Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5753

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
6775638 OV VERZ 18-3211
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met anticiperende toepassing van het Haags Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen (HVV) dient voogdijbeschikking van Turkse rechtbank in Nederland te worden erkend. De omstandigheid dat Turkije geen bij het Verdrag aangesloten Staat is, dat daaraan niet af. Er is geen aanleiding op grond van artikel 22 HVV die erkenning te weigeren. De betreffende voogdijbeslissing laat zich het beste vergelijken met een ondercuratelestelling naar Nederlands recht. De kantonrechter wijst de (subsidiaire) verzoeken van de instelling waar de curanda verblijft om de curatele af te wijzen c.q. om te zetten in mentorschap, alsmede het verzoek tot ontslag van de curator af. Hij stelt vast dat betrokkenen in een impasse zijn verzeild geraakt. De instelling wenst de zorgverlening aan curanda te beëindigen wegens een ernstig verstoorde relatie met de zoon van curanda, zijnde haar zoon. Die zoon wenst niet mee te werken aan plaatsing van curanda in een andere instelling. Een en ander raakt naar het oordeel van de kantonrechter de belangen van curanda. Hij draagt partijen daarom op alsnog te trachten onderling tot een oplossing te komen. Voorts geeft hij hen mee dat hij erover denkt om, indien partijen er niet uit komen, eventueel een tweede curator te benoemen, die dan zal worden belast met specifieke taken, waaronder de beslissing ten aanzien van de vraag in welke instelling curanda zal worden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/155
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 6775638 OV VERZ 18-3211

beschikking d.d. 27 september 2018 op een verzoek tot instelling van een mentorschap

van

[naam en gegevens zorginstelling]

,

verzoekster, hierna aan te duiden als [zorginstelling] ,

gemachtigde: mr. C.L.M. Gommers, advocaat te Breda,

inzake

[naam en gegevens betrokkene]

1 Het procesverloop

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 29 maart 2018 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift (met

bijlagen);

b. het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting

van woensdag 11 april 2018;

c. het op 24 april 2018 ter griffie van de rechtbank ontvangen aanvullende verzoekschrift

(met bijlagen);

d. het op 25 juni 2018 ter griffie van de rechtbank ontvangen verweerschrift (met bijlagen).

1.2

De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

Vermelding verdient het volgende:
[zorginstelling] heeft in haar verzoekschrift de zoon van [betrokkene] , te weten [naam en adres zoon] als “contactpersoon” aangeduid. [zoon] is in persoon verschenen op de terechtzitting van 11 april 2018 en toen als belanghebbende gehoord. Datzelfde geldt voor dhr. [andere zoon] , een andere zoon van [betrokkene] . Nadat [zorginstelling] haar verzoek bij brief van 24 april 2018 heeft aangevuld/gewijzigd, heeft [zoon] zich bij zijn nadere verweer laten vertegenwoordigen door mr. C. Hokken, advocaat te Eindhoven.

2 De feiten

2.1

[betrokkene] is geboren te [plaats en datum] . Zij heeft de Turkse nationaliteit en wordt al geruime tijd verzorgd in een instelling van [zorginstelling] . [betrokkene] is gediagnosticeerd met chronische schizofrenie met toenemende rigiditeit. Er is voorts sprake van een mutistisch/katatoon beeld. Als gevolg van het ziektebeeld van [betrokkene] is het niet mogelijk met haar een gesprek aan te gaan. Zij was ook niet in staat ter zitting te verschijnen.

2.2

Bij een uitspraak van [de rechtbank te Turkije met datum] is [zoon] benoemd tot voogd over [betrokkene] .

2.3

De relatie tussen de zorginstelling van [zorginstelling] , waar [betrokkene] verblijft, en [zoon] is ernstig verstoord geraakt. Aan [zoon] is de toegang tot de zorginstelling ontzegd.

2.4

[zorginstelling] wenst de zorg aan [betrokkene] te beëindigen conform het bepaalde in artikel 6.3 Voorschrift Zorgtoewijzing 2018.

3 Het verzoek en het verweer

3.1

[zorginstelling] verzocht bij haar op 29 maart 2018 ter griffie ontvangen verzoekschrift aanvankelijk op de voet van artikel 1:451 lid 2 BW om instelling van een mentorschap over [betrokkene] en om daarbij tot mentor te benoemen [naam en gegevens te benoemen mentor] . In haar visie is een dergelijke maatregel noodzakelijk nu [betrokkene] haar niet-vermogensrechtelijke belangen niet zelfstandig kan waarnemen.
Bij brief van 24 april 2018 heeft [zorginstelling] dat verzoek nader onderbouwd en aangevuld c.q. gewijzigd. Zij verzoekt thans primair op de voet van artikel 22 lid 2 sub a dan wel sub e van het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen (nader: HVV) voor recht te verklaren dat de uitspraak van de Turkse rechtbank van 8 februari 2005 niet kan worden erkend en om (vervolgens) een mentorschap in te stellen over [betrokkene] , met benoeming van [voorgestelde mentor] tot mentor.
Subsidiair verzoekt [zorginstelling] thans om, voor het geval voormelde uitspraak van de Turkse rechtbank wel moet worden erkend, de door die rechtbank op 8 februari 2005 getroffen maatregel gelijk te stellen aan een ondercuratelestelling naar Nederlands recht – en [zoon] op de voet van artikel 1:385 lid 1 sub d BW als curator te ontslaan, onder gelijktijdige instelling van een mentorschap, dan wel om de curatele op de voet van artikel 1:389 lid 2 juncto artikel 1:451 lid 3 of lid 4 BW op te heffen of om te zetten in een mentorschap, in beide gevallen met benoeming van [voorgestelde mentor] tot mentor.

3.2

[zorginstelling] legt – verkort weergegeven – aan haar verzoek ten grondslag dat de relatie tussen haar en [zoon] ernstig verstoord is geraakt. Er hebben zich over een reeks van jaren incidenten voorgedaan tussen het personeel van [zorginstelling] en [zoon] als gevolg waarvan de personeelsleden in de instelling waar [betrokkene] verblijft zich niet meer veilig voelen. [zorginstelling] heeft wegens grensoverschrijdend gedrag van [zoon] aan hem een toegangsverbod opgelegd voor de instelling waar [betrokkene] wordt verzorgd.
[zorginstelling] is voornemens [betrokkene] over te plaatsen naar een voor haar meer passende, beschermde woonomgeving, waarin haar de noodzakelijke zorg en begeleiding kan worden geboden. Overleg daarover met [zoon] is niet mogelijk gebleken. [zoon] zelf maakt echter al sinds 2012 kenbaar dat hij zijn moeder uit de instelling van [zorginstelling] weg wil halen om haar thuis te verzorgen. De arts van de instelling kan dit echter op medische gronden niet toestaan omdat de behandeling in die (thuis-)situatie onvoldoende gewaarborgd is. Het lijkt ook uitgesloten dat een arts buiten de instelling de medische verantwoordelijkheid op zich kan nemen voor een behandeling en verzorging van [betrokkene] aan het huisadres van [zoon] . In het verleden heeft [zorginstelling] een wijkzuster ingeschakeld om te bezien aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om een behandeling en verzorging aan het huisadres van [zoon] mogelijk te maken, maar [zoon] heeft daaraan geen medewerking willen verlenen. Daardoor heeft hij de benodigde afstemming over behandeling en verzorging van [betrokkene] op zijn huisadres onmogelijk gemaakt en is er een patstelling ontstaan. [zorginstelling] voegt daaraan toe dat het CZ Zorgkantoor haar heeft bevestigd dat zij in het kader van de door haar voorgenomen zorgbeëindiging conform artikel 6.3 Voorschrift Zorgtoewijzing 2018 zorgvuldig heeft gehandeld. Zij acht het in het belang van [betrokkene] dat de ontstane patstelling wordt doorbroken en dat er een structurele oplossing komt. In haar visie dient er een (onafhankelijk) mentor te komen die kan bezien wat in de onderhavige situatie het meest in het belang is van [betrokkene] . In dat verband voert [zorginstelling] nog aan dat andere instellingen haar hebben aangegeven alleen aan een (over-)plaatsing van [betrokkene] te willen meewerken wanneer er een vervangend curator of mentor komt, niet zijnde [zoon] .

3.3

[zoon] verweert zich tegen de verzoeken van [zorginstelling] . Sterk verkort weergegeven wijst [zoon] erop dat hij door de Turkse rechtbank is aangewezen om de belangen van [betrokkene] te behartigen. Hij wil niet ontkennen dat de relatie tussen hem en [zorginstelling] niet goed is maar meent dat dit op een andere wijze opgelost kan worden. In zijn visie dient de uitspraak van de Turkse rechtbank wel degelijk in Nederland erkend te worden. De door die rechter getroffen maatregel is gelijk te stellen met een curatelemaatregel naar Nederlands recht. Voor een ontslag van hem als curator en/of voor opheffing van de curatele, onder gelijktijdige instelling van een mentorschap, ziet [zoon] geen enkele aanleiding.

3.4

Ter toelichting op zijn standpunt voert [zoon] het volgende aan.
[betrokkene] is in een instelling van [zorginstelling] opgenomen in verband met een hersteltraject. Aanvankelijk waren de zaken goed geregeld. Dat veranderde toen er bij [zorginstelling] een interne verhuizing plaatsvond. De kwaliteit van de verzorging nam af. Daarover heeft hij zijn ontevredenheid geuit. Weliswaar zijn er spanningen zijn tussen hem en het personeel van [zorginstelling] ontstaan, maar hij betwist het personeel ooit fysiek aangevallen te hebben. [zoon] benadrukt steeds de belangen van [betrokkene] voorop te hebben gesteld. Hij ziet dan ook geen aanleiding de door de Turkse rechter aan hem toevertrouwde taak neer te leggen. Hij betwist het standpunt van [zorginstelling] dat hij niet zou willen meewerken aan een overplaatsing van [betrokkene] naar een andere woonomgeving. Het is juist dat hem bij voorkeur een behandeling en verzorging van [betrokkene] bij hem thuis voor ogen staat. Voor het door [zorginstelling] gewenste ontslag van hem als curator dan wel voor de opheffing van de curatele met gelijktijdige instelling van een mentorschap ziet hij geen enkele aanleiding.

4 Beoordeling

Toepasselijkheid HVV

4.1

De kantonrechter zal ten eerste moeten beoordelen of, zoals [zorginstelling] stelt, het HVV op de onderhavige kwestie kan worden toegepast. In dat verband overweegt hij als volgt.

4.2

In de uitspraak van de Hoge Raad van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:147), is ten aanzien van de toepasselijkheid van de HVV op zaken met betrekking tot bescherming van meerderjarigen, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.3.2. Bij gebreke van een voor Nederland geldende internationale regeling, wordt de meerderjarigenbescherming beheerst door het commune internationaal privaatrecht, zowel wat betreft de rechtsmacht en het toepasselijke recht, als wat betreft de erkenning en tenuitvoerlegging van beschermingsmaatregelen. Het commune internationaal privaatrecht bevat evenwel geen bijzondere regels voor kwesties betreffende meerderjarigen-bescherming, met uitzondering van art. 10:11 BW. Dit artikel bevat een conflictregel ter bepaling van het toepasselijke recht bij de vaststelling of sprake is van handelings-(on)bekwaamheid, waarbij primair wordt aangeknoopt bij de nationaliteit van de betrokkene.
3.3.3. Kwesties betreffende bescherming van meerderjarigen worden bestreken door het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen van 13 januari 2000 (Trb. 2000, 10 en Trb. 2008, 139), ook wel genoemd het Haags Volwassenenbeschermingsverdrag 2000 (hierna: HVV), welk verdrag op 1 januari 2009 in werking is getreden. Nederland heeft dit verdrag weliswaar op 13 januari 2000 ondertekend, maar tot op heden niet geratificeerd. De wetgever heeft desondanks in Boek 10 BW met art. 10:115 BW al wel een bepaling gereserveerd waarin zal worden verwezen naar het HVV.

De reden voor het uitblijven van ratificatie is van financiële aard: op een daartoe strekkende vraag antwoordde de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 4 oktober 2013 dat ratificatie en uitvoering van het HVV inzet van tijd en middelen vraagt en dat de praktijk zich redt door het verdrag anticiperend toe te passen, zodat de noodzaak ontbreekt om het verdrag op korte termijn te ratificeren (Kamerstukken I, 2013-2014, 33 054, C, p. 2). Daaruit valt af te leiden dat de regering anticiperende toepassing van het HVV onderschrijft. Dat blijkt ook uit de wetsgeschiedenis van het hiervoor in 3.3.2 genoemde art. 10:11 BW. In de memorie van toelichting bij deze bepaling is opgemerkt dat internationale regelingen prevaleren, waarbij onder meer wordt verwezen naar het HVV (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 137, nr. 3, p. 21).

3.3.4

Nu, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, het commune internationaal privaatrecht geen regeling bevat voor kwesties betreffende meerderjarigenbescherming (op art. 10:11 BW na, ten aanzien waarvan de regering voorrang van het HVV erkent) en nu de wetgever in art. 10:115 BW een verwijzing naar het HVV heeft voorzien, moet worden aanvaard dat in voorkomend geval ruimte bestaat voor anticiperende toepassing van bepalingen uit het HVV. Om dezelfde reden bestaat er geen bezwaar tegen de regels van het HVV ook toe te passen op het onderhavige geval, waarin sprake is van een rechterlijke beslissing uit een land dat geen partij is bij het verdrag”.
4.3 In het onderhavige geval is sprake van een meerderjarige ( [betrokkene] ). [betrokkene] woont in Nederland en is – naar tussen partijen niet ter discussie staat – niet in staat haar eigen belangen (zowel die van vermogensrechtelijk als die van niet-vermogensrechtelijke aard) te behartigen. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of er (juridisch) ruimte is voor het uitspreken van de door [zorginstelling] gewenste beschermingsmaatregel (mentorschap). Naar het oordeel van de kantonrechter leent deze casus zich inderdaad voor (anticiperende) toepassing van het HVV. De omstandigheid dat daarbij (mede) een oordeel dient te worden uitgesproken over een rechterlijke beslissing uit Turkije, welk land geen partij is bij het HVV, doet daaraan niet af.

Erkenning uitspraak Turkse rechtbank?

4.4

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord luidt of de op 8 februari 2005 door de Turkse rechtbank getroffen (voogdij-)maatregel al dan niet dient te worden erkend.

4.5

Artikel 22 lid 1 van de HVV bepaalt dat de door de autoriteiten van een Verdragsluitende Staat genomen maatregelen van rechtswege in alle andere Verdragsluitende Staten worden erkend, met dien verstande dat in lid 2 van dat artikel een aantal situaties worden geschetst die aanleiding kunnen geven die erkenning (toch) te weigeren. Artikel 23
HVV bepaalt dat iedere belanghebbende persoon aan de bevoegde autoriteiten (lees in dit geval: de rechter) kan verzoeken een beslissing te nemen over de erkenning of niet-erkenning van een in een andere Verdragsluitende Staat genomen maatregel. Zoals uit het hiervoor geciteerde deel van het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2018 blijkt, bestaat er geen bezwaar tegen om de regels van het HVV ook toe te passen op het onderhavige geval, waarin sprake is van een rechterlijke beslissing uit een land dat geen partij is bij het verdrag.

4.6

[zorginstelling] verzoekt de kantonrechter op de voet van artikel 23 juncto 22 lid 1 sub a dan wel e HVV te weigeren om de uitspraak van de Turkse rechtbank van 8 februari 2005 te erkennen. Daartoe stelt zij dat uit het feit dat [zoon] , die bij voormelde uitspraak tot voogd over [betrokkene] is benoemd, ten tijde van het indienen van het verzoek woonachtig was in Nederland moet worden afgeleid dat dit evenzeer gold voor [betrokkene] , althans dat het kennelijk de bedoeling was dat ook [betrokkene] haar gewone verblijfplaats in Nederland zou gaan krijgen. Om die reden, zo meent zij, was de Turkse rechter, gelet op het bepaalde in artikel 5 lid 1 HVV niet bevoegd om te beslissen op het verzoek tot het instellen van een voogdij over [betrokkene] .

4.7

Met [zoon] is de kantonrechter van oordeel dat dit betoog van [zorginstelling] geen hout snijdt. Artikel 22 lid 1 sub a van het HVV bepaalt dat een erkenning kan worden geweigerd indien die maatregel is genomen door een autoriteit waarvan de bevoegdheid niet gebaseerd was op of niet in overeenstemming was met een van de in de bepalingen van hoofdstuk II (ofwel: de artikelen 5 tot en met 12 van het HVV) bedoelde gronden.
Artikel 5 lid van het HVV bepaalt dat de gerechtelijke of administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar de volwassene zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd zijn maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van diens persoon of vermogen. Artikel 5 lid 2 bepaalt vervolgens dat in geval van verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de volwassene naar een andere Verdragsluitende Staat, de autoriteiten van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats bevoegd zijn.
Voor de vraag of de Turkse rechter bevoegd was tot het treffen van de onderhavige voogdij-maatregel (naar Turks recht), is van belang het antwoord op de vraag waar [betrokkene] op het moment van de indiening van het verzoek haar ‘gewone’ verblijfplaats had. Uit de door [zorginstelling] in het geding gebrachte (in het Nederlands vertaalde) passages uit het Turks Burgerlijk Wetboek valt immers af te leiden dat – evenals in het Nederland het geval is – de woonplaats van de onder voogdij/curatele te plaatsen persoon (in casu [betrokkene] ) bepalend is voor de bevoegdheid. De woonplaats van de te benoemen voogd speelt daarbij geen rol. Wat op het moment van de behandeling van het verzoek tot het benoemen van een voogd de woonplaats van de te benoemen voogd (in casu [zoon] ) was, was derhalve voor de beoordeling van de bevoegdheid van de Turkse rechtbank niet van belang.

De kantonrechter stelt vast dat voor het vermoeden van [zorginstelling] , dat [betrokkene] ten tijde van de uitspraak van de Turkse rechtbank reeds in Nederland woonachtig was – welk vermoeden door [zoon] is betwist –, op geen enkele wijze is onderbouwd. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van dit vermoeden, moet daaraan dan ook voorbij worden gegaan. Er is geen reden om er vanuit te gaan dat [betrokkene] in februari 2005 haar woonplaats (reeds) in Nederland had. Voor het oordeel dat de Turkse rechtbank niet bevoegd was tot het treffen van de door getroffen maatregel bestaat dus ook geen grond. Of het op het moment van het treffen van die maatregel wellicht al de bedoeling is geweest dat [betrokkene] haar gewone verblijfplaats al dan niet spoedig daarna in Nederland zou krijgen (omdat, zoals [zorginstelling] stelt, de in Nederland wonende [zoon] anders zijn bevoegdheden als voogd niet zou kunnen uitoefenen), is naar het oordeel van de kantonrechter – wat daar verder ook van zij – voor de vraag naar de bevoegdheid van de Turkse rechtbank niet relevant.

4.8

Ook het beroep van [zorginstelling] op het bepaalde in artikel 22 lid 2 onder e van het HVV treft geen doel. Op grond van dat artikel kan erkenning van een door een buitenlandse autoriteit getroffen maatregel worden geweigerd indien de in artikel 33 van het HVV bedoelde procedure niet in acht is genomen. In laatstgenoemd artikel is bepaald dat, indien een ingevolge de artikelen 5 tot en met 8 van het HVV bevoegde autoriteit de plaatsing van de volwassene in een instelling of op een andere plaats waar bescherming kan worden geboden overweegt, en indien deze plaatsing dient te geschieden in een andere Verdragsluitende Staat, de betreffende autoriteit eerst overleg pleegt met de Centrale Autoriteit of een andere bevoegde autoriteit van laatstgenoemde Staat, ten behoeve van welk overleg zij dan een rapport van de volwassene, vergezeld van de redenen voor de voorgestelde plaatsing aan die autoriteit van de andere Staat verstrekt. [zorginstelling] heeft haar beroep op dit artikel op geen enkele wijze toegelicht, zodat reeds om die reden aan dat beroep voorbij moet worden gegaan. In dat verband overweegt de kantonrechter voorts nog dat een uitleg van de zijde van [zorginstelling] temeer geboden was nu uit de stukken niet blijkt op welk moment [zoon] precies in haar instelling is opgenomen en/of dat zij voorafgaand aan die plaatsing in een andere, vergelijkbare instelling of andere plaats waar bescherming kon worden geboden, is opgenomen geweest. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het (aanvankelijke) verzoek van [zorginstelling] heeft [zoon] aangevoerd dat zijn moeder na een lang ziekenhuisverblijf bij [zorginstelling] is geplaatst. Dat sprake is geweest van een direct op de voogdijbeslissing van de Turkse rechtbank en haar verhuizing naar Nederland volgende plaatsing van [betrokkene] in een instelling of op een andere plaats waar bescherming kon worden geboden, is niet gebleken. Dat het bepaalde in artikel 33 van het HVV is geschonden, is dan ook evenmin gebleken.

4.9

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Turkse rechter bevoegd was maatregelen te nemen welke strekten ter bescherming van [betrokkene] en dat er geen sprake is van één van de door [zorginstelling] genoemde gronden, die aanleiding zouden kunnen geven de erkenning van de uitspraak van de Turkse rechtbank te weigeren. Naar het oordeel van de kantonrechter is ook overigens niet van de aanwezigheid van één van de overige in artikel 22 lid 2 HVV genoemde (potentiële) weigeringsgronden gebleken. Hij is daarom van oordeel dat de door de Turkse rechtbank op 8 februari 2005 ten aanzien van [betrokkene] getroffen voogdijmaatregel in Nederland geëerbiedigd dient te worden. Erkenning van die maatregel is niet kennelijk onverenigbaar met de Nederlandse openbare orde.

4.10

Met [zorginstelling] en [zoon] is de kantonrechter van oordeel dat de door de Turkse rechtbank getroffen voogdijregeling zich, naar Nederlands recht, het beste laat vergelijken met een ondercuratelestelling. Op grond van artikel 14 van het HVV wordt de wijze van uitvoering van de beslissing van de Turkse rechter d.d. 8 februari 2005 beheerst door het Nederlands recht. [betrokkene] heeft immers op dit moment haar gewone verblijfplaats in Nederland. Dit betekent dat bij de beoordeling van de onderhavige zaak de wettelijke bepalingen ter zake curatele, ofwel de artikelen 1:378 e.v. BW, dienen te worden toegepast.

Curatele opheffen/instelling (omzetting in) mentorschap?

4.11

Van de door [zorginstelling] verzochte beslissingen, is de beslissing tot opheffing van de curatele (met gelijktijdige instelling van een mentorschap) de meest verstrekkende. De kantonrechter zal dat verzoek eerst behandelen.

4.12

Op grond van artikel 1:389 lid 2 BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van de curatele niet zinvol is gebleken, de curatele opheffen. Naar het oordeel doet de eerstgenoemde situatie, te weten dat de noodzaak voor de curatele niet meer bestaat, zich hier niet voor. Immers, niet is gesteld of gebleken dat de omstandigheden die indertijd voor de Turkse rechter aanleiding hebben gegeven een voogdijvoorziening voor [betrokkene] te treffen, inmiddels zijn gewijzigd. De door [zorginstelling] in het verzoekschrift omschreven geestelijke toestand van [betrokkene] maakt juist duidelijk dat dit niet het geval is. Voor het opheffen van de curatele is dan ook geen reden.

4.13

De kantonrechter kan op de voet van het bepaalde in artikel 1:451 lid 4 BW een curatele omzetten in een mentorschap (al dan niet in combinatie met een onderbewindstelling voor wat betreft de belangen van vermogensrechtelijke aard). [zorginstelling] voert voor dit subsidiaire verzoek enkel aan dat dit in haar ogen noodzakelijk is om de ontstane impasse te doorbreken. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen aanleiding om dit verzoek in te willigen enkel omdat [zorginstelling] gerealiseerd wenst te zien dat zij met een ander dan [zoon] tot zaken kan komen met betrekking tot de vraag in welke instelling [betrokkene] kan worden geplaatst.
Dat in het onderhavige geval met de minder vergaande maatregel van mentorschap kan worden volstaan is niet, althans onvoldoende, onderbouwd.
[zorginstelling] wenst de zorgverlening aan [betrokkene] om haar moverende redenen te beëindigen. Dat kan feitelijk pas worden gerealiseerd zodra een andere instelling is gevonden die haar wil opnemen en voor die plaatsing in een andere instelling is de instemming van de wettelijk vertegenwoordiger van [betrokkene] nodig. In de visie van [zorginstelling] is overleg met [zoon] daarover niet mogelijk. Wat daar verder van zij, naar het oordeel van de kantonrechter vormt een en ander geen grond om een curatele om te zetten in een mentorschap.

ontslag [zoon] als curator?

4.14

Ter bespreking resteert nog het verzoek van [zorginstelling] tot ontslag van [zoon] als curator. Artikel 1:385 lid d BW bepaalt dat de curator te allen tijde door de kantonrechter kan worden ontslagen, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om curator te kunnen worden. Op grond van artikel 1:379 lid 2 BW kan dit verzoek (ook) door de instelling waar [betrokkene] wordt verzorgd (derhalve [zorginstelling] ) worden ingediend. Voor zover [zorginstelling] heeft beoogd om, in het geval van inwilliging van dit verzoek, ook Roovers als curator benoemd wordt uit de stukken niet duidelijk. Het is de kantonrechter echter ambtshalve bekend dat [voorgestelde mentor] enkel benoembaar is als mentor.

4.15

[zorginstelling] wenst, zoveel is wel duidelijk, met het ontslag van [zoon] als curator te bewerkstelligen dat de weg vrij wordt gemaakt om [betrokkene] naar een andere instelling over te plaatsen. In dat verband stelt zij dat andere instellingen, waar [betrokkene] naar overgeplaatst zou kunnen worden, haar te kennen hebben gegeven een plaatsing van [betrokkene] alleen te aanvaarden indien zij te maken zullen krijgen met een vervangend curator (of een mentor), niet zijnde [zoon] . Zij stelt dat het handhaven van [zoon] als voogd (of mentor) een te groot afbreukrisico oplevert en dat zulks niet in het belang is van [betrokkene] . Zij voegt daaraan toe dat dit ook de reden is waarom zij zich niet tot de rechtbank heeft gewend met een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming om [betrokkene] naar een andere instelling over te plaatsen. Dit laatste was door de kantonrechter ter zitting van 11 april 2018 als suggestie meegegeven, nadat bleek dat [zorginstelling] – die zulks niet in haar inleidend verzoekschrift had gemeld – voornemens is de zorg aan Deze te beëindigen.

4.16

[zoon] deelt de visie van [zorginstelling] niet. Hij stelt dat hij de belangen van [betrokkene] altijd op een juiste manier heeft behartigd. De zorg voor zijn moeder is uitermate belangrijk voor hem. Hij wijst erop dat [zorginstelling] ook zelf in haar processtukken heeft aangegeven geen enkele aanleiding te zien om ervan uit te gaan dat hij de belangen van [betrokkene] niet op een juiste wijze behartigt. Hij acht het niet in het belang van [betrokkene] dat hij wordt ontslagen als curator. [zoon] onderkent wel dat er gestreefd zou moeten worden naar een manier om tot samenwerking te komen.

4.17

De kantonrechter is van oordeel dat, in het licht van alle omstandigheden van het geval, niet kan worden gesproken van gewichtige redenen die het noodzakelijk maken [zoon] uit zijn functie van curator te ontslaan. Evident is evenwel dat de relatie tussen [zorginstelling] en [zoon] in ernstige mate verstoord is geraakt. [zorginstelling] en [zoon] hebben echter zeer verschillende opinies ten aanzien van de vraag wat de oorzaak van die verstoring is. In het kader van de thans voorliggende verzoeken, komt het de kantonrechter niet opportuun voor om zich een oordeel te vormen wie op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft. Wat veel meer van belang is, is dat de verstoorde relatie de belangen van [betrokkene] treft en daarvoor dient een oplossing te worden gevonden.

4.18

De kantonrechter heeft overwogen of benoeming, op de voet van artikel 1:250 BW, van een (eventueel ambtshalve te benoemen) bijzonder curator uitkomst zou kunnen bieden. Dat artikel, dat via artikel 1:385 lid 1 BW ook op curatelekwesties van toepassing is verklaard, lijkt evenwel vooral te zien op de benoeming van een onafhankelijke derde ter behartiging van de belangen van de curandus/curanda, in en buiten rechte, in het geval van conflicten van substantiële aard tussen degene die de curatele uitoefent en de curandus/curanda. Die situatie is hier niet aan de orde, nu geen sprake is van een geschil tussen de curanda ( [betrokkene] ) en [zoon] maar van een geschil tussen de curator ( [zoon] ) en de instelling waar [betrokkene] verblijft ( [zorginstelling] ) over de vraag in welke andere instelling [betrokkene] , in verband met de beëindiging van de zorgverlening door [zorginstelling] , geplaatst zal worden, welke overplaatsing slechts gerealiseerd kan worden met medewerking van de curator.

4.19

De kantonrechter is van oordeel dat partijen daartoe met elkaar overleg dienen te voeren. Nu [zoon] zich inmiddels laat bijstaan door een advocaat, moeten zij daartoe – ondanks de verstoorde relatie – in staat worden geacht. De kantonrechter overweegt daarbij dat van beide partijen mag worden verwacht dat zij zich zullen inspannen om, in het belang van [betrokkene] , samen tot een werkbare oplossing te komen. Mogelijk kan bij een en ander ook dhr. M. [zoon] worden betrokken. Ter zitting heeft hij medegedeeld dat ook hij als contactpersoon voor [betrokkene] bij [zorginstelling] bekend is, maar dat hij tot heden overal buiten is gehouden. De kantonrechter zal de behandeling van de onderhavige zaak voor 4 weken aanhouden om [zorginstelling] en [zoon] (al dan niet eerst via hun gemachtigden) gelegenheid te geven voor dat overleg.

4.20

Indien partijen onverhoopt niet samen tot een oplossing komen, overweegt de kantonrechter om (eventueel) op de voet van artikel 1:383 lid 10 BW een tweede curator te benoemen en daarbij tevens een taakverdeling tussen die curatoren vast te stellen. Daarbij zou gedacht kunnen worden aan het belasten van die tweede curator met de vertegenwoordiging van [betrokkene] ter zake aangelegenheden betreffende de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van [betrokkene] , en het bij [zoon] laten rusten van alle overige aangelegenheden. De mogelijkheid van de benoeming van een tweede curator is niet eerder met partijen besproken. [zorginstelling] en [zoon] zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld om zich, indien zij niet alsnog samen uit de impasse komen, bij akte over de (mogelijke) benoeming van een tweede curator uit te laten. Zij kunnen daarbij tevens suggesties doen ten aanzien van de (mogelijk) te benoemen tweede curator. De kantonrechter wijst er daarbij op dat artikel 1:383 lid 3 BW een aantal bij voorkeur te benoemen personen noemt en dat, alvorens iemand tot tweede curator kan worden benoemd, deze te benoemen persoon zich eerst schriftelijk bereid dient te verklaren een zodanige benoeming te aanvaarden en dat tevens zal moeten worden vastgesteld dat zich geen gegronde redenen voordoen die zich tegen benoeming van een voorgedragen persoon verzetten. De kantonrechter geeft partijen in overweging om te zoeken naar een onafhankelijke persoon – al dan niet met een professionele achtergrond – die goed op de hoogte is van de wereld van de gezondheidszorg, die ook goed bekend is met het aanbod aan instellingen in de regio en hun specifieke kwaliteiten en die ervaren is in het afwegen van zowel juridische belangen als belangen in het kader van de zorg voor personen die zorg behoeven.

4.21

De kantonrechter zal partijen 4 weken de tijd geven om te trachten met in elkaar, in goed overleg, uit de ontstane impasse te komen. Indien zij daarin niet slagen wordt van hen verwacht dat zij binnen 6 weken, te rekenen vanaf heden, bij akte reageren op de hiervoor genoemde (mogelijke) benoeming van een tweede curator en om in dat verband, desgewenst, met voorstellen te komen. Daarna zal elk van hen een termijn van 3 weken worden gegund om, desgewenst, (eveneens schriftelijk) te reageren op elkaars akte. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft partijen een termijn van 4 weken om te trachten met elkaar, in goed overleg, uit de ontstane impasse te komen en de kantonrechter daaromtrent bij akte te informeren;

geeft partijen de gelegenheid om, indien zij er niet in slagen in goed overleg tot elkaar te komen, binnen 6 weken, te rekenen vanaf heden, bij akte te reageren op de hiervoor geformuleerde gedachte tot (mogelijke) benoeming van een tweede curator, met de daarbij weergegeven taakverdeling, en bepaalt dat [zorginstelling] en [zoon] daarna een termijn van 3 weken wordt gegund om – desgewenst – (eveneens schriftelijk) op elkaars akte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.J. van den Boom, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 september 2018.