Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5525

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
AWB 18_1246
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek van derden. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/1246 WW

uitspraak van 20 september 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. T. Kocabas,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 januari 2018 (bestreden besluit) van het UWV. Dit besluit gaat over twee verschillende onderwerpen: (1) de intrekking en terugvordering van haar uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), en (2) het opleggen van een boete.

De zaak is behandeld in Breda op 6 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen R.M. Jankowska. Namens het UWV is verschenen G.M.M. Diebels.

Wat is in het kort het oordeel van de rechtbank?

De rechtbank vindt dat het bestreden besluit stand kan houden. De rechtbank zal hierna motiveren waarom.

Overwegingen

Toekenning WW-uitkering en verlenen toestemming om naar Polen te gaan

1. Eiseres heeft een WW-uitkering ontvangen in de periode van 11 mei 2015 tot en met 10 augustus 2015. Zij heeft deze WW-uitkering gekregen vanwege haar werkzaamheden voor [naam werkgever].

2. Het UWV heeft op 15 juli 2015 een melding gekregen van [naam melder]. Er wordt namens eiseres doorgegeven dat zij op 25 juli 2015 naar Polen wil vertrekken om daar op zoek te gaan naar werk. Op 16 juli 2017 heeft het UWV eiseres toestemming verleend om van 25 juli 2015 tot en met 10 augustus 2015 in Polen naar werk te zoeken, met behoud van haar WW-uitkering.

Strafrechtelijk onderzoek

3. Het UWV heeft een aantal meldingen ontvangen waaruit het vermoeden is ontstaan dat Poolse ex-werknemers van [naam werkgever] WW-uitkeringen hebben aangevraagd, terwijl zij direct na het beëindigen van hun dienstverband naar Polen zouden zijn teruggekeerd. De Inspectie SZW heeft vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek zijn twee personen naar voren gekomen die Poolse werknemers van [naam werkgever] zouden hebben geholpen bij het verkrijgen van een WW-uitkering. Eén van deze personen is [naam melder].

Themaonderzoek UWV

4. Het UWV heeft vervolgens nader onderzoek gedaan naar het recht van eiseres op een WW-uitkering. Het UWV heeft bij dit onderzoek betrokken de informatie van het strafrechtelijk onderzoek. Ook is er op 2 februari 2017 een gesprek met eiseres gevoerd. De resultaten van dit onderzoek staan in een onderzoeksrapport van 12 juli 2017.

Besluiten UWV

5. Het UWV heeft naar aanleiding van het onderzoek het standpunt ingenomen dat eiseres in de periode van 11 mei 2015 tot en met 24 juli 2015 niet in Nederland heeft verbleven. Het UWV heeft vervolgens een aantal besluiten genomen:

  • -

    Op 28 juli 2017 is het toestemmingsbesluit (om in Polen werk te zoeken) ingetrokken;

  • -

    Op 31 juli 2017 is de WW-uitkering per 11 mei 2015 ingetrokken;

  • -

    Op 11 september 2017 wordt er een boete opgelegd van € 1.533,85;

  • -

    Op 11 september 2017 wordt ook de WW-uitkering herzien en een bedrag van € 3.067,70 (bruto) teruggevorderd.

6. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening en terugvordering van de WW-uitkering, en tegen het opleggen van een boete.

7. In het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Wat is er tussen partijen in geschil?

8. De rechtbank heeft partijen tijdens de zitting voorgehouden dat de herziening van de WW-uitkering (besluit van 11 september 2017) dezelfde inhoud heeft als de intrekking van de uitkering (besluit van 31 juli 2017). Dit betekent dat de herziening van de WW-uitkering geen nieuw rechtsgevolg met zich mee brengt. Partijen zijn het daar mee eens. De rechtbank heeft vervolgens met partijen vastgesteld dat het bestreden besluit ziet op bezwaren gericht tegen de intrekking van de uitkering (besluit van 31 juli 2017), terugvordering van de uitkering (besluit van 11 september 2017) en het opleggen van een boete (besluit van 11 september 2017). Het beroep van eiseres ziet ook op deze drie punten.

De rechtbank zal dan ook een oordeel geven over de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering, en het opleggen van een boete.

Intrekking en terugvordering

9. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres in de periode van 11 mei 2015 tot en met 24 juli 2015 in Nederland heeft verbleven. Dit is van belang voor de vraag of eiseres recht had op een WW-uitkering. Het is aan het UWV om aannemelijk te maken dat eiseres geen recht had op deze uitkering.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat eiseres in de periode van 11 mei 2015 tot en met 24 juli 2015 niet in Nederland was.

 Busreis op 9 mei 2015

Ten eerste blijkt uit een lijst van [naam werkgever] dat eiseres op 9 mei 2015 naar Polen is gereisd. [naam werkgever] heeft een samenwerkingsverband met een busmaatschappij. De busmaatschappij rijdt twee keer per week tussen Nederland en Polen. Aan de hand van de lijsten kan worden vastgesteld wie er in Nederland is, en wie er beschikbaar is voor werk in Polen. Er zijn medewerkers die niet met de bus mee terugreizen en zelf vervoer regelen. Deze medewerkers kunnen dit vooraf zelf aangeven en hiervan wordt ook een lijst bijgehouden. Dit om te voorkomen dat de bus van Nederland naar Polen bijna leeg is.

Ten tweede zijn er onvoldoende objectieve aanwijzingen om van een andere vertrekdatum uit te gaan:

 Pinbetalingen

Eiseres heeft erop gewezen dat er na 9 mei 2015 met haar bankpas nog pinbetalingen zijn gedaan in Nederland. Dit is volgens eiseres niet mogelijk als zij in Polen zou verblijven.

De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat uitkeringsgerechtigden (na vertrek) hun bankpas lieten gebruiken door andere Poolse medewerkers, om de indruk te wekken dat zij nog steeds in Nederland waren. Uit de door eiseres overgelegde Nederlandse bankafschriften blijkt dat zij in de periode van 18 maart 2015 tot en met 9 mei 2015 bijna dagelijks heeft gepind. Na 9 mei 2015 vindt er een belangrijke wijziging plaats in het pingedrag van eiseres. Zo wordt er na 9 mei 2015 alleen nog maar gepind op: 15 mei 2015, 19 mei 2015, 31 mei 2015, 5 juni 2015, 12 juni 2015, 17 juni 2015, 28 juni 2015, 5 juli 2015 en 14 juli 2015.

Gelet op de combinatie van (1) de wetenschap dat bankpassen door anderen worden gebruikt en (2) de belangrijke wijziging in het pingedrag van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat geen doorslaggevende waarde kan worden gehecht aan de omstandigheid dat er na 9 mei 2015 nog is gepind met de bankpas van eiseres.

 Tegenstrijdigheden

In het dossier zijn een groot aantal tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiseres te vinden. Zo heeft eiseres op 2 februari 2017 verklaard dat zij op 12 juli 2015 naar Polen is gegaan. Volgens eiseres was dit de dag voor haar moeders verjaardag. Dit is dus een vrij makkelijke datum om te onthouden. Deze verklaring klopt echter niet met het feit dat er op 14 juli 2015 in Tilburg geld is opgenomen van haar bankrekening. De verklaring klopt ook niet met het feit dat eiseres op 15 juli 2015 het UWV om toestemming heeft gevraagd om naar Polen te gaan en daar naar werk te zoeken. Daarbij is aangegeven dat zij op 25 juli 2015 zou vertrekken. Overigens heeft eiseres tijdens de zitting verklaard geen concrete vertrekdatum te kunnen geven.

Een andere tegenstrijdigheid ziet op haar eerste werkloosheidsdag. Eiseres heeft op 15 juni 2015 haar aanvraag om een WW-uitkering ondertekend. Zij heeft bij haar WW-aanvraag aangegeven dat haar eerste werkloosheidsdag 10 mei 2015 was. Ook uit de werkgeversverklaring van [naam werkgever] blijkt dat eiseres tot 10 mei 2015 voor hen zou hebben gewerkt. Eiseres heeft in beroep erop gewezen dat zij op een Poolse bankrekening nog salaris heeft ontvangen over de periode van 11 mei 2015 tot en met 15 mei 2015. De salarisbetaling klopt echter niet met de eerste werkloosheidsdag en de werkgeversverklaring. Tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat zij na 9 mei 2015 nog een dag of twee heeft gewerkt bij [naam werkgever]. Dit klopt dus niet met de eerste werkloosheidsdag en de werkgeversverklaring.

Tot slot kunnen vraagtekens worden geplaatst bij het door haar gestelde woonadres in de periode vanaf 11 mei 2015. Eiseres heeft bij het aanvragen van de WW-uitkering op 15 juni 2015 het adres [adres eiseres] in Tilburg doorgegeven. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat dit adres veelvuldig werd gebruikt als postadres voor het aanvragen van een WW-uitkering. Volgens WonenBreburg betreft de [adres eiseres] in Tilburg een koopwoning. Er is sprake van leegstand van de woning in de periode van 7 januari 2014 tot en met 11 november 2015. De woning is uiteindelijk op 11 november 2015 verkocht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hier toch heeft gewoond in de periode van 11 mei 2015 tot en met 24 juli 2015. Zo heeft zij geen enkele beschrijving kunnen geven van de woning.

De rechtbank is van oordeel dat de vele tegenstrijdigheden afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om uit te gaan van een andere vertrekdatum dan 9 mei 2015.

11. Nu blijkt dat eiseres vanaf 9 mei 2015 in het buitenland verbleef anders dan vakantie, en zij dit niet aan het UWV heeft doorgegeven, heeft zij geen recht op een WW-uitkering (artikel 19, 22a en 25 van de WW). Het UWV heeft de uitkering dan ook terecht ingetrokken. Hierdoor heeft eiseres in de periode van 11 mei 2015 tot en met 10 augustus 2015 te veel WW-uitkering ontvangen. Er zijn geen dringende redenen aanwezig om van terugvordering af te zien. Eiseres heeft ook geen gronden aangevoerd tegen de hoogte van het bedrag. Het UWV heeft dan ook terecht een bedrag van € 3.067,70 (bruto) van eiseres teruggevorderd (artikel 36 van de WW).

Boete

12. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens eiseres heeft zij alle aanwijzingen direct en volledig doorgegeven. Zij heeft ook de verplichtingen nageleefd die horen bij de export van haar uitkering. Zij heeft verder aangevoerd dat zij niet eerder is vertrokken naar Polen dan dat er toestemming is verleend, zodat een boete niet aan de orde is.

13. De rechtbank overweegt als volgt. Omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft overtreden, was het UWV verplicht om haar een boete op te leggen (artikel 27a van de WW). De boete is bepaald op 50% van het benadelingsbedrag van € 3.067,70, te weten € 1.533,85. Er is geen aanleiding om de boete te matigen wegens verminderde verwijtbaarheid. Eiseres is in het besluit waarbij haar de WW-uitkering werd toegekend, gewezen op haar inlichtingenplicht. Het lag dan ook op de weg van eiseres om het UWV tijdig te informeren over haar daadwerkelijke vertrekdatum naar Polen.

Conclusie

14. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.