaagde] dat Spaar Select een op de persoon toegesneden beleggingsadvies zou geven. Of die bedrijfsopzet niet steeds is gerealiseerd vanwege het ontbreken van een vaste werkwijze in de franchiseorganisatie van Spaar Select, zoals door [gedaagde] tot verweer is aangevoerd, mag in het midden blijven. Want aangezien het de bedoeling was dat Spaar Select een op de persoon toegesneden beleggingsadvies zou geven, past daar niet bij dat [gedaagde] bij elk aangeboden contract controleert of Spaar Select een beleggingsadvies heeft gegeven. Het is mogelijk dat [gedaagde] destijds (ten onrechte) van mening was dat cliëntenremisiers op de persoon toegesneden advies mochten geven. Daarvan uitgaande had [gedaagde] geen reden om ervoor te waken dat de cliëntenremisiers niet zouden adviseren. In ieder geval heeft [gedaagde] destijds verzuimd te controleren of cliëntenremisiers beleggingsadviezen gaven.

7.5

onderzoeksplicht [gedaagde]

7.5

betaalde aan Spaar Select een provisie per aangebracht contract. Dan moet ervan uit worden gegaan, gelet op de brief van de STE van 5 februari 2002, dat Spaar Select per contract beleggingsadvies geeft. Op het contract van eiser heeft [gedaagde] zelf Spaar Select als adviseur vermeld. [gedaagde] mocht niet zomaar aannemen dat Spaar Select aan eiser een toegestaan advies had gegeven (zoals door de STE uitgelegd in die brief). Daarom behoorde [gedaagde] te onderzoeken of Spaar Select als adviseur aan eiser een beleggingsadvies heeft gegeven. Zou [gedaagde] destijds niet geweten hebben dat Spaar Select aan eiser een beleggings-advies gegeven had, dan heeft [gedaagde] weggekeken. Want [gedaagde] had dat moeten onderzoeken teneinde te voorkomen dat zij het verbod van artikel 41 NR 99 zou overtreden. [gedaagde] heeft dat ook in deze zaak niet gedaan.

7.6.

aansprakelijkheid [gedaagde]

7.6.1

Indien [gedaagde] gelet op het voorgaande niet reeds wist dat Spaar Select aan eiser een beleggingsadvies had gegeven dat mede inhield het contract met [gedaagde] aan te gaan, dan had [gedaagde] daarvan op de hoogte behoren te zijn.

Dit moet [gedaagde] zwaar worden aangerekend. Het gaat hier immers om een geval waarin een professionele financiële instelling een complex financieel product aan het beleggend publiek aanbiedt zonder eigen specifieke voorlichting aan de potentiële particuliere belegger. Juist in een zodanige verhouding moet de particuliere belegger kunnen vertrouwen op de (deskundigheid en) onpartijdigheid van de door hem ingeschakelde beleggingsadviseur. Indien deze beleggingsadviseur een cliëntenremisier is die, ter bescherming van de positie van de beleggers op de effectenmarkten, niet zonder vergunning als beleggingsadviseur mag optreden, maar die niet over een zodanige vergunning beschikt, en de aanbieder van het financiële product dit weet of behoort te weten, dient deze laatste te weigeren met de particuliere belegger te contracteren. De omstandigheid dat [gedaagde] de contracten zonder meer met eiser is aangegaan, is dus van groot belang bij de verdeling van de schade over de benadeelde. Weliswaar zijn aan eiser omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen – [gedaagde] heeft betoogd dat eiser het contract moet hebben begrepen – maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten vereist de billijkheid dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] geheel in stand blijft.

(zie HR 02-09-2016 ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7.)

7.6.2

Hieruit volgt dat [gedaagde] jegens eiser volledig aansprakelijk is voor schade als gevolg van het contract. De hiervoor onder 2.3.A weergegeven vordering zal worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld doordat [gedaagde] niet heeft geweigerd het contract met eiser aan te gaan, terwijl eiser als potentiële cliënt bij [gedaagde] was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en [gedaagde] hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

7.6.3

Voorts dient de hiervoor onder 2.3.B weergegeven vordering te worden toegewezen. Omdat geen concreet bedrag ter zake van de schade is gesteld, wordt de veroordeling tot schadevergoeding overeenkomstig artikel 612 Rv. uitgesproken. De wettelijke rente is verschuldigd telkens vanaf de dag van betaling door eiser aan [gedaagde] (HR 01-05-2015, ECLI:NL:HR:2015:1198).

fiscaal voordeel

8.1.

Indien eiser fiscaal voordeel heeft genoten van betaalde rente, komt dat voordeel in mindering op de schade. De renteaftrek was slechts mogelijk in het jaar 2000. Omdat [gedaagde] niet weet welke belastingschijf destijds voor eiser van toepassing was, gaat [gedaagde] voorlopig uit van de schijf van 50 %. [gedaagde] stelt het fiscale voordeel van eiser daarvan uitgaande op een bedrag van € 291,80.

8.2.

Eiser erkent dat zijn fiscale voordeel in mindering moet komen, maar voert aan dat zijn inkomen destijds niet viel in de schijf van 50 %, maar in de schijf van 37,95 %. Tot bewijs heeft eiser zijn aanslag inkomstenbelasting van het jaar 2000 overgelegd.

8.3.

[gedaagde] acht dit bewijs niet voldoende, maar de kantonrechter wel. Het fiscale voordeel bedraagt daarom € 221,47, zoals door eiser voorgerekend.

buitengerechtelijke kosten

9.1

Ter zake van buitengerechtelijke incassokosten heeft eiser gevorderd [gedaagde] tot vergoeding te veroordelen “conform rapport Voorwerk II”. Daartegen heeft [gedaagde] aangevoerd, kort weergegeven, dat eiser geen kosten buiten rechte heeft gemaakt en dat haar gemachtigde geen werkzaamheden heeft verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] heeft in dit verband onder meer verwezen naar het oordeel in de zogenoemde “eegalease zaken”

9.2

In de eegalease zaken heeft de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen omdat de door eiser opgesomde werkzaamheden ter verkrijging van betaling buiten rechte vooral zagen op een procedure tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht. In de gevallen waarin is vastgesteld dat door de eega het contract rechtsgeldig is vernietigd wegens schending van artikel 1:88 BW was geen vergoeding van schade aan de orde, maar terugbetaling wegens onverschuldigde betaling.

9.3

beoordeling brieven

In deze zaak is vastgesteld dat [gedaagde] wegens schending van haar precontractuele zorgplicht jegens eiser aansprakelijk is en tot schadevergoeding verplicht. Omdat die verplichting voortvloeit uit onrechtmatige daad en [gedaagde] niet onmiddellijk de schade heeft vergoed is het verzuim ingetreden zonder ingebrekestelling (6:83 BW).

Bij de brieven van 22 februari 2006 en van 1 december 2016 heeft Leaseproces [gedaagde] gesommeerd tot betaling binnen veertien dagen. Deze werkzaamheden komen voor vergoeding in aanmerking omdat ze gericht zijn op het verkrijgen van betaling buiten rechten. Ze waren niet nodig om het verzuim te doen in treden.

9.4.

interne werkzaamheden

De werkzaamheden die eiser bij dagvaarding heeft opgesomd, betreffen – met uitzondering van de sommaties en de stuitingsbrieven – interne werkzaamheden, dus werkzaamheden waarmee Leaseproces niet mee naar buiten is getreden zodat dit geen werkzaamheden ter verkrijging van betaling buiten rechte betreffen.

Hetzelfde geldt voor het verzamelen van gegevens voor het “categoriemodel”. Bovendien speelt het categoriemodel in het geval van eiser niet (bij arrest van 2 september 2016 is beslist dat ook aanspraak op volledige schadevergoeding bestaat indien sprake was van een aanvaarbare financiële last), zodat deze werkzaamheden achteraf bezien niet van belang zijn geweest voor de vordering die eiser heeft ingesteld.

9.5

externe werkzaamheden

De werkzaamheden die zijn verbonden aan de stuiting van de verjaring en de opt-out verklaring hebben wel een extern karakter. Naar het oordeel van de kantonrechter dragen deze werkzaamheden bij aan verkrijging van betaling buiten rechte omdat de stuiting respectievelijk opt-out verklaring [gedaagde] dwingt te onderzoeken of zij beter af is met een regeling buiten rechte dan wel een procedure.

9.6

toewijzen

Met de sommatiebrieven van 22 februari 2006 en van 1 december 2016 alsmede de stuitingsbrieven van oktober 2009 en januari 2012 en de opt-out verklaring van 2007 heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De vergoeding conform rapport VoorWerk II is naar het oordeel van de kantonrechter zowel op zichzelf als qua omvang redelijk. Uitgaande van een geschatte schadevergoeding van omstreeks € 3.500, exclusief rente, zal de kantonrechter - om discussie hierover te voorkomen - de vergoeding volgens de kantonstaffel van ná 1 april 2005 begroten op € 600, te vermeerderen met 21 % BTW, ofwel € 726,-, inclusief BTW.

9.8

Zo min als de hoofdvordering is verjaard, zoals hiervoor overwogen, is de nevenvordering verjaard, zodat dit verweer wordt verworpen.

exhibitie

10.1

De voorwaarde waaronder [gedaagde] haar reconventionele vordering heeft ingesteld is vervuld. [gedaagde] heeft verstrekking van het dossier gevorderd dat Leaseproces omtrent eiser heeft gemaakt, althans van een kopie van een intakeformulier. [gedaagde] meent daarbij een rechtmatig belang te hebben en stelt dat aan de voorwaarden van art. 843a Rv is voldaan. Eiser heeft de vordering bestreden.

10.2

In zijn arrest van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 heeft de Hoge Raad onder 6.2.3 overwogen dat de vergoedingsplicht van de aanbieder bij schending van art. 41 NR 99 geheel in stand blijft, maar dat daarop uitzonderingen denkbaar zijn, hetgeen hij tot uitdrukking heeft gebracht met de woorden “in beginsel”. Klaarblijkelijk beoogt [gedaagde] een beroep te doen op deze uitzondering, waartoe zij wenst te bewijzen dat eiser gewaarschuwd is voor de risico's.

10.3

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] ervoor heeft gekozen om geen incidentele vordering ex art. 843a Rv in te stellen, maar een voorwaardelijke reconventionele vordering. Gevolg hiervan is dat bij toewijzing van de vordering bij eindvonnis de gegevens waarop de vordering ziet, niet in deze instantie gebruikt kunnen worden ten bewijze van haar stelling dat er aanleiding bestaat tot verdeling van de schade over eiser en [gedaagde] op de grond dat eiser is gewaarschuwd voor de risico's. De kantonrechter leidt hieruit af dat [gedaagde] weliswaar mogelijk enig belang heeft bij haar vordering, maar dat dit belang klaarblijkelijk van zodanig gering gewicht is, dat een relevant belang ontbreekt. De reconventionele vordering wordt daarom afgewezen.

proceskosten

11. In conventie wordt [gedaagde] grotendeels in het ongelijk gesteld en in reconventie geheel. [gedaagde] wordt daarom in beide verwezen in de proceskosten. Voor het salaris van de gemachtigde van eiser worden drie punten begroot à € 200. Nu ten tijde van het wijzen van dit vonnis nog niet vaststaat of nakosten gemaakt zullen worden, wordt de nevenvordering van nakosten afgewezen.

de beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld doordat [gedaagde] niet heeft geweigerd het contract met eiser aan te gaan, terwijl eiser als potentiële cliënt bij [gedaagde] was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en [gedaagde] hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn;

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de schade daarvan, die bestaat uit de inleg en de restschuld van het contract, verminderd met voordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens te berekenen vanaf de dag van betaling tot de dag van voldoening;

bepaalt dat de schade in een procedure als bedoeld in artikel 612 Rv. zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;

veroordeelt [gedaagde] om aan eiser een bedrag van € 726,-, inclusief BTW, te betalen als vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

wijst af wat meer of anders is gevorderd;

in reconventie:

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van eiser tot op heden worden begroot op € 775,31, waaronder begrepen een bedrag van € 600,- wegens salaris van de gemachtigde van eiser;

wijst af wat terzake van proceskosten meer of anders is gevorderd;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.