Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5938

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
C/02/346309 / KG ZA 18-381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ministerieplicht van de notaris jegens een legataris. Een legaat geeft een vorderingsrecht dat per definitie pas geldend kan worden gemaakt na overlijden van de erflater. Het in het testament opgenomen legaat is een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde. In het testament is de vordering duidelijk omschreven, te weten een bedrag van € 1.000,00 per maand. De betaling van dit bedrag is niet aan nadere voorwaarden verbonden. Daarmee is de vordering voldoende bepaalbaar. De legataris moet de mogelijkheid hebben om deze vordering ten uitvoer te leggen. Daarvoor heeft zij een executoriale titel nodig. De wet voorziet daarin. Ingevolge artikel 430 lid 1 Rv kan de grosse van een in Nederland verleden notariële akte in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Die regeling geldt ook voor een testament. De rechthebbende moet dan wel beschikken over een grosse van dat testament. Het is de taak van de notaris om zo’n grosse van het testament te verstrekken aan de legataris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/389
ERF-Updates.nl 2018-0197
JBPR 2019/26 met annotatie van Jongbloed, A.W.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Cluster II Handelszaken

zaaknummer / rolnummer: C/02/346309 / KG ZA 18-381

Vonnis in kort geding van 25 juli 2018

in de zaak van

[legataris] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A. Smeekes te Tilburg,

tegen

[de notaris] ,

kantoorhoudende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [legataris] en [de notaris] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de op 27 juni 2018 betekende dagvaarding met de producties 1 t/m 11,

– de mondelinge behandeling van 19 juli 2018, waar partijen hun standpunt mondeling hebben toegelicht.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

– Op 3 april 2016 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). Ten tijde van zijn overlijden was erflater onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [legataris] .

– Op 26 oktober 2015 heeft erflater, ten overstaan van kandidaat-notaris [naam A] als waarnemer van notaris [naam B] , een testament opgemaakt waarin hij zijn zoon en dochter tot zijn enige erfgenamen heeft benoemd en aan zijn echtgenote [legataris] het volgende legaat heeft toegekend:

‘Ik legateer af te geven zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen zes maanden na mijn overlijden, niet vrij van rechten en kosten aan mijn echtgenote [legataris] geboren te [geboorteplaats en datum] :

A. een maandelijks door mijn erfgenamen gedurende haar leven uit te keren bedrag groot een duizend euro (€ 1.000,00), welk bedrag vervalt indien mijn echtgenote opnieuw in het huwelijk treedt of als zij gaat samenwonen als ware zij gehuwd.’

– Na het overlijden van erflater heeft [legataris] een fotokopie van dit testament ontvangen.

– Ondanks diverse aanmaningen blijven de erfgenamen weigerachtig uitvoering te geven aan het legaat.

– Bij brief van 27 oktober 2017 heeft de advocaat van [legataris] zich gewend tot de notaris, mr. [naam B] , met het verzoek om toezending van een grosse van het testament. In verband met het pensioen van mr. [naam B] heeft mr. [naam A] op het verzoek gereageerd en het verzoek afgewezen. Ook mr. [de notaris] , als opvolgend notaris, heeft, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, de afgifte van een grosse van het testament geweigerd, laatstelijk bij e-mailbericht van 8 maart 2018 waarin hij het volgende standpunt heeft ingenomen:

‘U vraagt om afgifte van een grosse van het testament van wijlen de heer [erflater] de dato 26 oktober 2015, aangezien in dit testament een legaat is opgenomen ten behoeve van uw cliënt, mevrouw [legataris] . Zoals reeds telefonisch aan u medegedeeld heb ik in casu twijfels of ik aan uw verzoek kan meewerken. Om die reden heb ik, zoals reeds eerder aan u aangegeven, het Notarieel Bureau in Den Haag de vraag voorgelegd of ik als notaris aan uw verzoek kan medewerken. Het advies van het Notarieel Bureau treft u hierbij als bijlage aan. De conclusie van het Notarieel Bureau is, onder verwijzing naar de uitspraak van HR 8 februari 2013, HR:2013:BY4889, dat de grosse van een testament niet voldoet aan een van de eisen voor het toekennen van executoriale kracht die daaraan zijn gesteld, aangezien het gaat om een toekomstige vordering die niet haar onmiddellijke grondslag vindt in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande rechtsverhouding.’

3 Het geschil

3.1.

[legataris] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de notaris] q.q. veroordeelt tot afgifte van de grosse van het testament van de heer [erflater] d.d. 26 oktober 2015 verleden voor mr. [naam A] als waarnemer van mr. [naam B] , binnen 48 uur na de betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [de notaris] q.q. daarmee in gebreke blijft, althans onder zodanige voorwaarden en termijnen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [de notaris] q.q. in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[legataris] legt aan haar vorderingen de stelling ten grondslag dat de afgifte van een grosse van een testament een ambtshandeling is, ter zake waarvan de notaris een ministerieplicht heeft. [legataris] vordert nakoming van die ministerieplicht door [de notaris] . [legataris] stelt recht en belang te hebben bij de grosse van het testament om het legaat te gelde te maken. Op grond van artikel 430 lid 1 Rv kan de grosse van in Nederland verleden authentieke akten in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Ingevolge het bepaalde in artikel 156 lid 2 Rv is een notariële akte een authentieke akte als bedoeld in artikel 430 lid 1 Rv. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een notariële akte ten uitvoer worden gelegd, mits de vordering voldoende bepaalbaar is (Hoge Raad 26 juni 1992, NJ 1993, 449). In zijn arrest van 8 februari 2013, NJ 2013, 123, heeft de Hoge Raad (nogmaals) overwogen dat de grosse van een notariële akte executoriale kracht heeft en dat die akte aan een schuldeiser de bevoegdheid geeft om zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst de in die akte vermelde aanspraak ten uitvoer te leggen. Gelet op het verstrekkende en ingrijpende karakter van deze bevoegdheid valt het bestaan daarvan alleen te aanvaarden indien de vordering waarvoor deze is verleend met voldoende bepaaldheid in de titel is omschreven. Daarom is in het arrest [partijnamen] de eis gesteld dat de notariële akte alleen dan een executoriale titel in de zin van artikel 430 Rv oplevert, indien deze betrekking heeft op vorderingen die op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaan en in de akte zijn omschreven, of op toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding. [legataris] stelt zich op het standpunt dat de geldvordering in het testament nauwkeurig omschreven staat en voldoende bepaalbaar is. Ter zitting heeft [legataris] nog een beroep gedaan op artikel 50 lid 2 sub c van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna).

3.3.

[de notaris] grondt zijn weigering tot afgifte van een grosse op artikel 21 lid 2 Wna. Hij voert daartoe aan dat hij weliswaar gehouden is een grosse af te geven, maar dat er grond is dat te weigeren wanneer de toegevoegde waarde van de notariële dienstverlening ontbreekt. Daarvan is sprake wanneer er met de akte niets te executeren valt. Onder verwijzing naar het arrest [partijnamen] (Hoge Raad 26 juni 1992, NJ 1993, 449), waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat aan de grosse van een authentieke akte slechts executoriale kracht toekomt met betrekking tot op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven vorderingen alsmede met betrekking tot toekomstige vordering die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding, en het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2013, NJ 2013, 123, stelt [de notaris] zich op het standpunt dat in het onderhavige geval aan de grosse van het testament geen executoriale kracht toekomt, aangezien het gaat om een toekomstige vordering die niet haar grondslag vindt in een ten tijde van het verlijden van de akte reeds bestaande rechtsverhouding. De tussen de erfgenamen en de legataris bestaande rechtsverhouding ontstaat immers pas met het overlijden van de erflater, aldus [de notaris] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit artikel 49 lid 1 aanhef en onder a juncto artikel 50 lid 2 sub c Wna volgt dat aan een legataris een grosse van een testament kan worden afgegeven. Een legataris is immers een persoon die aan de akte een recht ontleent als bedoeld in artikel 49 lid 1 aanhef en onder a Wna. Met betrekking tot deze wettelijke verplichting heeft de notaris op grond van artikel 21 lid 1 Wna een ministerieplicht. Van deze verplichting wordt nakoming gevorderd op grond van artikel 3:296 BW. De vraag is of [de notaris] als notaris met een beroep op artikel 21 lid 2 Wna zijn dienst dient te weigeren. Bij de beantwoording van die vraag is van belang of [legataris] een belang heeft bij afgifte van de grosse van het testament. Dat belang heeft zij niet, wanneer aan de grosse van het testament geen executoriale kracht toekomt.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de jurisprudentie, waar zowel [de notaris] als [legataris] naar verwijzen, niet van toepassing is op een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van een legaat, opgenomen in een testament. Een legaat geeft een vorderingsrecht dat per definitie pas geldend kan worden gemaakt na overlijden van de erflater. Anders dan [de notaris] , is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het testament opgenomen legaat een bestaande vordering is onder opschortende voorwaarde. In het testament is de vordering duidelijk omschreven, te weten een bedrag van € 1.000,00 per maand. De betaling van dit bedrag is niet aan nadere voorwaarden verbonden. Daarmee is de vordering voldoende bepaalbaar. [legataris] als legataris moet de mogelijkheid hebben om deze vordering ten uitvoer te leggen. Daarvoor heeft zij een executoriale titel nodig. De wet voorziet daarin. Ingevolge artikel 430 lid 1 Rv kan de grosse van een in Nederland verleden notariële akte in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Die regeling geldt ook voor een testament. De rechthebbende moet dan wel beschikken over een grosse van dat testament. Zoals hiervoor reeds overwogen is het de taak van de notaris om zo’n grosse van het testament te verstrekken aan de legataris. De vordering van [legataris] zal daarom worden toegewezen.

4.3.

[legataris] vordert dat de veroordeling van [de notaris] zal worden versterkt met een dwangsom. Deze vordering wordt afgewezen, nu de voorzieningenrechter geen enkele aanleiding heeft te veronderstellen dat [de notaris] , gezien zijn hoedanigheid van notaris, het vonnis niet zal nakomen.

4.4.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [de notaris] worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [legataris] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 980,00

totaal € 1.369,01.

Over dit bedrag zal tevens de wettelijke rente worden toegewezen, te rekenen vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt gedaagde om, binnen 48 uur na de betekening van dit vonnis, aan eiseres af te geven een grosse van het testament van [erflater] dat op 26 oktober 2015 is verleden ten overstaan van kandidaat-notaris mr. [naam A] als waarnemer van notaris mr. [naam B] ,

5.2.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, gevallen aan de zijde van eiseres en tot op heden begroot op € 1.369,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.1

1 type: B coll: