Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6172

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
02-700039-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

medeplegen invoer cocaïne haven Vlissingen, gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700039-18

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid West – De Dordtse Poorten te Dordrecht,

raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 oktober 2018, waarbij de officier van justitie mr. M. van Leeuwen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Aan verdachte is, met inachtneming hiervan, ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 februari 2018 tot en met 25 februari

2018, in elk geval op of omstreeks 25 februari 2018, in de gemeente

Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of (binnen Nederland) heeft vervoerd,

althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 18947,75 gram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of één of meer (nog) onbekend

gebleven perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 19 februari 2018 tot

en met 25 februari 2018, in elk geval op of omstreeks 25 februari 2018, in de

gemeente Vlissingen, althans in Nederland,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben/heeft gebracht, al

dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of (binnen

Nederland) hebben/heeft vervoerd, althans opzettelijk aanwezig hebben/heeft

gehad, ongeveer 18947,75 gram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 19 januari 2018

tot en met 25 februari 2018 in de gemeente Rotterdam en/of Goeree-Overflakkee

en/of Bergen op Zoom en/of elders in Nederland, opzettelijk gelegenheid heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (met bovenomschreven

feit als doel):

- één of meer van bovengenoemde verdachte(n) in contact met elkaar te brengen,

en/of

- één of meer afspraken te maken met en/of tussen één of meer van

bovengenoemde verdachte(n), en/of

- één of meermalen één of meer van bovengenoemde verdachte(n) te vervoeren/af

te leveren naar/op een van te voren afgesproken plek, en/of

- meermalen, althans eenmaal een auto/voertuig ter beschikking te stellen aan

één of meer van bovengenoemde verdachte(n), en/of

- één of meer van bovengenoemde verdachte(n) een (mobiele) (klap)telefoon ter

beschikking te stellen, en/of

- één of meer van bovengenoemde verdachte(n) een code (van een toegangshek

welke toegang verschafte tot de haven (alwaar de cocaïne zich bevond aan boord van

een in die haven gelegen schip) te verzenden.

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 februari

2018 tot en met 25 februari 2018, in elk geval op of omstreeks 25 februari

2018 in de gemeente Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde

of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen,

bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 18947,75 gram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te

bereiden en/of te bevorderen,

-(telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen

en/of

- ( telkens) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en)

te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij

behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen en/of

-(telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of

andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn

mededader(s)wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij

bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

Immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

-mededader(s) in contact met elkaar gebracht, en/of

-contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad en/of inlichtingen

ingewonnen met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen

en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of

-(daartoe) een auto/voertuig (Citroën Berlingo) ter beschikking gesteld aan

zijn mededader(s), en/of

-daartoe een (klap)telefoon (merk Doro Primo) ter beschikking gesteld aan zijn

mededader(s), en/of;

-(daartoe) een mobiele telefoon (met telefoonnummer [telefoonnummer 1] ) met daarin

een bij het havenbedrijf opgevraagde toegangscode voor het haventerrein

verworven en/of voorhanden gehad, en/of

-(daartoe) een (mobiele) telefoon (met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] )

verworven en/of voorhanden gehad en/of (met deze telefoon) een code (van een

toegangshek) verstuurd (waarmee toegang tot de haven zou kunnen worden

verkregen en/of tot het in die haven gelegen schip met aan boord die genoemde

hoeveelheid cocaïne), en/of

-één of meermalen telefonisch contact opgenomen met (de bewaking van) de

haven, alwaar het schip de [naam schip] lag, met de mededeling dat hij surveyor

was en aan boord van het schip [naam schip] diende te/wilde zijn, althans

(telkens) een mededeling van gelijke aard en/of strekking.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de opzet hadden om op 25 februari 2018 samen en in vereniging de cocaïne van het schip de [naam schip] in Vlissingen te halen en verder te vervoeren in de zin van verlengde invoer. Zij hebben daartoe bewust en nauw samengewerkt. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben hier allebei een wezenlijke en significante bijdrage aan geleverd, zodat zij kunnen worden aangemerkt als medeplegers bij deze invoer van cocaïne. Zonder de actieve bijdrage van [verdachte] en [medeverdachte 3] waren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nooit tot hun daad gekomen.

Ten aanzien van feit 2

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] de invoer van cocaïne mede heeft voorbereid door ontmoetingen te regelen met de onbekende man om de mogelijkheden te bespreken om aan boord van een schip te komen en drugs van het schip te halen. Hij heeft aan [medeverdachte 2] een klaptelefoon gegeven en het telefoonnummer daarvan aan de onbekende man verstrekt. Verder heeft hij het havenbedrijf gebeld om zelf toegang te krijgen of een ander toegang te verschaffen tot de haven. Ten slotte heeft hij de code van het toegangshek naar [medeverdachte 2] ge-smst. De officier van justitie acht ook feit 2 daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feiten 1 en 2

Het bewijs van het ten laste gelegde opzet op het overtreden van de Opiumwet en op het medeplegen dan wel de medeplichtigheid ontbreekt. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken. Verdachte ontkent dat hij het telefoonnummer [telefoonnummer 3] gebruikt. Hij is niet degene geweest die met dat nummer naar de haven heeft gebeld. De telefoon met dat nummer heeft hij al meer dan tien maanden niet meer gebruikt. De telefoon lag in de woning waar [medeverdachte 2] woonde. Het kan zijn dat [medeverdachte 2] het nummer heeft gebruikt. De zendmastgegevens hoeven niets over [verdachte] te zeggen. Het kan ook iemand anders geweest zijn. Uit onderzoek aan de telefoons en de telefonische contacten is niet gebleken dat gesproken is over cocaïne.

[medeverdachte 2] heeft zeer tegenstrijdig verklaard op diverse punten. Zijn verklaringen zijn onbetrouwbaar en moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Het aandeel van [verdachte] kan niet worden vastgesteld en daardoor evenmin dat sprake was van een substantiële bijdrage en een bewuste en nauwe samenwerking. Concrete afspraken ontbraken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

- Verweer verdediging

Over de verklaringen die zijn afgelegd door [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank allereerst dat [medeverdachte 2] op enkele punten wisselend heeft verklaard. Zijn verklaringen over de gang van zaken op 25 februari 2018 en de aanloop naar die dag zijn echter in de kern consistent en ze worden ondersteund door de zendmastgegevens van de in het onderzoek betrokken mobiele telefoonnummers, de verklaringen van [medeverdachte 1] , de medewerker van de beveiliging van de haven en van de getuigen van het schip. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de verklaringen van [medeverdachte 2] uit te sluiten van het bewijs. De rechtbank wijst dit verweer af.

- Bewijsmiddelen

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Het schip [naam schip] is op 24 februari 2018 afgemeerd in de Bijleveldhaven in de gemeente Vlissingen. Het schip betreft een zogenaamde ‘reefer’: een schip dat fruit vervoert afkomstig uit Zuid-Amerika. Vanwege de herkomst van de lading worden dergelijke schepen aangemerkt als risicoschip in de smokkel van cocaïne.

Op 24 februari 2018 is met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , een telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] , gebeld naar de bewaking van het havenbedrijf. De persoon die belde gaf zich uit als surveyor en vertelde dat hij aan boord van de [naam schip] diende te zijn. De bewaking vertrouwde dit niet, omdat de persoon weinig kennis van zaken had. Uit onderzoek kwam naar voren dat [verdachte] in verband kan worden gebracht met het afhalen van verdovende middelen in de haven van Rotterdam, en dat hij een contact is van de op 19 februari 2018 aangehouden [medeverdachte 2] .1

Verklaringen [medeverdachte 2]

heeft verklaard dat voordat hij op 25 februari 2018 met [medeverdachte 1] aan boord van de [naam schip] ging, voorbesprekingen hebben plaatsgevonden waarbij hijzelf, [verdachte] , [medeverdachte 3] en een onbekend gebleven man aanwezig waren. [verdachte] heeft [medeverdachte 2] in contact gebracht met een man die gevraagd heeft of [medeverdachte 2] iemand aan boord van een schip kon krijgen2. In januari 2018 vond in verband daarmee al een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en een Turkse man bij een filiaal van McDonalds in Charlois, Rotterdam. Daar werden de vragen van de man over het opzoeken van en aanmelden bij een schip door [medeverdachte 2] en [verdachte] beantwoord. In de ochtend van 25 februari 2018 vond er een bespreking plaats in een filiaal van McDonalds bij de Kuip in Rotterdam, waarbij dezelfde Turkse man, [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] aanwezig waren3+ 4.

Op de parkeerplaats bij de Wouwse Tol ‘s middags kwam een man aanlopen met [medeverdachte 1]5. De man droeg toen een lange zwarte jas. [verdachte] en [medeverdachte 3] waren ook aanwezig op de parkeerplaats. [verdachte] heeft daar volgens [medeverdachte 2] nog gepraat met de man met de lange zwarte jas6. [medeverdachte 1] is vervolgens bij [medeverdachte 2] in de auto gestapt en daarna zijn zij naar Vlissingen gereden. Deze auto had [medeverdachte 2] van [medeverdachte 3] geleend. Hij had op 24 februari 2018 gevraagd aan [medeverdachte 3] of hij de auto mocht lenen. Hij heeft er niet bij gezegd om welke reden hij de auto wilde lenen. Op 25 februari 2018 brachten [verdachte] en [medeverdachte 3] de auto naar [medeverdachte 2] . Uit de zendmastgegevens van de mobiele telefoonnummers van [medeverdachte 2] en [verdachte] blijkt dat zij om 11:55 uur allebei aanstralen op zendmasten in Middelharnis, waar [medeverdachte 2] woont.7

Aangekomen bij de haven in Vlissingen heeft [medeverdachte 2] zich gemeld bij de beveiliging van de terminal van [bedrijfsnaam], waar de [naam schip] lag afgemeerd. [medeverdachte 1] is toen in de auto gebleven. [medeverdachte 2] heeft hem aangemeld onder de naam [naam 1] en heeft daarbij een gestolen rijbewijs op die naam aan de beveiliging getoond.8 Hierna is aan [medeverdachte 2] een autopas verstrekt en konden zij het haventerrein op. Bij het aan boord gaan van het schip moest [medeverdachte 2] zijn naam opschrijven bij de gangwaywacht9. [medeverdachte 1] had toen een lege rugzak bij zich. [medeverdachte 2] is daarna naar boven naar de chief engineer van het schip gegaan10+ 11 en [medeverdachte 1] is naar beneden gegaan. Toen [medeverdachte 2] klaar was bij de chief engineer en naar buiten kwam, stond [medeverdachte 1] al te wachten. Zij zijn van boord van het schip gegaan en in de auto gestapt. De rugzak van [medeverdachte 1] was toen voller dan bij het aan boord gaan van het schip.12 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wel wist dat [medeverdachte 1] iets moest ophalen dat niet klopte.13 Daarna zijn ze met de auto richting de uitgang van het haventerrein gereden.

Ter hoogte van de hoofduitgang van het terrein van [bedrijfsnaam] is aan hen een stopteken gegeven door de douane en is het voertuig doorzocht.14 In de rugzak die op de vloer bij de bijrijdersstoel stond werden negentien pakketten aangetroffen.15 Na onderzoek aan deze pakketten bleken die een wit poeder te bevatten met een netto gewicht van 18.947,75 gram.16 Twee monsters uit deze pakketten zijn onderzocht door het douane laboratorium. De uitkomst van dit onderzoek was dat de monsters cocaïne bevatten.17

De verklaring van [medeverdachte 2] over de ontmoetingen op 25 februari 2018 bij de McDonalds en de Wouwse Tol worden ondersteund door de zendmastgegevens van de mobiele telefoonnummers die in gebruik zijn bij hemzelf, [verdachte] en [medeverdachte 3]18.

Zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] hebben ontkend een mobiele telefoon te hebben en dat de aan hen gekoppelde mobiele telefoonnummers bij hen in gebruik zijn. Ook hebben zij ontkend op 25 februari 2018 in de ochtend bij de McDonalds en in de middag bij de Wouwse Tol te zijn geweest.

De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 3] dat zij geen mobiele telefoon hebben en dat de in het dossier genoemde telefoonnummers niet van hen zijn niet geloofwaardig. Uit het politieonderzoek is namelijk het volgende gebleken.

Het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 3] is volgens het Real Time Intelligence Centre in gebruik bij [verdachte]19. De vriendin van [verdachte] heeft verklaard dat zij met dat telefoonnummer contact opneemt met [verdachte] als hij niet thuis is20. In de contactenlijst van de iPhone die in gebruik is bij de zoon van de vriendin van [verdachte] staat dit telefoonnummer opgeslagen met daarbij de naam ‘ [verdachte] ’, de voornaam van [verdachte]21. Ten slotte is het [verdachte] zelf geweest die het genoemde telefoonnummer heeft opgegeven bij autobedrijven als zijn eigen mobiele telefoonnummer. Medewerkers van de autobedrijven in Cuijck en Roosendaal hebben verklaard dat zij diverse keren telefonisch en WhatsApp contact met [verdachte] hebben gehad op het genoemde mobiele nummer. Zij hebben [verdachte] herkend van een foto van [verdachte] die de politie hen heeft laten zien.22+ 23

[verdachte] heeft verklaard dat hij op de dag dat hij in Cuijck de Volkswagen Touareg kocht, eerst naar Groningen is gereden om daar een auto te bekijken. Daarna is hij naar Cuijck gereden waar in de avond aankwam. Hij heeft toen de Volkswagen Touareg gekocht.24 De WhatsApp-berichten25 die door het autobedrijf in Cuijck zijn verstrekt ondersteunen deze verklaring van [verdachte] . De berichten zijn verstuurd op 29 januari 2018. De persoon met wie door het autobedrijf wordt geappt schrijft dat hij er over twee uurtjes is, want hij moet uit Groningen komen. Om 18:24 uur schrijft die persoon een bericht dat hij er over een uurtje is. Gelet op de verklaring van de medewerker en van verdachte kan het niet anders zijn dan dat dit gesprek met [verdachte] is gevoerd. [verdachte] heeft daarbij gebruikt gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . [verdachte] is met deze onderzoeksgegevens geconfronteerd. Hij heeft geen uitleg gegeven. Zijn verklaring dat hij dit telefoonnummer al meer dan tien maanden niet heeft gebruikt acht de rechtbank ongeloofwaardig, omdat uit het onderzoek is gebleken dat hij dit telefoonnummer op 29 januari 2018, ongeveer vier weken voor de ten laste gelegde feiten, heeft gebruikt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het [verdachte] is geweest die op

24 februari 2018 met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] naar de beveiliging van het havenbedrijf heeft gebeld om zich te melden voor de [naam schip] .

Ten aanzien van het mobiele telefoonnummer van [medeverdachte 3] neemt de rechtbank hier geen bewijsmiddelen op, omdat de rechtbank [medeverdachte 3] vrijspreekt van betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten. Uit het dossier blijkt overigens voldoende dat dit mobiele telefoonnummer in gebruik is bij [medeverdachte 3] .

Omdat de verklaring van [medeverdachte 2] dat [verdachte] en [medeverdachte 3] aanwezig waren bij de ontmoetingen op 25 februari 2018 bij de McDonalds bij de Kuip in Rotterdam en bij de Wouwse Tol waar [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 2] in de auto is gestapt, wordt ondersteund door de zendmastgegevens van de mobiele telefoonnummers in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte 3] bevat het dossier voldoende bewijs dat zij daar samen met [medeverdachte 2] zijn geweest. Tussen die twee ontmoetingen in zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] die dag ook samen geweest. Daarover heeft [verdachte] verklaard en ook die verklaring wordt ondersteund door de zendmastgegevens van hun mobiele telefoonnummers en een tankbon.

Verder gaat de rechtbank ervan uit dat het [verdachte] is geweest die op 24 februari 2018 met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] naar de beveiliging van het havenbedrijf heeft gebeld om zich te melden voor de [naam schip] . Dat een ander dan [verdachte] met het nummer heeft gebeld, is niet aannemelijk geworden. Daar bevat het dossier geen aanwijzingen voor.

Over de betrokkenheid van [verdachte] heeft [medeverdachte 2] voorts verklaard dat hij, [medeverdachte 2] , zijn eigen iPhone op 25 februari 2018 bij de Wouwse Tol aan [verdachte] heeft gegeven. [medeverdachte 2] wist wel dat hij iets ging doen wat niet mocht en hij wilde voorkomen dat zijn telefoon bij een eventuele aanhouding in beslag genomen kon worden. Toen [medeverdachte 2] naar Vlissingen reed was de iPhone dus bij [verdachte] .26 Uit de zendmastgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] , het telefoonnummer van de iPhone van [medeverdachte 2] , blijkt dat dit om 15:31 uur aanstraalt op een zendmast in Wouwse Plantage, om 16:39 uur in Nispen en kort daarop op een zendmast in Bergen op Zoom27. Op die tijdstippen bevond [medeverdachte 2] zich in de omgeving van de haven van Vlissingen.

Het mobiele telefoonnummer van [verdachte] heeft rond 16:00 uur aangestraald op een zendmast in Heerle en rondom 16:30 uur op zendmasten in Bergen op Zoom. Tussen 16:40 uur en 17:16 uur is het telefoonnummer aangestraald op zendmasten in Wouwse Plantage, Heerle, Bergen op Zoom, Roosendaal en Wouw.28

Het telefoonnummer van de iPhone van [medeverdachte 2] was dus steeds in de buurt van het telefoonnummer van [verdachte] .

Gelet op deze gegevens en de verklaring van [medeverdachte 2] hierover gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] de mobiele telefoon van [medeverdachte 2] bij zich had, vanaf het moment dat [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] van de Wouwse Tol naar de haven in Vlissingen is gereden.

Het dossier bevat volgens de rechtbank niet voldoende ondersteuning voor de verklaring van [medeverdachte 2] dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik is bij [verdachte] , zodat niet kan worden vastgesteld dat het [verdachte] is geweest die de hekcode van het haventerrein aan [medeverdachte 2] heeft ge-smst op 25 februari 2018.

Verklaringen [medeverdachte 1]

heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen omdat hij artikelen moest ophalen. Hij is op 19 februari 2018 met zijn vriendin op Schiphol aangekomen en daar is hij opgehaald door een onbekende man. Deze man bracht hen naar een woning. Op 25 februari 2018 werd hij door een andere man met de auto opgehaald en bij een tankstation is hij overgestapt in een andere auto. Met die laatste auto is hij samen met de bestuurder daarvan naar een haven gebracht. Van de man in de eerste auto had hij een rugzak29 en een schroevendraaier gekregen. Daarmee moest hij ergens een wand losmaken, waar de cocaïne achter zat30. Ook liet die man hem op zijn mobiele telefoon een filmpje zien, waarop [medeverdachte 1] kon zien hoe hij dat moest doen.31 Ook kreeg hij mondelinge instructies.32 De opdracht aan [medeverdachte 1] was om de cocaïne uit de ruimte te halen en de cocaïne in een tas te doen.33

Nadat hij met de man in de tweede auto (de rechtbank begrijpt dat dit [medeverdachte 2] was) bij de haven aankwam, is hij samen met hem aan boord van de [naam schip] gegaan.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in het schip alleen naar beneden is gegaan, terwijl [medeverdachte 2] boven bleef. Daar heeft hij de pakketten ontdekt. Toen hij ze zag herkende hij de pakketten als pakketten waar cocaïne in zat. Dat had hij thuis weleens op het nieuws gezien.34 Hij heeft de pakketten in de rugzak gedaan en toen is hij samen met [medeverdachte 2] van het schip afgegaan, in de auto gestapt en weggereden.35+ 36

- Bewijsoverwegingen

Over de betrokkenheid van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] bij het onder 1 ten laste gelegde feit en hun rollen hierin overweegt de rechtbank het volgende.

Hiervoor is al overwogen dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wist dat hij iets ging doen dat niet mocht en dat het te maken had met het aan boord brengen van iemand op een schip. Vanwege zijn vroegere werk als bunker surveyor wist [medeverdachte 2] hoe de procedure voor het aanmelden voor een schip in de haven werkte en kon hij onder de dekmantel van bunker surveyor schijnbaar legaal aan boord van een schip komen. Op die manier heeft hij het mogelijk gemaakt dat [medeverdachte 1] aan boord van de [naam schip] kon komen, en de drugs uit het schip kon halen.

[medeverdachte 2] wist bij de Wouwse Tol ook welk schip ze die middag op zouden gaan, omdat hij bij de Wouwse Tol via een botenvolgsysteem had geraadpleegd of de bunker van dat schip al klaar was.37

Gelet op die omstandigheden, op het feit dat [medeverdachte 1] bij het aan boord gaan van het schip een lege rugzak bij zich droeg en op de herkomst van de lading van het schip is de rechtbank van oordeel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het ging om de invoer van cocaïne, en dat [medeverdachte 2] die kans heeft aanvaard door te handelen zoals hij heeft gedaan.

Vanaf de Wouwse Tol is [medeverdachte 2] samen opgetrokken met [medeverdachte 1] , met het doel om samen aan boord van de [naam schip] te komen. [medeverdachte 1] heeft ontkend dat hij vooraf wist dat het om cocaïne ging, maar op het moment dat hij de pakketten zag wist hij dat wel. Desondanks heeft hij de pakketten gepakt, in de rugzak gestopt en is hij met de volle rugzak van boord gelopen. Vervolgens is hij samen met [medeverdachte 2] en de rugzak in de auto gestapt en zijn zij weggereden.

De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nauw en bewust hebben samengewerkt bij het uithalen van de cocaïne van het schip en het daarna over enige afstand vervoeren van de cocaïne. Hun handelen vanaf het moment dat [medeverdachte 1] bij de Wouwse Tol bij [medeverdachte 2] in de auto stapte is hier steeds op gericht geweest. Zonder [medeverdachte 2] zou [medeverdachte 1] niet aan boord van het schip gekomen zijn, en zonder [medeverdachte 1] was de cocaïne niet van het schip geraakt.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] wist dat [medeverdachte 2] op 25 februari 2018 naar de boot toe moest.38 De rechtbank ziet in het feit dat [verdachte] op 24 februari 2018 zelf heeft gebeld naar de bewaking van de haven om aan boord te kunnen komen van de [naam schip] ondersteuning voor deze verklaring van [medeverdachte 2] . De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] ook het voorwaardelijk opzet had de Opiumwet te overtreden. Uit het dossier blijkt dat hij al eerder in verband is gebracht met het afhalen van cocaïne in de haven van Rotterdam. Ook wist hij welk schip er moest worden bezocht door [medeverdachte 2] , omdat hij degene is geweest die op 24 februari 2018 bij de bewaking van de haven heeft geïnformeerd naar de [naam schip] . Hij heeft als werknemer van [bedrijfsnaam]. gewerkt als surveyor op schepen39. Hij weet vanwege dit werk hoe hij schepen moet opzoeken in systemen en gegevens hierover kan opzoeken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat hij wist dat de [naam schip] een reefer was met een lading afkomstig uit een risicogebied. Gelet op de herkomst van de lading van de [naam schip] en het soort schip bestond er een aanmerkelijke kans dat de goederen die uit het schip moesten worden gehaald op 25 februari 2018 pakketten cocaïne betroffen. Door een bijdrage te leveren aan het aan boord krijgen van een persoon op de [naam schip] heeft hij de aanmerkelijke kans op overtreding van de Opiumwet aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan de invoer van de cocaïne zodanig significant en wezenlijk was dat ook hij kan worden aangemerkt als medepleger. De ontmoetingen op 25 februari 2018 bij de McDonalds en de Wouwse Tol waar hij bij aanwezig was, waren belangrijke ontmoetingen waar het plan om cocaïne uit het schip te halen werd besproken en waarbij uitvoering werd gegeven aan dat plan. Bij deze ontmoetingen waren steeds diverse personen betrokken, waaronder [medeverdachte 2] . Bij de Wouwse Tol heeft hij gezien dat naast [medeverdachte 2] ook [medeverdachte 1] bij de uithaalactie betrokken was. De rechtbank acht daarmee het opzet op het medeplegen bewezen. De actieve bemoeienis van [verdachte] bij het plan blijkt voorts meer concreet uit het telefoontje dat hij op 24 februari 2018 pleegde naar de bewaking van het haventerrein over de [naam schip] .

Bij de Wouwse Tol heeft [medeverdachte 2] zijn iPhone aan [verdachte] meegegeven, waaruit de rechtbank afleidt dat [medeverdachte 2] en [verdachte] ook na de uithaalactie contact met elkaar zouden hebben. Gelet op de significante bijdrage van [verdachte] aan het uithalen van de cocaïne zoals hierboven omschreven en op het feit dat hij niet één van de personen was die daadwerkelijk het schip heeft betreden om de cocaïne daar uit te halen, gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] betrokken was bij de organisatie van de invoer van de bijna negentien kilo cocaïne.

Over de rol van [medeverdachte 3] overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] op 25 februari 2018 aanwezig was bij de ontmoetingen in de McDonalds in Rotterdam en op de parkeerplaats Wouwse Tol. [medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 3] bij de voorbesprekingen niets zei en alleen luisterde. Ook heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij [medeverdachte 3] niet had verteld waarom hij de auto van verdachte wilde lenen.

De vraag is of het aanwezig zijn bij de twee ontmoetingen op 25 februari 2018 en het uitlenen van zijn auto aan [medeverdachte 2] wettig en overtuigend bewijs oplevert van medeplegen van het invoeren van de bijna negentien kilo cocaïne. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

Het enkel aanwezig zijn van [medeverdachte 3] bij de ontmoetingen op 25 februari 2018 is niet voldoende voor het bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking van [medeverdachte 3] met de andere verdachten die er op gericht was de cocaïne van het schip te halen en in te voeren. Niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 3] wist dat zijn auto zou worden gebruikt voor het vervoer van drugs, en dat hij daarmee instemde blijkt ook niet uit de bewijsmiddelen.

De officier van justitie heeft er nog op gewezen dat het telefoonnummer van [medeverdachte 3] (eindigend op [telefoonnummer 4] ) kort voor 25 februari 2018 contact heeft gehad met eenzelfde telefoonnummer als waar de telefoon van [medeverdachte 1] contact mee heeft gehad. Uit het politieonderzoek is naar voren gekomen dat dit telefoonnummer zeer waarschijnlijk een servicenummer is van KPN. Contact met dit nummer door het telefoonnummer van [medeverdachte 3] kan daarom niet als belastend bewijs worden meegenomen om zijn betrokkenheid bij de invoer van de cocaïne aan te tonen.

Conclusie ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 is bewezen zoals dit onder 4.4 is weergegeven.

Ten aanzien van feit 2

Op basis van dezelfde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen als hiervoor genoemd is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] samen met een ander ( [medeverdachte 2] ) voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne op de wijze zoals onder 4.4. is weergegeven.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair.

hij in of omstreeks de periode van 19 februari 2018 tot en met 25 februari

2018, in elk geval op of omstreeks 25 februari 2018, in de gemeente

Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of (binnen Nederland) heeft vervoerd,

althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 18947,75 gram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 februari

2018 tot en met 25 februari 2018, in elk geval op of omstreeks 25 februari

2018 in de gemeente Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde

of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen,

bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 18947,75 gram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te

bereiden en/of te bevorderen,

-(telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen

en/of

- (telkens) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en)

te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij

behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen en/of

-(telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of

andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn

mededader(s)wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij

bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

Immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens)

-mededader(s) in contact met elkaar gebracht, en/of

-contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt

en/of een of meer bespreking(en) en/of ontmoetingen gehad en/of inlichtingen

ingewonnen met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen

en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of

-(daartoe) een auto/voertuig (Citroën Berlingo) ter beschikking gesteld aan

zijn mededader(s), en/of

-daartoe een (klap)telefoon (merk Doro Primo) ter beschikking gesteld aan zijn

mededader(s), en/of;

-(daartoe) een mobiele telefoon (met telefoonnummer [telefoonnummer 1] ) met daarin

een bij het havenbedrijf opgevraagde toegangscode voor het haventerrein

verworven en/of voorhanden gehad, en/of

-(daartoe) een (mobiele) telefoon (met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] )

verworven en/of voorhanden gehad en/of (met deze telefoon) een code (van een

toegangshek) verstuurd (waarmee toegang tot de haven zou kunnen worden

verkregen en/of tot het in die haven gelegen schip met aan boord die genoemde

hoeveelheid cocaïne), en/of

-éénmaal of meermalen telefonisch contact opgenomen met (de bewaking van) de

haven, alwaar het schip de [naam schip] lag, met de mededeling dat hij surveyor

was en aan boord van het schip [naam schip] diende te/wilde zijn, althans

(telkens) een mededeling van gelijke aard en/of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. In de strafeis is er rekening mee gehouden dat het feit in een georganiseerd verband is gepleegd, dat verdachte geen openheid heeft gegeven en dat de samenloopbepalingen van toepassing zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien het tot een veroordeling komt heeft de verdediging verzocht de feiten 1 en 2 aan te merken als voortgezette handeling en hiermee rekening te houden in de strafmaat. Ook dient rekening te worden gehouden met de beperkte rol van verdachte in het geheel.

Verdachte heeft eerder de Opiumwet overtreden, maar dit is een feit van meer dan twaalf jaar geleden. Hij kan daarom nagenoeg als first offender worden aangemerkt.

De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke straf op te leggen, en geen voorwaardelijk strafdeel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan de invoer van bijna negentien kilo cocaïne via de haven in Vlissingen. Zijn rol in het geheel is dat hij deelnam aan voorbesprekingen, dat hij een dag van te voren heeft gebeld naar de beveiliging van de haven om te informeren naar de [naam schip] , en dat hij op 25 februari 2018 aanwezig was bij de overstap van [medeverdachte 1] in de auto van [medeverdachte 2] bij de Wouwse Tol. Hij was betrokken bij de organisatie van de invoer van de bijna negentien kilo cocaïne.

De rechtbank is van oordeel dat het invoeren van harddrugs een ernstig feit is. Cocaïne is immers een stof die sterk verslavend is en die schadelijk is voor de gezondheid. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs mee dat een zwart-geld circuit ontstaat . Dat zijn redenen waarom op de invoer van en de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank niet alleen rekening met de hoeveelheid aangetroffen drugs, maar ook met de rol van verdachte in het geheel.

De hierboven genoemde strafbare gedragingen van verdachte die samen één feitencomplex vormen, zijn bewezenverklaard als verschillende strafbare feiten. Er is daarom sprake van ééndaadse samenloop. De strafbare gedragingen die hebben geleid tot de bewezenverklaring van feit 1 primair zijn namelijk dezelfde als die hebben geleid tot de bewezenverklaring van feit 2. De rechtbank houdt daarom in de bepaling van de strafmaat rekening met artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het strafblad van verdachte van 24 september 2018 blijkt dat hij in 2007 is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

In haar adviesrapport van 1 juni 2018 heeft Reclassering Nederland naar voren gebracht dat zij geen inschatting van het herhalingsgevaar kan geven, omdat verdachte heeft ontkend dat hij bij de invoer van de cocaïne betrokken is geweest. Om diezelfde reden kan evenmin een strafadvies worden gegeven. Er zijn geen problemen gesignaleerd waarop een interventie van toepassing zou kunnen zijn, aldus de reclassering.

Voor de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met bovengenoemde feiten en omstandigheden, met de LOVS straforiëntatiepunten en met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

In de straforiëntatiepunten is een onderscheid gemaakt tussen ‘standaard’ zaken en zaken waarin sprake is van een georganiseerd verband. Volgens de toelichting op de laatste categorie is hiervan sprake als het daders betreft die enige rol in de organisatie spelen, als regelmatige koerier, controller of afhaler. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar sprake is van medeplegen tussen de betrokken verdachten bij de invoer van de bijna negentien kilo cocaïne, maar ook dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat erop wijst dat zij al langer samen dit soort feiten plegen. De rechtbank ziet deze zaak voor wat betreft de straforiëntatiepunten daarom als een ‘standaard’ zaak.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 47, 55 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eéndaadse samenloop van

feit 1 primair: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel

2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

en

feit 2: Medeplegen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door zich of een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 (achtenveertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Josten, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en

mr. H.E. Goedegebuur, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 oktober 2018.

Mr. J.A. van Voorthuizen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Eenheid Zeeland – West-Brabant, nummer ZBRAA18011-2, onderzoek Durif. De aangehaalde paginanummers zien op de ordners ‘zaakdossier I invoer cocaïne deel 1’ en ‘zaakdossier I invoer cocaïne 2’. Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2018, pagina 70.

2 Proces-verbaal van verhoor van verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring (artikelen 59a en 63 Wetboek van Strafvordering) van 28 februari 2018, pagina 522.

3 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 26 maart 2018, pagina 557 en pagina 558, eerste en tweede alinea.

4 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 27 maart 2018, pagina 573, eerste en vierde alinea.

5 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 12 maart 2018, pagina 526, tweede tot en met elfde alinea.

6 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 26 maart 2018, pagina 558, elfde en twaalfde alinea.

7 Proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2018, pagina 239, de historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer van [medeverdachte 2] , en pagina 240, de historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer van [verdachte] .

8 Proces-verbaal van verhoor van [naam 2] van 19 maart 2018, pagina 480, zesde alinea, en zijn gelijkluidende verklaring bij de rechter-commissaris op 23 augustus 2018, blad 3, eerste alinea.

9 Proces-verbaal van bevinding van Douane Belastingdienst van 25 februari 2018, pagina 111, vierde en vijfde alinea.

10 Proces-verbaal van bevinding van Douane Belastingdienst van 25 februari 2018, pagina 111, zevende en achtste alinea.

11 Proces-verbaal van bevinding van Douane Belastingdienst van 25 februari 2018, pagina 112, tweede en derde alinea.

12 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 12 maart 2018, pagina 528, eerste, achtste en laatste alinea, en pagina 529, eerste en tweede alinea.

13 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 12 maart 2018, pagina 529, vijfde en zesde alinea.

14 Proces-verbaal van bevinding van de Douane Belastingdienst van 25 februari 2018, pagina 108.

15 Proces-verbaal van bevinding van de Douane Belastingdienst van 25 februari 2018, pagina 97, eerste alinea, en pagina 98 (omschrijving van de inhoud van de zwarte rugtas: negentien pakketten).

16 Proces-verbaal van de Belastingdienst/Douane Rotterdam Haven, team bijzondere bijstand, van 26 februari 2018, pagina 76, onder ‘herberekening’.

17 Rapport van de Belastingdienst – Douane Laboratorium van 7 maart 2018, pagina 155.

18 Proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2018, pagina 238, 239, 240 (tot de blauwe balk met daarin de tekst “25 februari 2018 …..(Wouwse Tol)”), 243 en 244.

19 Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2018, pagina 70.

20 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 3] van 7 maart 2018, pagina 463, laatste alinea, en pagina 464, eerst alinea.

21 Proces-verbaal bevindingen Iphone beslag A.3 goednummer 446341 Apple Iphone, pagina 400 en 401.

22 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 4] van 22 maart 2018, pagina 482.

23 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 5] van 21 maart 2018, pagina 488 en 489, met als bijlage de koopovereenkomst op pagina 492.

24 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 29 maart 2018, pagina 730, 731 en 732, zesde alinea.

25 WhatsApp-berichten op pagina 736 en 737.

26 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 26 maart 2018, pagina 561, elfde tot en met dertiende alinea.

27 Proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2018, pagina 244, de historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] .

28 Proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2018, pagina 243, de historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 3] .

29 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 15 maart 2018, pagina 624, negende alinea van zijn verklaring.

30 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 15 maart 2018, pagina 615, vijfde alinea.

31 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 27 februari 2018, pagina 593, zevende alinea.

32 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 14 maart 2018, pagina 613, eerste alinea.

33 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 27 februari 2018, pagina 593, zevende alinea.

34 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 14 maart 2018, pagina 615, de op één na laatste alinea van zijn verklaring.

35 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 15 maart 2018, pagina 624, tiende alinea van zijn verklaring.

36 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 27 februari 2018, pagina 593, de op één na laatste alinea.

37 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 26 maart 2018, pagina 565, de op één na laatste alinea.

38 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van 27 maart 2018, pagina 574, negende en vijftiende alinea.

39 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 20 maart 2018, pagina 700, de op één na laatste alinea, en pagina 701, eerste alinea.