Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5510

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1178
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet OB

Termijnoverschrijding bezwaarschriften verschoonbaar.

Belanghebbende is acupuncturist en komt in aanmerking voor de vrijstelling op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet OB. Hij heeft voor het eerste kwartaal 2013 tijdig een bezwaarschrift ingediend. Hij heeft echter niet tijdig bezwaarschriften ingediend voor het tweede kwartaal 2013 tot en met het vierde kwartaal 2014. De rechtbank acht het aannemelijk dat bij belanghebbende tijdens het telefoongesprek met de inspecteur de indruk is ontstaan dat het niet nodig was ook nog bezwaarschriften tegen de deze kwartalen in te dienen. De rechtbank acht de termijnoverschrijding derhalve verschoonbaar.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-03-2019
V-N Vandaag 2019/686
FutD 2019-0833
V-N 2019/26.27.6
NTFR 2019/878
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/1178 tot en met 18/1184

uitspraak van 21 september 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] h.o.d.n. [handelsnaam belanghebbende] , wonende te [woonplaats belanghebbende] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 19 januari 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door hem over de tijdvakken tweede kwartaal 2013 tot en met vierde kwartaal 2014 voldane omzetbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2018 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [naam gemachtigde 1] , verbonden aan [kantoornaam 1 gemachigde blh] te Terneuzen, en namens de inspecteur [verweerder] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- bepaalt dat de inspecteur de volgende bedragen van de door belanghebbende betaalde omzetbelasting aan hem moet terugbetalen:

€ 2.320 over het tweede kwartaal van 2013;

€ 4.178 over het derde kwartaal van 2013;

€ 7.310 over het vierde kwartaal van 2013;

€ 5.743 over het eerste kwartaal van 2014;

€ 5.672 over het tweede kwartaal van 2014;

€ 4.454 over het derde kwartaal van 2014;

€ 6.166 over het vierde kwartaal van 2014;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.002;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 aan hem vergoedt.

2 Gronden

Vooraf

2.0.1.

Het in 2.8 vermelde stuk van 5 december 2017 is een op de zaak betrekking hebbend stuk. Dit is door de inspecteur ten onrechte niet overgelegd. Het stuk is pas ter zitting ter sprake gekomen. Tussen partijen bestaat over het bestaan en de inhoud van het stuk geen geschil. De rechtbank heeft daarom verder geen gevolgtrekking verbonden aan de niet-overlegging en evenmin aanleiding gezien te verzoeken om het stuk alsnog in te brengen.

2.0.2.

Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift verzocht om overlegging van een intern memo van de Belastingdienst betreffende de hier aan de orde zijnde problematiek. In het verweerschrift heeft de inspecteur aangevoerd dat een dergelijk intern stuk niet wordt verstrekt, dat belanghebbende een beroep kan doen op de Wet Openbaarheid Bestuur, en dat dan in dat kader kan worden beoordeeld of een dergelijk document, indien aanwezig, kan worden geopenbaard. Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat een draaiboek bestaat maar dat de Belastingdienst dat niet wil inbrengen. Hierop heeft de rechtbank aan de inspecteur voorgehouden dat sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk en dat de inspecteur een verzoek tot geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb had moeten doen. De rechtbank heeft vervolgens belanghebbende voorgehouden dat deze ‘geheimhoudingsprocedure’ leidt tot vertraging. Belanghebbende heeft daarop verzocht om uitspraak te doen op grond van de stukken zoals die zijn overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting daarmee ingestemd en de inspecteur voorgehouden dat bij een eventuele hogerberoepsprocedure het wenselijk is dat de inspecteur zich duidelijk beroept op geheimhouding van het draaiboek, zodat alsdan de noodzakelijke procedures kunnen worden gevolgd.

Inhoudelijk

2.1.

Belanghebbende is zelfstandig werkzaam als acupuncturist en is aangesloten bij Zhong , de Nederlandse Vereniging voor Traditionele Chinese Geneeskunde. Belanghebbende is BIG-geregistreerd.

2.2.

Tot 1 januari 2013 gold voor de dienstverlening door acupuncturisten een vrijstelling op grond van artikel 11, eerste lid, onder g van de Wet op de omzetbelasting 1968. Na een wetswijziging op die datum was volgens de Belastingdienst de dienstverlening van belanghebbende onderworpen aan de heffing van omzetbelasting.

2.3.

Belanghebbende heeft na 1 januari 2013 omzetbelasting op aangifte voldaan in verband met zijn dienstverlening.

2.4.

Belanghebbende heeft op 22 mei 2013 een bezwaarschrift ingediend tegen de door hem ingediende aangifte omzetbelasting voor het eerste kwartaal van 2013. De Belastingdienst heeft een brief van 13 juni 2013 aan belanghebbende verzonden waarin staat dat de behandeling van het bezwaarschrift niet zal worden aangehouden en in behandeling zal worden genomen. Verder staat in de brief vermeld:

“Bijgaand treft u een reactieformulier aan, hierop kunt u aangeven of u gehoord wenst te worden dan wel of u uw bezwaar intrekt.”

2.5.

Op 5 augustus 2013 heeft de partner van belanghebbende telefonisch contact gehad met de heer [verweerder] van de Belastingdienst. Vervolgens heeft belanghebbende het reactieformulier op 6 augustus 2013 ingevuld aan de inspecteur teruggestuurd.

2.6.

De heer [verweerder] is niet meer werkzaam bij de Belastingdienst. In het systeem van de Belastingdienst is over het telefoongesprek de volgende notitie van de heer [verweerder] terug te vinden:

“Tel echtgenote van bel.pl stuurt reactieform terug met u.t. 31-12-2014.”

Een verdere inhoudelijke terugkoppeling van het telefoongesprek is door de heer [verweerder] niet verwoord.

In de e-mail van 21 september 2017 die door de heer [naam gemachtigde 2] van [kantoornaam 2 gemachtigde blh] namens belanghebbende is verzonden aan de inspecteur staat over het telefoongesprek vermeld:

“Naar aanleiding van het bezwaar is er met cliënt nog telefonisch overleg geweest op 5 augustus 2013 met inspectie Breda (de heer [verweerder] ?) en heeft cliënt nog gecommuniceerd over een bezwaar tegen het 2e kwartaal. Cliënt heeft toen als reactie gekregen: “dat er nog zoveel onduidelijkheden zijn en dat in het bezwaar betreffende het 1e kwartaal de visie in voldoende mate was aangegeven”.”

Belanghebbende heeft ter zitting onder meer het volgende verklaard:

“In eerste instantie is een bezwaarschrift ingediend voor het eerste kwartaal. Er waren onduidelijkheden in de branche. Mijn partner heeft het telefoongesprek destijds gevoerd. Ik moest een afwachtende houding aannemen. Er waren veel onduidelijkheden destijds. Ik heb dus afwachtend gehandeld. (….)

U vraagt of er bij dat telefoongesprek is gesproken over het indienen van bezwaar. Nee, het was nog onduidelijk bij de Belastingdienst. U vraagt hoe het gesprek ging. Mijn partner voerde het gesprek. Ik was bij het gesprek; de telefoon stond op de speaker. Mijn partner is enigszins fiscaal onderlegd. Ik niet, ik ben een mensenmens. Hoe nu verder? Dat was de vraag. Moeten we per kwartaal? Bij ons was de indruk gewekt dat we een afwachtende houding moesten aannemen. Ik kan me alleen dat nog herinneren. Op een later tijdstip zouden ze bekendmaken wat de verdere ontwikkelingen zouden zijn”.

2.7.

Met dagtekening 28 december 2015 heeft voormelde heer [naam gemachtigde 2] een brief naar de inspecteur verzonden. De inspecteur heeft daarop in zijn brief van 9 februari 2016 gereageerd met de mededeling dat de uitspraak lang op zich laat wachten en dat hij het met de heer [naam gemachtigde 2] eens is dat de rechten van belanghebbende niet zijn veilig gesteld door het ontbreken van tijdige bezwaren over de periode van het tweede kwartaal van 2013 tot en met het vierde kwartaal van 2015.

2.8.

Belanghebbende heeft vervolgens op enig moment van de Belastingdienst een formulier ontvangen waarop de betaalde omzetbelasting voor alle tijdvakken kon worden ingevuld. Hij heeft dit formulier op 5 december 2017 ingevuld aan de inspecteur teruggestuurd. De inspecteur heeft dit formulier op 7 december 2017 ontvangen en aangemerkt als bezwaarschriften tegen de onderhavige tijdvakken.

Bij brief van 22 december 2017 heeft de inspecteur gemeld dat op 4 januari 2016 het bezwaarschrift van belanghebbende is ontvangen betreffende de voldoening op aangiften in de jaren 2013 en 2014, dat het bezwaarschrift over die jaren, met uitzondering van het eerste kwartaal van 2013, niet binnen de bezwaartermijn is ontvangen, en dat belanghebbende in zoverre niet ontvankelijk is in het bezwaar. Vervolgens zijn bij afzonderlijke biljetten met dagtekening 19 januari 2018 de bezwaren van belanghebbende betreffende de in geding zijnde kwartalen wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat er voor geen van de in geschil zijnde tijdvakken tijdig een bezwaarschrift is ingediend. Enkel in geschil is of de overschrijdingen van de termijn verschoonbaar zijn in het licht van het telefoongesprek van 5 augustus 2013 tussen de partner van belanghebbende en de inspecteur.

2.10.

De rechtbank stel voorop dat het lastig is om ruim vijf jaar na het telefoongesprek te achterhalen wat er precies is gezegd tijdens dat gesprek. Ook indirecte aanwijzingen kunnen daarom relevant zijn.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat wat in de 2.6 vermelde notitie staat, het enige is dat besproken is tijdens het gesprek. Het ligt voor de hand dat belanghebbende heeft gebeld om meer duidelijkheid te krijgen gegeven de onduidelijkheden in de branche en over hoe te handelen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de 2.6 weergegeven verklaringen van belanghebbende ter zitting. Wel acht de rechtbank het gelet op die notitie niet aannemelijk dat een expliciete toezegging is gedaan of een expliciete afspraak is gemaakt dat geen bezwaarschriften meer hoefden te worden ingediend. Belanghebbende heeft dat overigens ook niet aangevoerd. Dat neemt echter niet weg dat de heer [verweerder] mogelijk uitlatingen heeft gedaan die – onbedoeld – belanghebbende op het verkeerde been hebben gezet in die zin dat bij belanghebbende de indruk is ontstaan dat het niet nodig was om nog bezwaarschriften in te dienen na zijn eerdere bezwaarschrift voor het eerste kwartaal van 2013. Dit scenario acht de rechtbank – alles afwegende – aannemelijk, gelet op de omstandigheid dat na het telefoongesprek geen bezwaarschriften (binnen de termijn) meer zijn ingediend. Dit scenario vindt ook steun in de verklaringen van belanghebbende ter zitting en in wat in de in 2.6 vermelde e-mail van 21 september 2017 is vermeld. De inhoud van de in 2.8 vermelde brief van 22 december 2017 is niet in tegenspraak met het scenario; er zijn nu eenmaal (eerder) geen bezwaarschriften ingediend behalve voor het eerste kwartaal van 2013.

In deze omstandigheden zijn de termijnoverschrijdingen verschoonbaar. Daaraan doet niet af de (algemene) informatiebrief van 13 december 2013 van de Belastingdienst waar de inspecteur zich op beroept. Deze brief blinkt niet uit in helderheid wat een belastingplichtige moet doen. In elk geval kan niet worden gezegd dat – uitgaande van voormelde indruk – met die brief belanghebbende voldoende duidelijk moest zijn dat hij bezwaarschriften had moeten indienen en alsnog bezwaarschriften moest indienen.

Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijdingen zou mogelijk geen sprake kunnen zijn indien belanghebbende te lang gewacht heeft met het alsnog indienen van een bezwaarschrift nadat hem duidelijk was geworden dat de Belastingdienst wel vond dat bezwaarschriften hadden moeten zijn ingediend. De eerste brief waaruit dit laatste zou kunnen worden afgeleid is de brief van de inspecteur van 9 februari 2016. Belanghebbende heeft daarvóór echter reeds een brief aan de Belastingdienst gestuurd die mede kan worden opgevat als een bezwaarschrift betreffende de in geding zijn tijdvakken. Het gaat om de brief van belanghebbende van 28 december 2015. De inspecteur heeft althans deze brief zo opgevat (zie de in 2.8 vermelde brief van 22 december 2017). De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen, in aanmerking genomen dat in deze brief is vermeld: “Teneinde misverstanden te voorkomen was de intentie van dit bezwaar [rechtbank: betreffende het eerste kwartaal van 2013] ook voor de daarop volgende kwartalen totdat uitspraak zou volgen”. Dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat het in 2.8 vermelde formulier van 5 december 2017 als bezwaarschrift is aan te merken, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat het formulier op zichzelf gezien als bezwaarschrift is aan te merken, doet niet eraan af dat er eerder een bezwaarschrift kan zijn ingediend.

2.11.

Gelet op het voorgaande is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Dat betekent dat de bezwaren betreffende het tweede kwartaal van 2013 tot en met het vierde kwartaal van 2014 ontvankelijk zijn. Voor dat geval is tussen partijen niet geschil dat belanghebbende recht heeft op de verzochte teruggaven zoals hiervoor vermeld in de beslissing. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien door de verzochte teruggaven toe te wijzen.

2.12.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen gegrond verklaard.

2.13.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Niet gebleken is dat belanghebbende in de bezwaarfase om vergoeding van de kosten heeft verzocht, zoals artikel 7:15, derde lid, van de Awb vereist. Reeds hierom is geen plaats voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Deze uitspraak is gedaan op 21 september 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.