Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5926

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
02/665523-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak primaire feit (art. 6 WVW) en subsidiaire feit (art. 5 WVW), nu de feitelijke toedracht van het verkeersongeval niet meer is vast te stellen. Veroordeling art. 8 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665523-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. drs. J.P. de Man, advocaat te Rosmalen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 oktober 2018, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 te Almkerk, gemeente Woudrichem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Volkswagen Golf), daarmede rijdende over de weg, (de Duijlweg, komende uit de richting van de Brugdam, te Almkerk en gaande in de richting Hilsestraat in de richting van Dussen), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig met dat motorrijtuig rijdend, na het gebruik van alcoholhoudende drank en naderend een op (de rechterzijde van) de rijbaan van de Duijlweg rijdende bestuurder van een fiets,

- ( mede) gelet op de toen aldaar heersende duisternis niet, althans niet voldoende behoorlijk en/of tijdig het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig af te remmen en/of

- niet tijdig met het door hem, verdachte, bestuurde, motorrijtuig uit te wijken, althans geen, in ieder geval onvoldoende maatregelen te treffen teneinde een botsing/aanrijding te voorkomen met die zich op de rijbaan bevindende fietser,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) ten val is gekomen en/of zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere wonden en/of een gebroken tand en/of een gebroken neus en/of een zwelling hand/pols links met pijn en/of een breuk aan een middenhandsbeentje en/of diverse kneuzingen (schouder en voet), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 te Almkerk, gemeente Woudrichem, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk/type: Volkswagen Golf), daarmee rijdende op de weg, de Duijlweg, na het gebruik van alcoholhoudende drank en naderend een op (de rechterzijde

van) de rijbaan van de Duijlweg rijdende bestuurder van een fiets,

- ( mede) gelet op de toen aldaar heersende duisternis niet, althans niet voldoende behoorlijk en/of tijdig het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig heeft afgeremd en/of

- niet tijdig met het door hem, verdachte, bestuurde, motorrijtuig is uitgeweken, althans geen, in ieder geval onvoldoende maatregelen heeft getroffen teneinde een botsing/aanrijding te voorkomen met die zich op de rijbaan bevindende fietser,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 te Almkerk, gemeente Woudrichem, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type: Volkswagen Golf) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 625 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl nog geen 5 jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem,

verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven.

art 8 lid 3 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie komt na bestudering van het dossier en de door verdachte en slachtoffer [slachtoffer] afgelegde verklaringen over het ongeval tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van feit 1 primair (schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet) en feit 1 subsidiair (gevaar op de weg veroorzaken in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet), nu voor die bewezenverklaring vereist is dat verdachte door zijn schuld niet behoorlijk of tijdig met zijn auto is afgeremd en/of niet tijdig met zijn auto is uitgeweken om een aanrijding met het slachtoffer te voorkomen. De juiste toedracht kan echter niet vastgesteld worden. Er ontbreken daarvoor in de verkeersongevallenanalyse een aantal gegevens. Er kan niet worden vastgesteld hoe [slachtoffer] reed en evenmin of hij verlichting voerde. Er kan daarom ook niet worden vastgesteld of verdachte zijn rijgedrag had moeten aanpassen. Er is niet meer dan de verklaringen die over en weer zijn afgelegd over het gebeuren. Dat is onvoldoende. Onder die omstandigheden kunnen de verwijten niet worden bewezen.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de uitslag van het ademanalyseonderzoek.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is evenals de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde onder feit 1, zowel primair als subsidiair. Voorts acht ook de raadsman feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 12 augustus 2017, omstreeks 01.57 uur heeft zich op de Duijlweg in Almkerk, gemeente Woudrichem, ter hoogte van het T-kruispunt met de Broekgraaf een verkeersongeval voorgedaan, waarbij verdachte als bestuurder van een personenauto, merk Volkswagen, type Golf en [slachtoffer] als bestuurder van een fiets betrokken waren. Verdachte diende op dat moment te worden aangemerkt als een beginnend bestuurder, nu de datum van eerste afgifte van zijn rijbewijs 10 januari 2013 was en er dus op dat moment nog geen vijf jaren waren verstreken sinds die afgifte van het rijbewijs.1

Verdachte heeft over dit ongeval verklaard dat hij op de avond van 11 augustus 2017 in een tent in Almkerk aanwezig was tijdens de feestweek en dat hij daar ongeveer 10 glazen bier heeft gedronken. Hij is na afloop van het feest vanuit Almkerk met zijn auto door de polder richting Dussen gereden om naar huis te gaan.2 Hij heeft toen onderweg een aanrijding gehad met een fietser.

Bij een ademanalyse-onderzoek dat op 12 augustus 2017 om 03.01 uur aanving, is vastgesteld dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 625 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg.3

Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 augustus 2017 een personenauto heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcohol dat zijn alcoholgehalte 625 microgram per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl nog geen 5 jaar was verstreken sinds de eerste afgifte van zijn rijbewijs, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.

Verdachte wordt daarnaast - onder feit 1 - verweten dat het verkeersongeval tussen de door hem bestuurde auto en de bestuurder van de fiets aan zijn schuld te wijten was (feit 1 primair) dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt (feit 1 subsidiair). Beide verwijten bestaan er volgens de tenlastelegging uit dat verdachte niet voldoende behoorlijk en/of tijdig heeft afgeremd en/of niet tijdig is uitgeweken of onvoldoende maatregelen heeft getroffen om een aanrijding te voorkomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de fietser pas zag op het moment dat hij vlak achter hem reed en dat de fietser slingerend op het midden van de weg reed. Verdachte is naar eigen zeggen toen naar links uitgeweken om een aanrijding te voorkomen, maar hij heeft de fietser desondanks geraakt.

De fietser, [slachtoffer] , heeft verklaard dat hij die avond alcohol heeft gedronken (ongeveer 10 glazen bier), maar hij ontkent slingerend en op het midden van de weg te hebben gereden.

De rechtbank stelt vast dat het dossier, afgezien van deze verklaringen, geen informatie biedt over de feitelijke toedracht van het ongeval. Zo is niet duidelijk geworden waar precies op de weg de auto van verdachte de fiets van [slachtoffer] heeft geraakt, wat de snelheid van de auto van verdachte was, of het (achter)licht op de fiets van [slachtoffer] brandde en of de omstandigheden ter plaatse zodanig waren dat verdachte de fietsende [slachtoffer] tijdig had moeten kunnen waarnemen.

Bij gebrek aan voldoende onderzoek ter plekke direct na het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank thans niet meer vast te stellen wat de feitelijke toedracht van het verkeersongeval is geweest. Hoewel het zeer wel mogelijk is dat het alcoholgebruik van verdachte van invloed is geweest op de gebeurtenissen en verdachte het ongeval wellicht had kunnen voorkomen wanneer hij geen alcohol had gedronken, is ook dat, vanwege het ontbreken van informatie over de feitelijke toedracht, niet met zekerheid vast te stellen

Dit betekent, nu het dossier ook anderszins geen duidelijkheid biedt over de toedracht van het ongeval, dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte het verwijt kan worden gemaakt dat hij niet voldoende behoorlijk en/of tijdig heeft afgeremd en/of niet tijdig is uitgeweken of onvoldoende maatregelen heeft getroffen om een aanrijding te voorkomen. Verdachte dient dan ook zowel van feit 1 primair als feit 1 subsidiair te worden vrijgesproken.

Dat verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken, doet uiteraard niet af aan de ernstige gevolgen van het verkeersongeval voor slachtoffer [slachtoffer] . De rechtbank begrijpt dat het voor het slachtoffer en zijn familie moeilijk is dat de precieze toedracht van het ongeval niet nader objectief te reconstrueren is en dat daardoor de verklaring van verdachte niet te weerleggen valt.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

hij op of omstreeks 12 augustus 2017 te Almkerk, gemeente Woudrichem, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type: Volkswagen Golf) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 625 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl nog geen 5 jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem,

verdachte, voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 750,= subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis plus een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in de nacht van 12 augustus 2017 een personenauto bestuurd met veel te veel alcohol op. De rechtbank is van oordeel dat dit een ernstig feit is, te meer nu verdachte een beginnend bestuurder is en op basis van de huidige wetgeving slechts 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht in zijn adem was toegestaan. De gemeten hoeveelheid van 625 microgram betekent dat verdachte maar liefst zeven maal de toegestane hoeveelheid aan alcohol in zijn lichaam had. Verdachte heeft hiermee een grotere kans op een ongeval, met de daarbij behorende gevolgen voor zichzelf en zijn medeweggebruikers, voor lief genomen. Er heeft zich ook daadwerkelijk een ongeval voorgedaan. Verdachte is op een polderweg tegen een fietser aangereden, die daardoor ernstig gewond is geraakt. Dat er een verband bestaat tussen drankgebruik en ongeval, heeft de rechtbank in dit geval niet kunnen vaststellen. Verdachte zal nu echter wel verder moeten leven met de vraag of hij dit ongeval had kunnen voorkomen als hij niet onder invloed van alcohol was geweest.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens rijden onder invloed. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten met betrekking tot het rijden onder invloed van alcohol door beginnende bestuurders.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, die in lijn is met de oriëntatiepunten, voldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit en de persoon van verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 8, 176, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (625 µg/l);

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 750,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hoekstra, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 oktober 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2017193477 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 66. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 4 tot en met 6.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 38 en 39.

3 Het geschrift, zijnde een ademanalyseformulier, pagina 25.