Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5581

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
AWB 17_7374
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een aankondiging om tot een fictieve korting over te gaan. Een dergelijke aankondiging kan naar zijn aard niet op zelfstandig rechtsgevolg zijn gericht. Bezwaar is ten onrechte ontvankelijk geacht. Vernietiging, zelf voorzien door bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/7374 IOAW

uitspraak van 17 september 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. H.A. Groeneveld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 21 september 2017 (bestreden besluit) van het college inzake de aankondiging een korting op hun recht op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) te zullen toepassen, indien eisers niet aan een verzoek voldoen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Claessen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers hebben op 21 mei 2017 een IOAW-uitkering aangevraagd bij het college.

Tijdens een onderzoek naar het recht op een IOAW-uitkering is het college gebleken dat eiseres per 21 juni 2017 aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen van het Pensioenfonds Detailhandel. Deze aanspraak heeft eiseres voor onbepaalde tijd uitgesteld.

Aan eisers is bij besluit van 28 juli 2017 (primair besluit) per 21 juni 2017 een IOAW-uitkering toegekend naar de norm voor gehuwden. Daarnaast heeft het college eiseres in de gelegenheid gesteld een verzoek in te dienen bij Pensioenfonds Detailhandel om het ouderdomspensioen zo snel als mogelijk in te laten gaan. Mocht dit ouderdomspensioen per 1 oktober 2017 niet zijn ingegaan, dan zal het college overgaan tot het fictief korten van de IOAW-uitkering met dit ouderdomspensioen. Onder het kopje “extra verplichtingen” heeft het college opgenomen: “Wij verzoeken u zo snel mogelijk een aanvraag in te dienen bij Pensioenfonds Detailhandel om het ouderdomspensioen van mevrouw [eiseres] zo spoedig mogelijk te laten ingaan. Als u de verplichting niet of onvoldoende nakomt kan dit gevolgen hebben voor het recht op uitkering (P-wet art. 17 en 18 lid 2 en 3 en artikel 55/IOAW art. 20).” Ter zitting heeft de gemachtigde van het college aangegeven dat niet bedoeld is om het als een verplichting in de brief op te nemen, het is – zoals de formulering aan het begin van de zin ook aangeeft – een verzoek. De rechtbank zal het voorgaande hierna daarom aanhalen als “het verzoek”.

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

2. Eisers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat voor het besluit van het college om de IOAW-uitkering te korten met het ouderdomspensioen van eiseres terwijl zij dat feitelijk niet ontvangt, geen wettelijke grondslag bestaat. Het college heeft in het bestreden besluit verwezen naar de wetsgeschiedenis, maar uit die wetsgeschiedenis blijkt dat die ziet op een heel andere wet, namelijk de Participatiewet en niet van toepassing is op de IOAW. De wetsgeschiedenis van de Participatiewet kan volgens eisers niet dienen ter onderbouwing van een beslissing op grond van de IOAW. Tot slot hebben eisers verwezen naar wat in bezwaar door hen is aangevoerd.

3. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar en het beroep van eisers zich uitsluitend richt tegen het verzoek.

De rechtbank dient ambtshalve de vraag te beantwoorden of het college eisers terecht in hun bezwaar tegen het verzoek heeft ontvangen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Ter zitting is namens het college desgevraagd verklaard dat het hier gaat om een voornemen om tot een (fictieve) korting over te gaan op de IOAW-uitkering van eisers. Dit is tot op heden niet gebeurd. Zodra daadwerkelijk tot korting zal worden overgegaan, zal dit bij separaat besluit aan eisers worden medegedeeld.

Gelet op de bewoordingen zoals die door het college in het primaire en bestreden besluit en ter zitting zijn gebruikt, stelt de rechtbank vast dat het hier een aankondiging betreft om tot een fictieve korting over te gaan. Aangezien deze aankondiging naar zijn aard niet op zelfstandig rechtsgevolg kan zijn gericht, moet worden geconcludeerd dat het college het bezwaar van eisers ten aanzien van het verzoek ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

5. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het verzoek om de pensioenaanspraak te gelde te maken. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, door het bezwaar voor zover gericht tegen dit verzoek alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar. Voor het overige kan het bestreden besluit in rechte standhouden.

6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

7. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het bezwaar tegen het verzoek ontvankelijk is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar voor zover gericht tegen het verzoek niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, en mr. drs. E.J. Govaers en mr. C.E.M. Marsé, leden, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.