Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5826

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
02-700183-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontgroeningsritueel scoutinggroep. Contra-indicatie voor voorwaardelijk opzet. De aanmerkelijke kans op het ontstaan van letsel niet bewust aanvaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700183-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 oktober 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. D.J. Olie, advocaat te Goes.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 september 2018, waarbij de officier van justitie mr. L. van de Oever en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij (als Nederlander) op of omstreeks 14 augustus 2017 te Sint Joris Weert, in

elk geval in België,

aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten

een of meer brandwonden heeft toegebracht door opzettelijk, na kalm beraad en

rustig overleg, althans opzettelijk die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] op

de (blote) rug, in elk geval het lichaam, te brandmerken met de letters F

en/of N met behulp van een brandijzer, in elk geval met een heet/warm metalen

voorwerp;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij (als Nederlander) op of omstreeks 14 augustus 2017 te Sint Joris Weert, in

elk geval in België, opzettelijk en met voorbedachten rade, [naam 1]

en/of [naam 2] en/of [naam 3] heeft mishandeld door opzettelijk, na

kalm beraad en rustig overleg, die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] op de

(blote) rug, in elk geval het lichaam, te brandmerken met de letters F en/of

N met behulp van een brandijzer, in elk geval met een heet/warm metalen

voorwerp, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden, ten

gevolge heeft gehad;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij (als Nederlander) op of omstreeks 14 augustus 2017 te Sint Joris Weert, in

elk geval in België [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3]

heeft mishandeld door die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] op de (blote)

rug, in elk geval het lichaam, te brandmerken met de letters F en/of N met

behulp van een brandijzer, in elk geval met een heet/warm metalen voorwerp,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten brandwonden, in elk geval

enig letsel en/of pijn ten gevolge heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde zware mishandeling met voorbedachte raad van [naam 1] en de impliciet subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling van [naam 2] en [naam 3] heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Verdachte heeft tenminste voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde (in al haar varianten) en wijst er daarbij op dat deze ongelukkige samenloop van omstandigheden in casu gekwalificeerd moet worden als onbewuste schuld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (hierna: respectievelijk [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ) zijn lid van de scoutinggroep [naam 4] . Ieder jaar vindt er in de zomer een scoutingkamp van de zeeverkenners plaats, in 2017 was dit in Sint Joris Weert in België voor kinderen tussen de elf en zestien jaar oud. De kinderen die voor de eerste keer meegaan met dit kamp nemen deel aan een ontgroeningsritueel. Onderdeel van dit ontgroeningsritueel is het zogenoemde ‘brandmerken’ van de kinderen met blauwe inkt. Op 14 augustus 2017 vond de ontgroening van [naam 1] (13), [naam 2] (11) en [naam 3] (11) plaats. Uit het dossier komt naar voren dat de kinderen voor de ontgroening eerst al zwemmend een kano op het meer met daarin [naam 5] (hierna: [naam 5] ) verkleed als de god Neptunes naar de kant moesten halen, waarna zij een vies drankje te drinken kregen en tot slot op hun rug gestempeld werden met de letters FN.

Ten behoeve van dit stempelen werd een zeil gespannen om een afscheiding te creëren tussen de kinderen die al gestempeld waren en de kinderen die nog gestempeld moesten worden. Aan de andere kant van dit zeil stond een vuurschaal. In de vuurschaal lagen drie blokken hout. Het vuur brandde en had vlammen, maar was niet groot. Voordat het stempelen begon, brandde het vuur al ongeveer vijftien minuten. Bij het vuur lag een ijzeren staaf met aan het uiteinde een stempel van ongeveer acht bij zeven centimeter met de letters FN. Ook stond er bij de vuurschaal een bakje met blauwe inkt. Het was de bedoeling dat de stempel in de blauwe inkt werd gedoopt voordat het op de rug van een kind werd gedrukt om zo een brandmerk voor te stellen. Het kind dat gestempeld werd, kreeg vooraf de instructie tijdens het stempelen te schreeuwen om het voor de anderen zo echt mogelijk te laten lijken.

Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het stempelen van de kinderen het vuur in de vuurschaal met de stempel heeft opgepookt. Voordat [naam 1] aan de beurt was, heeft hij eerst de stempel in de blauwe inkt gedoopt en vervolgens aan dat uiteinde even gevoeld of het nog warm was. Hij heeft de stempel niet tegen, maar voor zijn arm gehouden. Volgens verdachte was de stempel op dat moment niet heet. Daarna heeft hij de stempel op de rug van [naam 1] gedrukt. Ook voordat [naam 2] de stempel op zijn rug gedrukt heeft gekregen, heeft verdachte de ijzeren staaf naar zijn arm toegebracht om te voelen. Ook op dat moment ging verdachte ervan uit dat de stempel niet heet was, waarna hij het op de rug van [naam 2] drukte. Tussen het stempelen van de kinderen heeft verdachte steeds opnieuw de stempel door de vlammen van het vuur gehaald om het echt te laten lijken en vervolgens de stempel in de inkt gedoopt en op de rug van de kinderen gedrukt. Bij verdachte is geen letsel geconstateerd op zijn hand en onderarm.

[naam 1] heeft over de ontgroening verklaard dat hij als eerste aan de beurt was voor het stempelen. Hij moest achter het zeil langs lopen naar de vuurschaal toe. Daar stonden verdachte en de rest van de leiding bij de vuurschaal op hem te wachten. [naam 1] moest op zijn knieën gaan zitten en [naam 5] vroeg hem om te gillen om de andere kinderen bang te maken. [naam 1] zag dat in de vuurschaal de stempel lag en dat verdachte die uit het vuur pakte. Hij voelde vervolgens ineens dat er met een heet stuk ijzer op zijn rug werd geduwd. Hij voelde pijn en voelde dat zijn huid werd verbrand. [naam 1] heeft als gevolg hiervan een tweedegraads brandwond opgelopen. Deze brandwond heeft een afdruk van de letters FN achtergelaten.

Na [naam 1] is [naam 2] achter het zeil voor de vuurschaal op zijn knieën gaat zitten. [naam 5] fluisterde in zijn oor om hard te schreeuwen zodat de andere kinderen zouden denken dat het echt was. [naam 2] zag dat verdachte de stempel in zijn handen vasthad. Daarna heeft verdachte deze op de rug van [naam 2] gedrukt. [naam 2] voelde op dat moment pijn. Hij heeft als gevolg hiervan een brandwond opgelopen, waarvan na acht dagen nog een vage afdruk van de letter F (vier centimeter breed en zeven centimeter hoog) zichtbaar was. Op één van de filmopnames is te zien dat verdachte de stempel in de richting van zijn eigen arm beweegt, voordat hij deze op de rechter bovenkant van de rug van [naam 2] drukt.

[naam 3] was als derde aan de beurt. Ook zij moest op haar knieën achter het zeil op de grond gaan zitten. Ze zag dat verdachte de stempel op haar schouder drukte. Ze voelde dat die warm was en boog hierdoor direct naar voren. [naam 3] heeft verklaard dat zij op dat moment nog tegen verdachte heeft gezegd dat de stempel echt warm was, waarop hij zei dat hij er nog aan had gevoeld en dat de stempel volgens hem niet warm was. [naam 3] heeft als gevolg hiervan een brandwond opgelopen. De letter F is hierin duidelijk zichtbaar.

(Voorwaardelijk) opzet

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte onvoorwaardelijk opzet had op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel aan [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte [naam 1] , dan wel [naam 2] of [naam 3] een lesje wilde leren door hen daadwerkelijk te ‘brandmerken’ en daarbij (zwaar) lichamelijk letsel toe te brengen. Het dossier bevat weliswaar een aantal getuigenverklaringen waarin verklaard wordt dat [naam 1] verdachte zou hebben uitgedaagd en dat verdachte [naam 1] hierom een lesje wilde leren door hem echt te brandmerken, maar deze getuigen verklaren allen over hetgeen zij pas na het ontgroeningsritueel hebben gehoord. Daar komt bij dat [naam 1] heeft verklaard dat hij verdachte niet heeft uitgedaagd. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken dat verdachte met de vooropgezette bedoeling van mishandeling heeft gehandeld.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel door de stempel enige tijd te verhitten en hierna op de rug van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] te drukken.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (25 maart 2003, NJ 2003/552) aanwezig is, als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans (1) dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is voorts vereist dat verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (2) (‘op de koop toe heeft genomen’) (HR 25 maart 2003, NJ 2003/552). Uit de enkele omstandigheid dat de wetenschap van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg bij de verdachte aanwezig is of bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over dat wat op het moment van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Ook daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de door de rechtbank hiervoor vastgestelde feiten volgt – kort gezegd - dat verdachte voorafgaand aan het ontgroeningsritueel met de stempel het vuur in de vuurschaal heeft opgepookt en dat niet is vast te stellen hoe lang deze in contact is geweest met het vuur. Vervolgens heeft verdachte, vóórdat hij de stempel op [naam 1] rug drukte, de stempel naar zijn arm toegebracht om te voelen of die warm was. Het ontbreken van letsel op de hand dan wel de onderarm van verdachte is, naast de verklaring van verdachte, een aanwijzing dat verdachte de stempel niet tegen, maar voor de huid heeft gehouden. Dat de stempel (te) heet was, blijkt uit het door [naam 1] opgelopen letsel. Verdachte heeft voor het stempelen van [naam 2] de stempel even kort door de vlammen gehaald, de stempel wederom vóór zijn arm gehouden en het hierna op de rug van [naam 2] gedrukt. Dat ook bij [naam 2] de stempel nog (te) warm was blijkt uit het door hem opgelopen letsel. Vervolgens gebeurt hetzelfde bij [naam 3] . De stempel is wederom door de vlammen gehaald. Deze keer heeft verdachte zonder te voelen of deze nog warm was op de rug van [naam 3] gedrukt. Ook [naam 3] heeft ten gevolge daarvan letsel opgelopen. De rechtbank stelt voorts vast dat het, gelet op de ernst van het letsel van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] aannemelijk is dat de stempel na het oppoken van het vuur, behalve het, voor het stempelen kort door de vlammen van het vuur halen, niet meer in aanraking is geweest met het vuur in de vuurschaal. Gelet op de letselbeschrijvingen en de foto’s van het letsel is het letsel van [naam 1] ernstiger dan het letsel van [naam 2] en is het letsel van [naam 2] ernstiger dan het letsel van [naam 3] .

Aanmerkelijke kans (1)

De kans dat iemand die met een ijzeren staaf, die kort daarvoor in ieder geval enige tijd in aanraking is geweest met vuur in een vuurschaal met daarin vlammen, gestempeld wordt en daardoor een brandwond oploopt is naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten in de zin dat dit een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid is. Dit geldt temeer nu het in deze zaak gaat om drie jonge kinderen (in de leeftijd van 11, 11 en 13 jaar), waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat op een jonge kwetsbare huid eerder letsel ontstaat dan bij volwassenen. Dit wordt ook bevestigd door het rapport van 12 december 2017 dat R.A.C. Bilo, forensisch arts KNMG en NFI-deskundige Forensische Geneeskunde.

Bewuste aanvaarding (2)

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of verdachte door zijn gedragingen de kans op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De grens tussen voorwaardelijk opzet en schuld wordt bepaald door de bewustheid van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg. Bij voorwaardelijk opzet handelt een verdachte terwijl hij zich bewust is van de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg. Bij bewuste schuld handelt een verdachte terwijl hij zich daarvan niet bewust is.

De verklaringen van verdachte of van getuigen geven geen inzicht in wat ten tijde van de gedragingen in verdachte is omgegaan. Op basis daarvan weet de rechtbank niet of hij de aanmerkelijke kans op het letsel bewust heeft aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beschreven gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als zozeer gericht op het ontstaan van letsel bij de kinderen dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Over de contra-indicaties overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte voorafgaand aan het stempelen geprobeerd heeft na te gaan of de stempel niet te warm was door de stempel in de buurt van zijn arm te houden. Hoewel dit onderzoek naar de warmte van de stempel achteraf beschouwd onzorgvuldig is geweest en verdachte met grove onachtzaamheid heeft gehandeld, ziet de rechtbank hierin een contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Het nagaan of de stempel niet te warm was, is een omstandigheid die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm juist niet is gericht op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel. De rechtbank gaat er voorts van uit dat, hoewel verdachte niet ook bij [naam 3] heeft ‘gevoeld’ of de stempel warm was, er ook bij het stempelen van [naam 3] geen sprake is van bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op letsel, omdat verdachte er daarvóór, bij [naam 1] en [naam 2] , al van uitging dat de stempel niet te warm was en de stempel nog slechts kort door het vuur is gehaald.

De rechtbank realiseert zich dat het onderzoek naar de warmte van de stempel ook zo kan worden opgevat dat verdachte zou hebben gevoeld of de stempel wel voldoende heet was om aan de kinderen letsel toe te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat verdachte met die bedoeling de warmte van de stempel heeft gecontroleerd. Het onderzoek naar de warmte van de stempel betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte er kennelijk van uit is gegaan dat het gevolg van het stempelen, zijnde het ontstaan van letsel, niet zou intreden.

Het voorgaande betekent dat er een contra-indicatie is voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van letsel bij de kinderen (daargelaten of het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel of eenvoudig letsel heeft veroorzaakt). Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van voorwaardelijk opzet maar wel van schuld in de zin dat verdachte bij [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] met grove onachtzaamheid verwijtbaar heeft gehandeld.

De rechtbank is aan de door de officier van justitie opgestelde tenlastelegging gebonden. Er is voor gekozen om de handelingen van verdachte als opzetdelicten ten laste te leggen en daarbij geen schuldvariant op te nemen in de vorm van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht (zwaar lichamelijk letsel door schuld).

De conclusie is dat de rechtbank verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs van de tenlastegelegde feiten zal moeten vrijspreken. De andere verweren hoeven gelet op deze conclusie niet te worden besproken.

5 De benadeelde partijen

[naam 1]

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 3.087,64, waarvan

€ 87,65 ter zake van materiële schade en € 3.000,- ter zake van immateriële schade.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

[naam 2]

De benadeelde partij [naam 2] heeft zich in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier. Dit voegingsformulier is onvolledig ingevuld, door geen te vorderen bedrag te vermelden.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

[naam 3]

De benadeelde partij [naam 3] vordert een schadevergoeding van € 691,64 waarvan € 91,64 ter zake van materiële schade, € 600,- ter zake van immateriële schade, en daarnaast € 14,95 aan proceskosten.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 2] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam 3] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en

mr. H.E. Goedegebuur, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Willeboordse, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 oktober 2018.