Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5518

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
AWB 18_1383
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag individuele studietoeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/1383 PW

uitspraak van 19 september 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. E.M.H. Geubbels,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 januari 2018 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van haar aanvraag voor individuele studietoeslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.L.W.A. Gelens, kantoorgenote van haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Claessen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 18 september 2017 een aanvraag ingediend bij het college voor individuele studietoeslag. Bij haar aanvraag heeft eiseres een rapportage van de verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van 7 maart 2016 overgelegd.

Bij besluit van 17 oktober 2017 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Eiseres voert, kort samengevat, aan dat de verzekeringsarts van het UWV niet heeft vermeld dat zij helemaal geen mogelijkheden heeft. Er wordt aangegeven dat sprake is van sterk wisselende mogelijkheden. Op het moment dat er een Wajong-uitkering wordt toegekend, is er per definitie sprake van een arbeidsbeperking. Bij de toekenning van de Wajong-uitkering is eiseres gewezen op de mogelijkheid om een studietoelage van het college te ontvangen. Daaruit blijkt dat de toekenning van een studietoeslag wel degelijk mogelijk is na een Wajong-toekenning.

Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage blijkt dat er wel degelijk sprake is van de mogelijkheid om te studeren dan wel arbeid te verrichten. Bij de aanvraag heeft eiseres deze rapportage overgelegd, zodat het verwijt dat niet onderbouwd is dat er sprake is van arbeidspotentieel voldoende is weerlegd. In het geval het college deze rapportage ontoereikend achtte, had het (of hij) op grond van de beleidsregels een arbeidsdeskundig advies moeten inwinnen. Wat betreft de voorwaarde om minimaal 20% van het minimumloon te kunnen verdienen, stelt eiseres dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage blijkt dat zij op dat moment 13 uur per week aan haar opleiding kon besteden. Zij moet minimaal 8 uur per week werken om in ieder geval voornoemde 20% te verdienen, namelijk 20% van 40 uur per week. Nu 8 uur werken per week nog geen 2 uur per dag is, is het aannemelijk dat eiseres 20% zal kunnen werken. Door de verzekeringsarts wordt aangenomen dat eiseres geen 4 uur per dag kan werken, maar dit zegt nog niets over 8 uur per week. Uit de werkelijke belasting per week blijkt dat 8 uur per week mogelijk zal zijn. Ook zou het wellicht mogelijk zijn voor eiseres om als zelfstandige inkomen te genereren. Dan zou zij haar eigen uren kunnen kiezen en aanpassen aan de sterk wisselende mogelijkheden.

Tot slot heeft eiseres verwezen naar wat zij in bezwaar heeft aangevoerd. Daarin is aangegeven dat eiseres studiefinanciering ontvangt, maar dat is niet het geval. Zij heeft hier wel recht op, maar dit recht heeft zij niet verzilverd.

3. Ingevolge artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele studietoeslag verlenen, indien hij op de datum van de aanvraag:

a. 18 jaar of ouder is;

b. recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

c. geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft; en

d. een persoon is van wie is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b.

Artikel 8, derde lid, van de Participatiewet, bepaalt dat de regels die de gemeenteraad bij verordening stelt met betrekking tot het verlenen van een individuele studietoeslag, in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag.

Artikel 18, van de Verzamelbeleidsregels P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015 (Verzamelbeleidsregels) luidt:

1. In aanmerking voor de studietoeslag komen personen met een arbeidsbeperking, die naar verwachting in staat zijn om zelfstandig minimaal 20 %, dan wel maximaal 80% van het wettelijk minimumloon te verdienen en tevens voldoen aan de voorwaarden die in dit kader worden gesteld in de verordening en in de wet.

2. Het college beoordeelt of een persoon voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld onder lid 1.

3. De belanghebbende wordt bij de aanvraag gevraagd om bewijsstukken te overleggen waarmee de voorwaarde zoals beschreven in lid 1 kan worden aangetoond.

4. Indien belanghebbende de gegevens zoals bedoeld in lid 3 niet kan aanleveren, of de ingediende bewijsstukken ontoereikend zijn om een beoordeling te kunnen maken, zal het college een arbeidsdeskundig advies inwinnen.

4. In geschil is of het college de aanvraag van eiseres voor individuele studietoeslag op goede gronden heeft afgewezen. Partijen zijn meer in het bijzonder verdeeld over de vraag of eiseres voldoet aan het bepaalde in 36b, eerste lid, onder d van de Participatiewet. Het college is van mening dat eiseres geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, omdat zij niet over enig arbeidsvermogen beschikt. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op een rapportage van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] van het UVW (verzekeringsarts) van 7 maart 2016.

Uit die rapportage blijkt dat eiseres door de verzekeringsarts volledig arbeidsongeschikt op medische gronden wordt geacht. Er is sprake van sterk wisselende mogelijkheden en bovendien blijkt eiseres niet in staat om ten minste 4 uur per dag te kunnen werken, als rechtstreeks en medisch objectiveerbaar gevolg van haar aandoening. Aangezien adequate behandeling niet heeft kunnen leiden tot verbetering en er geen andere therapeutische opties zijn, is er volgens de verzekeringsarts geen zicht op verbetering en worden de beperkingen van eiseres duurzaam geacht. De conclusie van de verzekeringsarts luidt dat er bij eiseres op medische gronden geen arbeidsvermogen is.

De rechtbank is van oordeel dat het college, op basis van de beschouwingen van de verzekeringsarts, terecht tot de conclusie is gekomen dat eiseres met haar beperkingen geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en daardoor niet voldoet aan alle voorwaarden om voor individuele studietoeslag in aanmerking te komen.

De wil en het doorzettingsvermogen van eiseres om, ondanks haar beperkingen, te studeren acht de rechtbank bewonderenswaardig. De rechtbank kan echter niet meegaan in de stelling van eiseres dat er, mede gelet op het aantal uren dat zij per week aan haar studie besteedt, sprake is van arbeidspotentieel. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het tot de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts behoort om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen voor het verrichten van arbeid. Aan hoe eiseres zelf haar belastbaarheid ervaart en de mogelijkheden die zij zelf ziet tot het verrichten van arbeid, kan daarom geen (doorslaggevende) betekenis worden toegekend. Dit geldt temeer omdat de verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiseres de neiging heeft zichzelf te overvragen, bijvoorbeeld door meer schoolwerk in te plannen dan haar energieniveau zal toelaten. Dat eiseres, zoals zij stelt, wel 20% van het reguliere aantal werkuren per week zal kunnen werken, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. De opmerking van de verzekeringsarts dat sprake is van sterk wisselende mogelijkheden wordt door de rechtbank anders geïnterpreteerd dan door eiseres, namelijk juist als een onderbouwing voor het standpunt dat geen sprake is van arbeidsvermogen, omdat de al geringe mogelijkheden om te werken teveel schommelen. In tegenstelling tot wat eiseres heeft aangevoerd, maakt de rechtbank uit de rapportage van de verzekeringsarts niet op dat eiseres in staat wordt geacht maximaal 4 uur per dag te werken. De verzekeringsarts heeft alleen aangegeven dat eiseres niet in staat is ten minste 4 uur per dag te werken, zodat eiseres niet aan het minimum van de norm voldoet.

Met het college is de rechtbank van oordeel dat, nu de door eiseres ingediende rapportage van de verzekeringsarts voldoende duidelijk was om tot een beoordeling te kunnen komen, het college geen aanleiding heeft hoeven zien om een arbeidsdeskundige in te schakelen.

5. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen recht heeft op individuele studietoeslag. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzitter, en mr. V.M. Schotanus en mr. C.E.M. Mars├ę, leden, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.