Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5632

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
AWB 18_1862
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat over het terugbetalen van de lening die is verleend op grond van de Wet inburgering. Dat de lening moet worden terugbetaald, staat in de wet. In sommige gevallen verleent de minister (uit zichzelf) volledige kwijtschelding van de schuld. De rechtbank vindt dat 'de schuld' pas duidelijk wordt op het moment dat daarbij een bedrag wordt genoemd. De beslissing dat de schuld niet wordt kwijtgescholden, vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit het besluit dat specifiek gaat over de terugbetaling van de lening. De beslissing om niet kwijt te schelden, vloeit dus niet voort uit het besluit waarin de boete is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/1862 WSFBSF

uitspraak van 21 september 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. P.H. Hillen,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 februari 2018 (bestreden besluit) van de minister. Dit besluit gaat over het niet inhoudelijk behandelen van haar bezwaarschrift.

De zaak is behandeld in Breda op 19 september 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook was aanwezig [naam tolk] , tolk Arabisch. Namens de minister is verschenen [naam vertegenwoordiger] .

Wat is in het kort het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank vindt dat het bestreden besluit niet goed gemotiveerd is. Daarom is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de uitkomst van de zaak hetzelfde blijft. De rechtbank zal hierna motiveren waarom.

Overwegingen

Eiseres is inburgeringsplichtig

1. Op 10 januari 2014 stuurt de minister een brief naar eiseres. In deze brief staat dat zij inburgeringsplichtig is. Dit houdt in dat zij moet laten zien dat zij genoeg weet over Nederland en dat zij de Nederlandse taal kent. Eiseres krijgt drie jaar de tijd krijgt om dit te leren. Binnen die drie jaar moet zij een inburgeringsdiploma hebben gehaald. Zij kan geld lenen om cursussen te volgen en om het inburgeringsexamen te betalen. Als zij binnen drie jaar het inburgeringsdiploma heeft gehaald, dan hoeft zij het geleende geld niet terug te betalen.

Eiseres moet op 12 maart 2017 haar inburgeringsdiploma halen

2. Eiseres heeft geld geleend voor inburgering. Op 21 januari 2016 krijgt zij een brief van de minister. Hierin staat dat zij het geleende geld niet hoeft terug te betalen als zij op 12 maart 2017 haar inburgeringsdiploma heeft gehaald. Als zij na 12 maart 2017 haar diploma haalt, dan moet zij het geleende geld wél terugbetalen.

Boete

3. Op 13 maart 2017 stuurt de minister een brief naar eiseres. In deze brief staat dat zij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. De minister is dan ook van plan om haar een boete op te leggen van € 750,-.

4. Op 16 juni 2017 stuurt de minister een beschikking naar eiseres. In de beschikking staat dat eiseres een boete krijgt van € 750,-. Zij krijgt de boete omdat zij niet op tijd aan haar inburgeringsplicht heeft voldaan. In de beschikking staat ook dat zij het geleende geld moet terugbetalen. Dit hoeft pas als zij klaar is met inburgeren.

5. Eiseres is het er niet mee eens dat zij een boete moet betalen. Zij maakt daarom op 28 juni 2017 bezwaar tegen de beschikking van 16 juni 2017.

6. Op 16 november 2017 neemt de minister een beslissing op het bezwaarschrift van eiseres. In deze beslissing staat dat de minister de opgelegde boete verlaagd naar € 375,-.

Uitreiking inburgeringsdiploma

7. Op 5 september 2017 heeft eiseres haar inburgeringsdiploma ontvangen.

Terugbetaling lening

8. Op 19 september 2017 laat de minister aan eiseres weten dat zij vanaf 1 maart 2018 het geleende geld moet gaan terugbetalen. Het gaat in totaal om een bedrag van € 4.467,50. Zij moet per maand € 37,23 betalen. Zij heeft haar schuld dan op 1 maart 2028 afgelost.

9. Eiseres stuurt op 5 december 2017 een brief naar de minister. Bovenaan de brief staat: ‘bezwaar tegen beslissing terugbetaling lening DUO’.

10. In het bestreden besluit schrijft de minister dat eiseres bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 september 2017. De minister verklaart het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de minister geen inhoudelijke beslissing neemt op het bezwaarschrift.

Gaat het in deze procedure over de boete of over de lening?

11. Partijen verschillen van mening over de vraag waartegen de brief van 5 december 2017 is gericht. De minister heeft de brief van 5 december 2017 aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 19 september 2017 (over de lening). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij vindt dat de minister deze brief aan had moeten merken als een beroepschrift tegen de beslissing op bezwaar van 16 november 2017 (over de boete). Volgens eiseres had de minister haar brief van 5 december 2017 dan ook door moeten sturen naar de rechtbank.

12. Eiseres heeft de brief van 5 december 2017 niet zelf geschreven. Zij heeft hulp gehad van haar docente. Het kan dus zijn dat er een verschil is tussen wat eiseres heeft bedoeld en wat er op papier staat. Maar de rechtbank kijkt naar de inhoud van de brief van 5 december 2017. Daaruit blijkt dat eiseres het niet eens is met de terugbetaling van de lening. Dit blijkt uit het kopje van de brief (‘bezwaar tegen beslissing terugbetaling lening’). Dit blijkt ook uit de tekst van de brief. Zij schrijft namelijk: “Nu moet ik een boete van € 375,- betalen. Dat snap ik. Maar ik moet ook mijn hele lening terugbetalen aan DUO. Dat snap ik niet.”

13. De laatste brief die naar eiseres is gestuurd en die gaat over de lening, is het besluit van 19 september 2017. De rechtbank vindt daarom dat de minister de brief van 5 december 2017 terecht heeft aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 19 september 2017. Het gaat in deze zaak dus over de lening.

Waarom heeft de minister het bezwaar niet inhoudelijk behandeld?

14. Eiseres is het er niet mee eens dat zij de lening moet terugbetalen. Dat eiseres de lening moet terugbetalen, staat volgens de minister ook al in de beschikking van 16 juni 2017 (zie overweging 4). Het bericht van 19 september 2017 verandert niets in de rechten en plichten van eiseres. De minister vindt daarom dat eiseres tegen dit bericht geen bezwaar kon maken. Daarom is het bezwaar niet inhoudelijk behandeld. De minister heeft daarbij verwezen naar artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Kon eiseres bezwaar maken tegen het besluit van 19 september 2017?

15. De minister heeft aan eiseres een lening verstrekt op grond van de Wet inburgering. In deze wet staat dat eiseres deze lening plus de rente moet terugbetalen (artikel 16, derde lid). Soms hoeft er niets terugbetaald te worden. Als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, dan verleent de minister ambtshalve (uit zichzelf) volledige kwijtschelding van de schuld (artikel 4.13, derde lid, van het Besluit inburgering).

16. Dat eiseres de lening moet terugbetalen, vloeit dus voort uit de wet. In sommige gevallen wordt (ambtshalve) volledige kwijtschelding van de schuld verleend. De rechtbank vindt dat ‘de schuld’ pas duidelijk wordt op het moment dat daarbij een bedrag wordt genoemd. Dit is voor het eerst gebeurd in het besluit van 19 september 2017. De beslissing dat de schuld niet wordt kwijtgescholden, vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit het besluit van 19 september 2017 en niet uit het besluit van 16 juni 2017.

17. De rechtbank vindt dat eiseres wél bezwaar kon maken tegen het besluit van 19 september 2017. Dit omdat er sprake is van een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Wat betekent dit voor het beroep?

18. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal vervolgens bekijken of de zaak toch in beroep kan worden afgedaan.

Het bezwaarschrift is te laat ingediend

19. Als er een beroepschrift is ingediend, moet de rechtbank sommige zaken eerst zelfstandig beoordelen. Eén van de zaken die de rechtbank moet beoordelen, is of het bezwaarschrift op tijd is ingediend.

20. Eiseres had binnen zes weken bezwaar moeten maken tegen het besluit van 19 september 2017. Zij heeft echter pas op 5 december 2017 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit is te laat. Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, dan wordt het bezwaar in beginsel niet inhoudelijk behandeld. Dit is alleen anders als er een goede reden is dat het bezwaar te laat is ingediend. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting gezegd dat daarvan geen sprake is.

Dezelfde uitkomst

21. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Dit betekent dat de uitkomst hetzelfde is als in het bestreden besluit: het bezwaar is niet-ontvankelijk.

Griffierecht en proceskosten

22. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Ook zal de rechtbank de minister veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.