Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5907

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
AWB 18_964
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2020:184, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vraagt WW aan en vraagt later toestemming om met behoud van uitkering naar Polen te vertrekken. Uit onderzoek concludeert UWV dat veel Poolse werknemers, waaronder eiser, onmiddellijk na einde dienstverband naar Polen zijn vertrokken.

Recht op WW ingetrokken, toestemming vertrek naar Polen ingetrokken, uitkering teruggevorderd, boete.

Rechtbank verklaart beroep gegrond. Aan de buslijsten komt in deze zaak geen betekenis toe, gebruik van de bankrekening veranderde niet toen eiser volgens het UWV naar Polen vertrok, veranderde wel toen eiser volgens eigen opgave naar Polen vertrok.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/244 met annotatie van A.H. Rebel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/964 WW

uitspraak van 11 oktober 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 januari 2018 (bestreden besluit) van het UWV. Dat besluit betreft eisers aanspraken op grond van de Werkloosheidswet (WW), en het opleggen van een boete.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Hij heeft meegebracht [naam vertegenwoordiger eiser 1] en [naam vertegenwoordiger eiser 2] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd met zes weken.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft gewerkt in loondienst van uitzendbureau [naam uitzendbureau] . Nadat hij werkloos is geraakt heeft hij van 22 september 2014 tot en met 21 mei 2015 een WW-uitkering ontvangen.

Op 18 november 2014 heeft eiser aan het UWV meegedeeld dat hij op 28 november 2014 naar Polen wil vertrekken om daar op zoek te gaan naar werk, en hij heeft gevraagd zijn uitkering te exporteren. In een beslissing van 19 november 2014 heeft het UWV eiser toestemming verleend om werk te zoeken in Polen met behoud van de WW-uitkering.

Het UWV heeft meldingen ontvangen waaruit het vermoeden is ontstaan dat Poolse ex‑werknemers van, onder andere, [naam uitzendbureau] WW-uitkeringen hebben aangevraagd, terwijl zij direct na het beëindigen van hun dienstverband naar Polen zijn teruggekeerd. De Inspectie SZW heeft vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er personen zijn die Poolse werknemers van, onder andere, [naam uitzendbureau] hebben gefaciliteerd bij het verkrijgen van een WW-uitkering.

Het UWV heeft vervolgens nader onderzoek gedaan naar het recht van eiser op een WW-uitkering. De informatie van het strafrechtelijk onderzoek is bij dat onderzoek betrokken. Op 16 augustus 2017 is van het themaonderzoek ‘IOWA’ een rapportage uitgebracht.

Het UWV heeft naar aanleiding van het onderzoek het standpunt ingenomen dat eiser op 20 september 2014, dus al vóór de eerste werkloosheidsdag, in Polen verbleef en dat hij geen recht had op WW-uitkering. Het UWV heeft vervolgens een aantal besluiten genomen:

* Op 13 september 2017 (primair besluit I) is de beslissing van 19 november 2014 (de toestemming om met behoud van de WW-uitkering in Polen werk te zoeken) ingetrokken.

* Op 14 september 2017 (primair besluit II) is de WW-uitkering met ingang van 22 september 2014 beëindigd omdat eiser niet heeft doorgegeven dat hij van 22 september 2014 tot en met 28 november 2014 zich in het buitenland bevond.

* Op 12 oktober 2017 (primair besluit III) is de uitkering over de periode van 22 september 2014 tot en met 27 februari 2015 teruggevorderd.

* Ook op 12 oktober 2017 (primair besluit IV) is een bestuurlijke boete van € 4.126,89 opgelegd.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen de primaire besluiten I tot en met III ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen primair besluit IV is gegrond verklaard. In verband met het ontbreken van draagkracht is de boete beperkt tot het minimumbedrag van € 40,-.

2. Eiser heeft aangevoerd dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Hij zegt dat hij de informatieplicht niet heeft geschonden. Ten onrechte meent het UWV dat eiser in de in geding zijnde periode zonder medeweten van het UWV in het buitenland is geweest.

Eiser heeft bankafschriften overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat in de in geding zijnde periode van zijn bankrekening opnamen zijn gedaan in Nederland. Niet duidelijk is op grond waarvan het UWV aanneemt dat hij deze transacties niet zelf zou hebben verricht.

Eiser heeft gevraagd om vergoeding van wettelijke rente.

3. In artikel 19, eerste lid, van de WW, aanhef en onderdeel e, is bepaald dat geen recht op uitkering heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.

4. Het UWV baseert zijn standpunt dat eiser vanaf 22 september 2014 buiten Nederland verbleef onder meer op het feit dat hij niet woonde op het adres waar hij stond ingeschreven. Voorts baseert het UWV dat standpunt op verklaringen van [naam uitzendbureau] dat eiser bij beëindiging van de dienstbetrekking weer met een bus naar Polen kon gaan. Uit buslijsten blijkt, volgens het UWV, dat eiser op 20 september 2014 naar Polen is teruggekeerd. Eiser stond niet op buslijsten van werknemers die geen gebruik maakten van dit busvervoer. Daarmee staat voor het UWV vast dat eiser op 20 september 2014 naar Polen is gegaan. Een bewijs van eisers verblijf in [woonplaats] in de vorm van huurbetalingen of een huurovereenkomst ontbreekt. Er is slechts een slecht leesbare verklaring overgelegd van iemand die op het adres [adres] of [adres] woonde en die verklaarde dat eiser bij hem verbleef. Eiser heeft ook geen bewijsstuk in de vorm van een betaling, kwitantie of vervoersbewijs overgelegd van het door hemzelf geregelde vervoer naar Polen op een latere datum. Door eiser overgelegde bankafschriften bevatten wel pinbetalingen in Nederland, maar het is niet duidelijk of eiser degene was, die de bedragen heeft opgenomen.

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser vanaf 22 september 2014 in Nederland verbleef. Als dat niet zo is, dan is hem ten onrechte een WW-uitkering toegekend. In dat geval dienen de besluiten, waarbij de gevolgen van die toekenning ongedaan zijn gemaakt, in stand te worden gelaten. Als dan ook blijkt van verwijtbare schending van de inlichtingenplicht is terecht een boete is opgelegd.

6. Omdat de besluiten van het UWV zogenoemde belastende besluiten zijn is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat eiser geen recht op WW had vanaf 22 september 2014, respectievelijk aan te tonen dat eiser onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn land van verblijf.

Intrekking en terugvordering

7. Het UWV heeft het standpunt, dat eiser Nederland al vóór 22 september 2014 heeft verlaten, onder meer gebaseerd op vertreklijsten waaruit moet blijken dat eiser op 20 september 2014 met een door [naam uitzendbureau] georganiseerde busreis naar Polen is gereisd.

In een uitspraak van 20 september 2018 (ECLI:NL:RBZWB:2018:5525) heeft deze rechtbank al stilgestaan bij de betekenis van die vertreklijsten. Anders dan in die uitspraak kent de rechtbank in het geval van eiser aan die vertreklijsten geen doorslaggevende betekenis toe. Eiser heeft verklaard dat hij die lijsten niet kende en niet is gebleken dat hij betrokken was bij de vermelding van zijn naam op een lijst, of dat hij over een buskaartje beschikte.

De vertreklijsten vormen dan ook geen aanwijzing dat eiser op 20 september 2014 naar Polen is vertrokken.

8. Dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt wanneer hij wél naar Polen is gereisd is in het kader van deze procedure niet van betekenis. Zoals in overweging 6 is uiteengezet is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat eiser vóór 22 september 2014 uit Nederland is vertrokken. Het is niet aan eiser om aannemelijk te maken wanneer en met welk vervoermiddel hij wél naar Polen is gereisd.

9. Het UWV heeft het standpunt dat eiser al vóór 22 september 2014 Nederland heeft verlaten voorts gebaseerd op de onderzoeksbevinding dat Poolse werknemers met een WW-uitkering hun bankpas na vertrek lieten gebruiken door andere personen, om de indruk te wekken dat zij nog steeds in Nederland waren.

Uit de door eiser overgelegde bankafschriften is de rechtbank gebleken dat in de periode van 1 augustus 2014 tot 20 september 2014 ten laste van eisers rekening vrijwel dagelijks in Nederland betalingen werden verricht met betaalautomaten en vrijwel wekelijks bedragen werden opgenomen bij geldautomaten. In de periode van 20 september 2014 tot 28 november 2014 is dat patroon vrijwel ongewijzigd voortgezet. Vanaf 4 december 2014 worden betalingen verricht in Polen, en worden in Nederland geen betalingen meer verricht of bedragen opgenomen.

Deze ontwikkelingen in het gebruik van eisers bankrekening ondersteunen zijn verklaring dat hij niet eerder dan op 28 november 2014 naar Polen vertrok. Er is geen aanwijzing dat eiser vanaf 20 september 2014 door een derde gebruik liet maken van zijn bankpas.

10. Het UWV heeft voorts betekenis toegekend aan een machtiging die eiser op 29 september 2014 ondertekende, waarin hij een adres in Polen als woonplaats opgaf. Naar het oordeel van de rechtbank komt vooral betekenis toe aan de laatste regel van die machtiging, die luidt: “Aldus opgemaakt en ondertekend te [woonplaats] op 29 september 2014.” Daaruit blijkt van een indicatie dat eiser na 20 september 2014 nog in [woonplaats] verbleef.

11. Ter zitting hebben [naam vertegenwoordiger eiser 1] en [naam vertegenwoordiger eiser 2] verklaard over eisers verblijf in [woonplaats] in de in geding zijnde periode. Voor zover onduidelijkheid heeft bestaan, of nog bestaat, over eisers verblijfplaats in die periode komt daar niet de betekenis aan toe dat eiser niet in Nederland verbleef.

12. De rechtbank concludeert dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser vanaf 20 september 2014 niet in Nederland verbleef. Daarom is ten onrechte het recht op WW-uitkering ingetrokken, is ten onrechte de toestemming om met behoud van die uitkering in Polen werk te zoeken ingetrokken en is ten onrechte die uitkering teruggevorderd.

Boete

13. Met de conclusie dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser vanaf 20 september 2014 niet in Nederland verbleef is ook de vraag beantwoord of het UWV heeft aangetoond dat eiser toen niet in Nederland verbleef. De bewijslast die met betrekking tot een punitief besluit op het UWV rust is immers zwaarder dan met betrekking tot een reparatoir besluit. De boete is ten onrechte opgelegd.

Slotoverwegingen

14. De overwegingen 12 en 13 leiden tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd, en de primaire besluiten I tot en met IV zullen worden herroepen.

15. Dat betekent dat het recht op uitkering vanaf 22 september 2014 ongewijzigd voortbestaat, evenals de toestemming om met behoud van uitkering in Polen werk te zoeken. De terugvordering en de boete worden ongedaan gemaakt.

16. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om het UWV te veroordelen “tot vergoeding van wettelijke rente over de eventueel ten onrechte terugbetaalde uitkering/boete.” Als eiser in het kader van de terugvordering en/of de boete betalingen heeft verricht aan het UWV heeft hij schade geleden. Indien en voor zover in dat kader betalingen zijn verricht wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toe. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

17. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

18. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, die in één geschrift zijn gemotiveerd, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten I tot en met IV;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de eventueel al terugbetaalde uitkering en/of de al betaalde boete toe;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.