Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:55

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-01-2018
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
AWB- 17_6883 AW VV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:3238, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Gemeenteambtenaar voorziet concept-b&w-besluit van digitale handtekening gemeentesecretaris en laat dat voor echt b&w-besluit doorgaan. Beroep op ontbreken toerekenbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 17/6883 AW VV en BRE 17/6884 AW

uitspraak van 4 januari 2018 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

gemachtigde: mr. W.E. Tsoutsanis,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Blanken.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 september 2017 van het college (bestreden besluit) inzake disciplinair ontslag. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 21 december 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door haar zwager, [naam zwager] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door P&O-adviseur [naam adviseur] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is sinds 1 juli 2010 werkzaam geweest in dienst van de gemeente Vlissingen bij de afdeling Strategie, Beleid en Projecten in de functie van Beleidsmedewerker C.

Op 25 oktober 2016 heeft zij een nota ten behoeve van een collegebesluit over de Frans Naereboutprijs 2016 opgesteld. Zij heeft verzuimd de nota in de volgende status te zetten. Toen zij zich dat op 28 november 2016 realiseerde heeft zij het concept collegebesluit voorzien van de digitale handtekening van de eerste locosecretaris, voorwendend dat het college op 25 oktober 2016 overeenkomstig de nota een besluit heeft genomen.

Verzoekster is op 1 december 2016 met haar handelwijze geconfronteerd in een gesprek met, onder meer, de algemeen directeur. Zij heeft verklaard dat zij zich heeft gerealiseerd dat zij fout bezig was. Zij werkte terwijl zij overspannen was.

Op 12 december 2016 heeft de door het college ingeschakelde arbo-arts beschreven dat verzoekster, die vanaf 25 oktober 2016 gedeeltelijk verzuimde, kampt met deels werkgerelateerde beperkingen. Zij is op 2 januari 2017 volledig uitgevallen.

Op 17 januari 2017 heeft het college aan verzoekster een voornemen tot strafontslag bekendgemaakt. Verzoekster heeft haar zienswijze op het voornemen gegeven. Zij heeft een verklaring overgelegd, opgemaakt drs. [naam psycholoog] , psycholoog NIP/NVPA.

Bij besluit van 21 februari 2017 (primair besluit) heeft het college het voorgenomen ontslag verleend, met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

Bij het bestreden besluit is verzoeksters bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Verzoekster heeft, samengevat, erkend dat sprake is van plichtsverzuim. Zij betwist dat het haar kan worden aangerekend. Er had een medisch onderzoek ingesteld dienen te worden, en dat zou alsnog moeten gebeuren. Voor de toerekenbaarheid is van doorslaggevende betekenis of verzoekster de ontoelaatbaarheid van het gedrag op het moment van gebeuren heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Verzoekster zou in een gezonde situatie nooit hebben gedaan wat zij heeft gedaan, omdat zij van de rechtspositionele gevolgen op de hoogte was en weet wat van een goed ambtenaar wordt verwacht. Zij heeft door haar burn-out gehandeld in paniek. Verzoekster wordt onevenredig zwaar getroffen en is in de financiële problemen geraakt. Het college heeft nalatig gehandeld door te negeren dat de werkdruk te hoog was.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen, te bepalen dat verzoekster wordt behandeld alsof geen ontslag is verleend, alsmede haar met terugwerkende kracht haar salaris te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook heeft zij gevraagd het college op te dragen een medisch onderzoek in te stellen.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Partijen hebben ter zitting verklaard daar mee in te stemmen.

4. In artikel 16:1:1, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/ Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair kan worden gestraft. In het tweede lid is bepaald dat plichtsverzuim zowel omvat het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraak van 24 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5986), moet de bestuursrechter in ambtenarenzaken die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vaststellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Voorts dient het plichtsverzuim aan de ambtenaar te zijn toe te rekenen en dient de genomen maatregel in verhouding te staan tot het plichtsverzuim.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Het is aannemelijk dat het verlies van inkomsten in de loop van de tijd tot steeds ernstiger financiële problemen is gaan leiden. Daarnaast wil verzoekster graag terugkeren in de organisatie van de gemeente, en dat kan bemoeilijkt worden door het verstrijken van de tijd.

7. Verzoekster is ten laste gelegd: (1) dat zij gekozen heeft voor het namaken van een collegebesluit daar waar haar bekende andere oplossingen eenvoudig konden worden gerealiseerd; (2) dat zij heeft nagelaten hulp te vragen bij de ontdekking van het niet doorzetten van de b&w-nota; (3) dat zij een collegebesluit heeft nagemaakt; (4) dat zij dat besluit voor echt heeft laten doorgaan en (5) dat zij heeft gezwegen daar waar er voldoende mogelijkheden waren om te spreken. Het college heeft die gedragingen, afzonderlijk en in samenhang, aangemerkt als zeer ernstig.

Verzoekster heeft erkend, of niet uitdrukkelijk betwist, dat de tenlastegelegde gedragingen (2) tot en met (5) hebben plaatsgevonden en dat ze ernstig plichtsverzuim opleveren. Dat staat daarmee vast. Bij de vraag of sprake is geweest van het maken van een keuze om het collegebesluit na te maken zal bij de bespreking van de toerekenbaarheid worden stilgestaan.

8.1

Partijen verschillen van mening over de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim.

8.2

Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake was van een burn-out en dat zij als gevolg hiervan in paniek heeft gehandeld. In dat standpunt voelt zij zich gesteund door een ongedateerde verklaring, die zij op 8 februari 2017 heeft ingebracht, van psycholoog [naam psycholoog] , bij wie zij vanaf 2 januari 2017 in behandeling is.

8.3

Het college heeft het standpunt ingenomen dat er geen medische informatie is op basis waarvan in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat aanwijzingen bestaan dat sprake is van zodanig psychische stoornis dat verzoekster niet in staat was de ontoelaatbaarheid van haar gedragingen in te zien en overeenkomstig dat inzicht te handelen.

8.4

De voorzieningenrechter overweegt, in navolging van de uitspraak van de CRvB van 20 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3895), dat van belang is of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem of haar niet kan worden toegerekend.

De voorzieningenrechter ontleent aan het verslag van het gesprek dat op 1 december 2016 met verzoekster werd gevoerd: “Ze zegt dat zij zich realiseerde dat ze fout bezig was en zich afvroeg of zij hiermee naar de heer [naam persoon1] en de heer [naam persoon2] zou gaan. (…) Zij worstelde hier al enige tijd mee.” Verzoekster heeft aan dat verslag toegevoegd: “Pas nadat ik deze (het nagemaakte besluit) had afgegeven bij mevrouw [naam persoon3] en het digitaal had verzonden naar [naam persoon4] , begreep ik wat ik gedaan had. Ik kon toen pas overzien welke consequenties mijn handelen zou kunnen veroorzaken. (…) Vervolgens heb ik mij afgevraagd of ik het kon bespreken met de heer [naam persoon1] of de heer [naam persoon2] , maar ik zou nog meer mensen schade toe brengen als ik het zou aangeven.

In een gesprek op 13 december 2016 heeft verzoekster verklaard, in antwoord op de vraag waarom zij zo gehandeld heeft: “Mevrouw [naam verzoekster] geeft aan dat zij zich niet veilig voelt binnen deze organisatie en dat strafontslag ook consequenties zou hebben voor haar man die bij de politie werkt.” En: “Mevrouw [naam verzoekster] zegt dat zij pas een half uur nadat zij de collegenota naar haar college mevrouw [naam persoon4] had gestuurd, zich de consequenties realiseerde, maar dat zij niet meer terug kon.

Op de zitting van de voorzieningenrechter heeft verzoekster herhaald dat zij heeft gehandeld in paniek maar dat later in de middag van 28 november 2016 het besef kwam dat zij fout zat en dat zij toen de goede oplossing wist. Zij heeft zich, volgens haar verklaring, gerealiseerd dat zij haar baan kon verliezen en dat ook haar echtgenoot in zijn werk problemen zou kunnen ondervinden. Daarom heeft zij er voor gekozen te zwijgen.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de verklaringen van verzoekster blijkt dat zij zich al in de middag van 28 november 2016 bewust was van de onjuistheid van haar handelen, dat zij afwegingen heeft gemaakt, dat zij er voor gekozen heeft om te zwijgen en dat zij in dat zwijgen heeft volhard totdat zij op 1 december 2016 met haar handelen werd geconfronteerd. Daarom kan niet worden gezegd dat verzoekster de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien en dat zij niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

De verklaring van psycholoog [naam psycholoog] leidt niet tot een ander oordeel. Volgens die verklaring was verzoekster op 28 november 2016 dusdanig overbelast dat zij het overzicht kwijt was en door angst en paniek een inschattingsfout heeft gemaakt die geleid heeft tot het onfortuinlijke incident. Verzoekster lijdt, volgens de psycholoog, aan een burn-out die van invloed is geweest op het handelen vanaf 22 november 2016.

In het midden latend of de onderzoeksbevindingen de door de psycholoog getrokken conclusie kunnen dragen overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele vaststelling dat sprake was van een burn-out die van invloed was op verzoeksters handelen, niet betekent dat verzoekster de ontoelaatbaarheid van haar gedrag niet heeft kunnen inzien en dat zij niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Waar de psycholoog spreekt over een ‘inschattingsfout’ bevestigt zij het beeld dat verzoekster bij herhaling heeft geschetst: Zij was, in ieder geval vanaf de namiddag van 28 november 2016, in staat om afwegingen en een keuze te maken.

Verzoekster heeft geen verklaring van een medisch deskundige overgelegd, en uit de rapportages van de bedrijfsarts blijkt niet van ontoerekenbaarheid.

8.5

De voorzieningenrechter concludeert dat uit verzoeksters uitdrukkelijke verklaringen blijkt dat gedraging (5) haar als plichtsverzuim kan worden toegerekend, en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gedragingen (1) tot en met (4) haar niet als plichtsverzuim kunnen worden toegerekend. Er is dan ook geen aanleiding om, zoals verzoekster gevraagd heeft, het college op te dragen om een medisch onderzoek door een deskundige te laten instellen.

8.6

Nu sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim was het college bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

9.1

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het plichtsverzuim.

9.2

De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat het namaken van een collegebesluit, het voor echt laten doorgaan van dat besluit en het zwijgen over de gemaakte fout ernstig plichtsverzuim opleveren. Door verzoeksters handelen is haar integriteit als gemeenteambtenaar aangetast. Haar handelen raakt ook de integriteit van het college en de gemeente. De echtheid van collegebesluiten dient immers onder alle omstandigheden boven iedere twijfel verheven te zijn. Dat verzoeksters handelen in dit geval niet tot (ernstige) gevolgen heeft geleid speelt daarbij geen rol, temeer niet nu dat niet aan verzoekster te danken is. Dat verzoeksters handelen niet was gericht op het behalen van persoonlijk voordeel, maakt dit niet anders.

9.3

Het lijdt geen twijfel dat het ontslagbesluit tot ernstige financiële gevolgen leidt voor verzoekster en haar gezin. Daarin, en in wat verzoekster verder heeft aangevoerd, ligt geen aanleiding om stafontslag niet evenredig te achten aan het plichtsverzuim.

10. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

11. Voor een proceskostenveroordeling of een veroordeling tot schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.