Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5927

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
C/02/349327 / KG ZA 18-558
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opschorting van de betaling van geleverde eieren die fipronil bevatten. Gelet op het bepaalde in artikel 6:52 en artikel 6:262 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen alleen tegenover elkaar staande verplichtingen worden opgeschort. Daarvoor is nodig dat er sprake is van voldoende samenhang tussen de hoofdverbintenis van de opkoper tot betaling van geleverde eieren en diens tegenvordering. Die samenhang bestaat er alleen ten aanzien van de schade die de opkoper als een direct gevolg van de levering van met fipronil besmette eieren door de pluimveehouder heeft geleden. Verder moet die tegenvordering opeisbaar zijn en de opschorting moet gerechtvaardigd zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/349327 / KG ZA 18-558

Vonnis in kort geding van 16 oktober 2018

in de zaak van

[eiser] ,

handelend onder de naam [handelsnaam]

wonende te [plaatsnaam 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.C. Winter te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaatsnaam 2] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.W. Steenpoorte te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna ‘ [pluimveehouder] ’ en ‘ [opkoper] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 24 september 2018 betekende dagvaarding met de producties 1 t/m 12 van [pluimveehouder] ;

- de aanvullende producties 13 en 14 van [pluimveehouder] ;

- de producties 1 t/m 27 van [opkoper] ;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 2 oktober 2018;

- de pleitnota van [pluimveehouder] ;

- de pleitnota van [opkoper] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 Het geschil

2.1.

[pluimveehouder] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [opkoper] veroordeelt om bij wijze van voorschot aan [pluimveehouder] te betalen een bedrag van € 216.852,95, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van [opkoper] in dit kosten van de procedure.

2.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. [opkoper] exploiteert een onderneming die zich voornamelijk bezighoudt met het verpakken en leveren van eieren. [opkoper] levert eieren aan supermarkten en aan industriële verwerkingsbedrijven in Nederland en Duitsland. [opkoper] koopt de eieren in bij ongeveer 175 leveranciers.

b. [pluimveehouder] is pluimveehouder. Zijn legbedrijf heeft vier locaties, te weten de locatie [locatienaam 1] , de locatie [locatienaam 2] (met een hok 1 en een hok 3), de locatie [locatienaam 3] (met een hok 1, een hok 2 en een hok 3) en de locatie [locatienaam 4] .

c. [pluimveehouder] levert eieren aan [opkoper] . Die leveringen zijn gebaseerd op een reeks eieraankoopovereenkomsten met een looptijd voor bepaalde tijd. Naar aanleiding van elke levering maakt [opkoper] een afrekening op, waarna het berekende bedrag door [opkoper] aan [pluimveehouder] wordt betaald.

d. In april 2017 heeft [pluimveehouder] de hokken 1 en 2 op de locatie [locatienaam 3] laten reinigen door het bedrijf [bedrijfsnaam] . Naderhand is aan het licht gekomen dat dit bedrijf bij het schoonmaken gebruik heeft gemaakt van het verboden middel fipronil. Sporen van dat middel zijn terug te vinden in de eieren die in de betreffende hokken zijn gelegd.

e. Op of omstreeks 20 juli 2017 is in Nederland de fipronil-crisis uitgebroken. Uit voorzorg heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) de levering van eieren vanuit de locaties [locatienaam 3] en [locatienaam 1] geblokkeerd. De blokkade is opgeheven op 22 september 2017.

f. [pluimveehouder] heeft tot en met 19 juli 2017 eieren geleverd aan [opkoper] . De leveringen in de weken 29 en 30 van 2017 hebben een berekende waarde van

€ 99.159,28. Verkerend in de veronderstelling dat [pluimveehouder] in die weken besmette eieren aan haar heeft geleverd, heeft [opkoper] dat bedrag niet aan [pluimveehouder] betaald.

g. Bij brief van 10 augustus 2017 heeft [opkoper] [pluimveehouder] aansprakelijk gesteld voor alle kosten en schade die [opkoper] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van levering van besmette eieren en van de blokkade van het productieproces.

h. Vanaf eind september 2017 heeft [opkoper] nieuwe eieraankoopovereenkomsten gesloten met [pluimveehouder] . De daarop gebaseerde leveringen van [pluimveehouder] zijn door [opkoper] betaald.

i. In een gesprek op 23 januari 2018 met [pluimveehouder] heeft de directeur van [opkoper] gesteld dat zijn schade, geleden als gevolg van de fipronil-crisis en toe te rekenen aan leveringen door [pluimveehouder] , een bedrag van € 131.000,- bedroeg. [pluimveehouder] heeft gevraagd om een nadere onderbouwing van dat bedrag.

j. De leveringen door [pluimveehouder] in de weken 9 en 10 van 2018 zijn door [opkoper] berekend op een waarde van € 216.852,95. Ondanks diverse aanmaningen heeft [opkoper] dat bedrag tot op heden niet voldaan.

k. Bij brief van 27 maart 2018 aan [pluimveehouder] heeft [opkoper] haar schade naar aanleiding van de levering van met fipronil besmette eieren door [pluimveehouder] nader berekend op een bedrag van € 432.477,08. Het op dat moment aan [pluimveehouder] toekomende bedrag heeft [opkoper] berekend op een bedrag van

€ 324.703,88. [opkoper] heeft zich tevens beroepen op een aan haar toekomend opschortingsrecht, ook wat betreft toekomstige vorderingen van [pluimveehouder] .

l. Bij brief van 25 mei 2018 heeft [opkoper] haar schade toegelicht met nadere berekeningen en documenten. Het berekende schadebedrag bedraagt dan

€ 436.862,70, welk bedrag als volgt is opgebouwd:

€ 151.251,81 retour eieren t.g.v. fipronil

€ 188.788,50 schade t.g.v. fipronil / niet nakomen overeenkomst

€ 75.000,00 opeisbaar voorschot

€ 19.300,00 terugbetalen logistieke middelen.

m. Bij brief van 27 september 2018 aan [pluimveehouder] heeft [opkoper] de leveringen c.q. eieraankoopovereenkomsten die ten grondslag liggen aan de eierleveringen in de weken 29 en 30 van 2017 buitengerechtelijk ontbonden.

3.2.

Inzet van dit kort geding is een vordering tot betaling van een geldsom. Het gaat om het bedrag dat volgens de berekening van [opkoper] aan [pluimveehouder] toekomt voor de levering van eieren in de weken 9 en 10 van 2018. Aan deze vordering legt [pluimveehouder] de stelling ten grondslag dat de afrekening van deze leveringen door [opkoper] zelf is opgesteld en dat de vordering niet door [opkoper] wordt betwist. Wel beroept [opkoper] zich op een opschortingsrecht en op verrekening met een tegenvordering. [pluimveehouder] betwist gemotiveerd dat [opkoper] een deugdelijke tegenvordering heeft en dat [opkoper] ter zake beroep kan doen op een opschortingsrecht.

3.3.

[opkoper] voert verweer. Zij betwist het spoedeisend belang van [pluimveehouder] bij het gevorderde voorschot. Verder is er sprake van een restitutierisico. In de derde plaats moet het door [opkoper] aan [pluimveehouder] te betalen bedrag worden verrekend met de schade die [opkoper] heeft geleden en met hetgeen [opkoper] in het kader van de eindafrekening nog van [pluimveehouder] te vorderen heeft. Per saldo heeft [opkoper] nog een bedrag te vorderen van [pluimveehouder] en niet andersom. Zij dient immers een bedrag van uiteindelijk niet meer dan € 109.781,44 nog aan [pluimveehouder] te betalen en daar staat een vordering van € 334.160,25 van [opkoper] op [pluimveehouder] tegenover, zodat [opkoper] een bedrag van € 224.378,81 te vorderen heeft van [pluimveehouder] . [opkoper] heeft haar betalingsverplichting ten aanzien van de leveringsafrekeningen opgeschort. De schadeclaim van [opkoper] is reeds opeisbaar, ook al staat het schadebedrag nog niet volledig vast. In feite leent de zaak zich niet voor een behandeling in kort geding. Indien de vordering van [pluimveehouder] onverhoopt mocht worden toegewezen, verzoekt [opkoper] om aan de uitvoerbaarheid van dit vonnis de voorwaarde te verbinden dat [pluimveehouder] voor het toe te wijzen bedrag een bankgarantie stelt.

3.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in kort geding, bij het beoordelen van een vordering tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De voorzieningenrechter moet niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de ene partij op de andere partij voldoende aannemelijk is, maar ook of er sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In het kader van de gebruikelijke afweging van de belangen van partijen zal de voorzieningenrechter ook hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling. Dat restitutierisico kan bijdragen aan een weigering van de gevorderde voorziening.

3.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [pluimveehouder] aan de hand van schriftelijke verklaringen van zijn accountant en zijn bank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij er belang bij heeft dat de gevorderde factuurbedragen door [opkoper] worden betaald. Daar komt bij dat de verschuldigdheid van de gevorderde factuurbedragen als zodanig niet door [opkoper] wordt betwist, zodat aan de onderbouwing van het spoedeisend belang minder zware eisen kunnen worden gesteld.

3.6.

Dat de verschuldigdheid van de gevorderde factuurbedragen op zichzelf niet door [opkoper] wordt betwist, brengt mee dat de kans op een terugbetalingsverplichting nihil is en daarmee ook het restitutierisico. Het laten stellen van een bankgarantie ter dekking van het restitutierisico is dan ook niet aan de orde. De vordering van [pluimveehouder] kan in principe worden toegewezen.

3.7.

[opkoper] voert aan dat hij bevoegd is de betaling van die factuurbedragen op te schorten en dat hij het thans door [pluimveehouder] gevorderde bedrag kan verrekenen met zijn tegenvordering op [pluimveehouder] . De voorzieningenrechter constateert dat die tegenvordering uit vier onderdelen bestaat, genoemd in de brief van 25 mei 2018 van [opkoper] . In dat kader merkt de voorzieningenrechter verder op dat het op de weg van [opkoper] ligt om voldoende aannemelijk te maken dat zijn tegenvordering deugdelijk is.

3.8.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:52 en artikel 6:262 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen alleen tegenover elkaar staande verplichtingen worden opgeschort. Daarvoor is nodig dat er sprake is van voldoende samenhang tussen de vordering van [opkoper] en de hoofdverbintenis van [opkoper] tot betaling van geleverde eieren. Die samenhang bestaat er alleen ten aanzien van de schade die [opkoper] als een direct gevolg van de levering van met fipronil besmette eieren door [pluimveehouder] heeft geleden. [opkoper] berekent die schade op een bedrag van thans € 334.160,25, maar in dat bedrag zitten ook posten die niet in direct verband staan tot de levering van besmette eieren, zoals machinestilstand door ongestempelde eieren (welke leveringen al door [opkoper] betaald zijn) en devaluatieschade betreffende onbesmette eieren (welke leveringen al door [opkoper] betaald zijn).

Verder moet de tegenvordering opeisbaar zijn. Dat betekent dat de voorzieningenrechter zich in dit kort geding een voorlopig oordeel moet vormen over de deugdelijkheid van de schadevordering van [opkoper] . De voorzieningenrechter constateert dat die schadevordering door [pluimveehouder] op alle onderdelen gemotiveerd wordt betwist. Zo wil [pluimveehouder] om te beginnen niet betalen voor onbesmette eieren die [opkoper] van haar afnemers teruggenomen en vervolgens vernietigd heeft. Dergelijke verweren leiden ertoe dat er meer bewijslevering nodig is om de deugdelijkheid van de schadevordering van [opkoper] te beoordelen. Dit kort geding leent zich daar niet voor.

Tot slot moet de opschorting gerechtvaardigd zijn. Ook dat vraagt om een beoordeling van de deugdelijkheid van de vordering van [opkoper] , waarbij zich dezelfde obstakels voordoen als hiervoor aangestipt.

Dat betekent dat de deugdelijkheid van de schadevordering van [opkoper] onvoldoende aannemelijk is geworden, zodat haar beroep op opschorting niet wordt gehonoreerd.

3.9.

Ingevolge artikel 6:127 BW is het mogelijk om een opeisbare geldvordering te verrekenen met een verplichting tot betaling van een geldsom. [pluimveehouder] betwist echter gemotiveerd de deugdelijkheid van de tegenvordering van [opkoper] , niet alleen ten aanzien voor voornoemde schadevordering maar ook ten aanzien van het in 2016 door [opkoper] aan [pluimveehouder] betaalde voorschot van € 75.000,- en ten aanzien van de vordering betreffende de logistieke middelen. Met betrekking tot het in 2016 betaalde voorschot stelt [pluimveehouder] dat die een andere grondslag heeft dan door [opkoper] wordt gesteld en dat hij dat voorschot niet terug hoeft te betalen. Met betrekking tot de verdwenen logistieke middelen is de vordering van [opkoper] gebaseerd op een (niet-onderbouwde) telling van geleverde en niet teruggekomen trays aan twee locaties van [pluimveehouder] , waarna [opkoper] die uitkomst simpelweg heeft geëxtrapoleerd naar alle locaties van [pluimveehouder] , hetgeen betekent dat deze vordering is gebaseerd op een ruwe schatting van het aantal trays dat is verdwenen. Verder betwist [pluimveehouder] de prijs van de verdwenen trays. Ten aanzien van de geleverde pulptrays betwist [pluimveehouder] dat hij daarvoor moet betalen. Ook deze verweren vragen om nadere bewijslevering door [opkoper] , waarvoor dit kort geding zich niet leent.

Voorshands is de deugdelijkheid van elk onderdeel van de vordering van [opkoper] onvoldoende aannemelijk geworden. De voorzieningenrechter zal daarom gebruik maken van de in artikel 6:136 BW genoemde mogelijkheid om, in weerwil van het beroep van [opkoper] op verrekening, de vordering van [pluimveehouder] toe te wijzen.

3.10.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [opkoper] worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [pluimveehouder] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,79

- griffierecht 1.565,00

- salaris advocaat 980,00

totaal € 2.630,79.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

4.1.

veroordeelt [opkoper] om aan [pluimveehouder] te betalen een bedrag van € 216.852,95 (tweehonderdzestienduizendachthonderdtweeënvijftig euro en vijfennegentig eurocent),

4.2.

veroordeelt [opkoper] in de proceskosten, gevallen aan de zijde van [pluimveehouder] en tot op heden begroot op € 2.630,79;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. [voorl.] Hermans en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.1

1 type: [coll] coll: