Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:6019

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
7132999 VV EXPL 18-52
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, loonvordering afgewezen. Voorshands voldoende aannemelijk geworden dat de brief waarin het ontslag op staande voet is gegeven de werknemer heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 7132999 VV EXPL 18-52

vonnis in kort geding d.d. 16 oktober 2018

inzake

[voornamen] [eiser],

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

eiser,

hierna te noemen “ [eiser] ”,

gemachtigde: mr. M.J.P. Faassen, advocaat te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bridges2000 B.V.,

statutair gevestigd te Dordrecht en zaakdoende te (4761 PJ) Zevenbergen, Koekoeksedijk 16,

gedaagde,

hierna te noemen “Bridges2000”,

gemachtigde: mr. E. van Roosmalen, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te ’s-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. de dagvaarding van 21 augustus 2018 met producties;

  2. de ter griffie op 24 september 2018 ingekomen producties 13 en 14, zijdens [eiser] ;

  3. de ter griffie op 24 september 2018 ingekomen producties 13 t/m 22, zijdens Bridges2000;

  4. e aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van

25 september 2018, met bijbehorend audiëntieblad. De gemachtigden hebben beiden pleitaantekeningen overgelegd.

1.2

Daarna is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1

[eiser] vordert bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. Bridges2000 te veroordelen tot betaling van het salaris van € 2.500,00 bruto per maand vanaf februari 2018 tot en met augustus 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata tot de dag der algehele voldoening alsmede te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, onder gelijktijdige verstrekking van deugdelijke bruto/netto-specificaties op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft;

  2. Bridges2000 te veroordelen tot betaling van de vakantietoeslag ten bedrage van

€ 2.400,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans vanaf 1 juni 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft;

Bridges2000 te veroordelen tot tijdige betaling van het salaris ten bedrage van

€ 2.500,00 bruto per maand vanaf september 2018 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde zal komen, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen, telkens vanaf het moment van opeisbaarheid van de respectieve salarisperioden tot aan de dag van de voldoening;

Subsidiair:

Bridges2000 te veroordelen tot betaling van het salaris van € 2.500,00 bruto per maand vanaf februari 2018 tot 1 mei 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening alsmede te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, onder gelijktijdige verstrekking van deugdelijke bruto/netto-specificaties op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft;

Bridges2000 te veroordelen tot betaling van de vakantietoeslag ten bedrage van

€ 2.200,00 bruto (tot 1 mei 2018) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans vanaf 1 juni 2018, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft;

Zowel primair en subsidiair:

Bridges2000 te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

2.2

Bridges2000 voert verweer.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast:

  1. op 1 november 2016 is [eiser] bij Bridges2000 in dienst getreden als [functie] , op basis van een 40-urige werkweek en tegen een bruto maandsalaris van € 2.500,00, te vermeerderen met 8 % vakantiegeld;

  2. de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, zijnde 6 maanden;

  3. op 1 mei 2017 heeft [eiser] zijn werkzaamheden bij Bridges2000 voortgezet;

  4. op 7 februari 2018 heeft [eiser] zich ziekgemeld bij Bridges2000;

  5. na 7 februari 2018 heeft [eiser] geen salaris meer ontvangen;

  6. Bridges2000 is op 12 juli 2018 verzocht en gesommeerd tot betaling van het achterstallig salaris over te gaan.

3.2

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat er vanaf 1 mei 2017 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft te gelden. [eiser] heeft immers na afloop van de overeenkomst voor bepaalde tijd zijn werkzaamheden voortgezet. Van een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar is [eiser] niets bekend. Artikel 7:668 lid 4 BW acht [eiser] niet van toepassing op zijn situatie. [eiser] stelt vervolgens dat geen sprake is geweest van een op

6 februari 2018 gegeven ontslag op staande voet, nu een brief daaromtrent door [eiser] nooit is ontvangen. Evenmin is sprake geweest van een aanzegging over het einde van de overeenkomst per 1 mei 2018, nu allereerst de arbeidsovereenkomst niet op 1 mei 2018 kon eindigen vanwege de overeenkomst voor onbepaalde tijd en daarnaast een aanzeggingsbrief door [eiser] niet is ontvangen. Tot slot is sprake van een spoedeisend belang, nu [eiser] geen inkomen ontvangt.

3.3

Bridges2000 voert ten verwere aan dat na afloop van de arbeidsovereenkomst van

1 november 2016 er een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar is overeengekomen. Deze verlenging is door [eiser] mede ondertekend. Als gevolg daarvan is in ieder geval geen sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die tot stand zou zijn gekomen na 1 mei 2017, aldus Bridges2000. Voorts voert Bridges2000 aan dat zij op 6 februari 2018 door middel van een brief, die is bezorgd in de brievenbus bij [eiser] , [eiser] op staande voet heeft ontslagen. Op grond daarvan komt hem geen loonvordering (met nevenvorderingen) meer toe. Mocht geoordeeld worden dat van een ontslag op staande voet geen sprake is, voert Bridges2000 tot slot aan dat in de arbeidsovereenkomst schriftelijk reeds een aanzegging bij voorbaat is opgenomen en dat in ieder geval de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2018 van rechtswege is geëindigd.

3.4

Op de nadere standpunten van partijen zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

3.5

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eiser] op Bridges2000 voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de kantonrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

3.6

Het spoedeisend belang bij de vordering tot loon(door)betaling volgt reeds uit de aard van deze vordering. [eiser] kan in zoverre worden ontvangen in zijn vorderingen.

3.7

Hoewel partijen twisten over de vraag wat voor soort arbeidsovereenkomst er bestond in februari 2018, één van onbepaalde tijd dan wel één die van rechtswege eindigde op 1 mei 2018, staat niet ter discussie dát er een arbeidsovereenkomst bestond. Nu de loonvordering van [eiser] aanvangt vanaf februari 2018 is vooreerst de vraag of sprake is geweest van een ontslag op staande voet op 6 februari 2018, hetgeen Bridges2000 primair betoogt en [eiser] betwist.

3.8

Aan de betwisting van het ontslag op staande voet legt [eiser] ten grondslag dat hij de brief van 6 februari 2018 nooit heeft ontvangen. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring die persoon hebben bereikt om haar werking te hebben. Het is aan Bridges2000 om die feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de brief van 6 februari 2018 [eiser] heeft bereikt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze verklaring de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen.

3.9

Bridges2000 heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de brief van 6 februari 2018 [eiser] heeft bereikt, een verklaring van de heer [werknemer] (werknemer bij Bridges2000) overgelegd, die het verweer van Bridges2000 ondersteunt. De heer [werknemer] verklaart, in overeenstemming met de gegeven verklaring van de directeur van Bridges2000, de heer [directeur] , dat de brief van 6 februari 2018 door de heer [werknemer] en de heer [directeur] in de brievenbus van [eiser] is gedeponeerd. Alhoewel [eiser] deze verklaring van de heer [werknemer] in twijfel trekt en deze verklaring onbetrouwbaar acht, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat vooralsnog niet valt in te zien dat deze verklaring van de heer [werknemer] als ongeloofwaardig moet worden beschouwd. Dat de gemachtigde van Bridges2000 niet in een eerder stadium te kennen heeft gegeven aan [eiser] dat de heer [werknemer] ook aanwezig was bij het deponeren van de brief leidt er niet toe dat de verklaring ongeloofwaardig wordt. Hetzelfde heeft te gelden voor het verschil in formulering ten aanzien van het persoonlijk afgeven tegenover het deponeren in de brievenbus. Beiden betreffen immers de situatie dat het niet per post is verzonden, zodat ook hierin niet direct valt in te zien dat de verklaring van de heer [werknemer] als onbetrouwbaar moet worden geacht. Het standpunt van [eiser] dat de heer [werknemer] in dienst is bij Bridges2000 en om die reden sprake is van een afhankelijkheidsrelatie volgt de kantonrechter niet. Er kan immers niet zonder meer vanuit worden gegaan dat werknemers, als zij al belang hebben bij het afleggen van een positieve verklaring voor hun werkgever, daarin reden zien om een onjuiste verklaring af te leggen. Voorshands is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat aan [eiser] op 6 februari 2018 een ontslag op staande voet is aangezegd en dat deze brief hem ook heeft bereikt. Dat de brief van 6 februari 2018 [eiser] heeft bereikt, wordt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter nog nader gestaafd met de verklaring van de heer [collega] waaruit volgt dat [eiser] op

6 februari 2018 de sleutels van het bedrijfspand van Bridges2000 aan hem heeft overhandigd met de woorden dat hij ze niet meer nodig zal hebben. De enkele betwisting van [eiser] dat hij de sleutels in januari 2018 in verband met een vakantie al had ingeleverd, acht de kantonrechter onvoldoende, nu deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Op dat punt voert Bridges2000 ook aan dat er meerdere sets sleutels zijn, zodat er geen noodzaak was voor [eiser] om de sleutels gedurende zijn vakantie in te leveren. Ook voert Bridges2000 op dat punt aan dat [eiser] een eigen set sleutels had. Dit heeft [eiser] niet betwist.

3.10

Met inachtneming van het voorgaande wordt dan ook voorshands geoordeeld dat het ontslag op staande voet per brief van 6 februari 2018 aan [eiser] is gegeven. Dit maakt dat thans niet kan worden geoordeeld dat de loonvordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Daarvoor is een nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk, waarvoor in het kader van een kortgedingprocedure geen plaats is. Dit heeft tot gevolg dat zowel de primaire als de subsidiaire loonvordering van [eiser] zal worden afgewezen. Daarmee is van enige loonvordering vanaf februari 2018 (hetgeen zowel primair als subsidiair is gevorderd) geen sprake. De nevenvorderingen treffen hetzelfde lot en zullen eveneens worden afgewezen.

3.11

Al hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht en hiervoor onbesproken is gebleven, leidt niet tot een andersluidende beslissing.

3.12

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding.

4 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van Bridges2000 tot op heden begroot op € 400,00 als salaris voor de gemachtigde van Bridges2000;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.M. van Dijke, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.