Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5470

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3565
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:495, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 31a, tweede lid, aanhef en onderdeel e, Wet LB en art. 10e en 10ea, tweede lid, Uitvoeringsbesluit LB; 30%-regeling. 24-maandstoets.

Belanghebbende, van buitenlandse afkomst, is in 2011 voor studiedoeleinden gekomen naar een stad die op minder dan 150 kilometer van Nederland ligt. Na afronding van zijn studie heeft hij tijdelijk in die stad gewerkt alvorens hij in dienst is getreden bij een Nederlandse werkgever. In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de 30%-regeling. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende is aangeworven uit het buitenland in de zin van art. 10e, tweede lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit. Wat partijen verdeeld houdt, is of belanghebbende voldoet aan de voorwaarde dat hij gedurende meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland buiten de zogenaamde 150-kilometergrens woonde (hierna: ‘24 maandstoets’). Naar het oordeel van de rechtbank moet dit worden getoetst aan de hand van het woonplaatsbegrip van artikel 4 van de AWR. De bewijslast dat hij aan de ‘24 maandstoets’ voldoet, rust op belanghebbende. Hij slaagt daarin niet. Anders dan belanghebbende bepleit, is irrelevant of ook sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen belanghebbende en zijn land van herkomst. Toepassing van de 30%-regeling is terecht geweigerd. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 31a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-03-2019
V-N Vandaag 2019/684
FutD 2019-0822
NTFR 2019/842
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/3565

uitspraak van 16 augustus 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 26 april 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking (met kenmerk [nummer] ) waarbij is beslist op het verzoek om toepassing van de 30%-regeling als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) in samenhang met artikel 10ea van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). Deze regeling wordt hierna aangeduid als de 30%-regeling.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018 in Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende zijn gemachtigde [gemachtigde] , verbonden aan [kantoornaam gemachtigide] in Haarlem, en namens de inspecteur, [verweerder] , [verweerder] en [verweerder] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende, geboren op [datum] 1989 in India , is op [datum] 2011 voor studiedoeleinden naar [woonplaats ] ( Duitsland ) gekomen. Op [datum] 2014 behaalde hij zijn Master [studierichting] aan de [naam school] in [woonplaats ] ( [naam school] ).

2.2.

Vanaf [datum] 2014 tot en met [datum] 2015 was belanghebbende in dienst bij de [naam werkgever 1] in [woonplaats ] (hierna: [naam werkgever 1] ).

2.3.

Sinds [datum] 2015 is belanghebbende in Nederland in loondienst bij [naam werkgever 2] (hierna: de werkgever). Belanghebbende en de werkgever zijn daartoe op [datum] 2015 een arbeidsovereenkomst aangegaan.

2.4.

Zowel tijdens zijn studie in Duitsland als tijdens zijn dienstverband bij [naam werkgever 1]

(zie 2.1 en 2.2) beschikte belanghebbende over een woonruimte aan de [adres blh] in [woonplaats ] . Sinds [datum] 2015 heeft belanghebbende zich bij de gemeente [woonplaats ] uitgeschreven als inwoner en sinds [datum] 2016 staat hij ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) met een woonadres in Nederland .

2.5.

Op 31 augustus 2016 hebben belanghebbende en de werkgever een pro forma verzoek gedaan om toepassing van de 30%-regeling per 1 september 2016 (hierna: het verzoek). Belanghebbende en de werkgever hebben het verzoek met dagtekening 21 oktober 2016 nader onderbouwd. Met dagtekening 17 januari 2017 heeft de inspecteur afwijzend op het verzoek beslist.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur deze afwijzende beschikking gehandhaafd.

2.7.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de 30%-regeling.

2.8.

Artikel 31a, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet LB (tekst 2016), luidt als volgt:

“2. De verschuldigde belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, wordt bepaald naar een tarief van 80%, met dien verstande dat deze vergoedingen en verstrekkingen worden verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met 1,2% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven, alsmede met vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, ter zake of in de vorm van:

(…)

e. extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking (extraterritoriale kosten), met dien verstande dat voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden, onder daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van herkomst – voor van buiten Nederland in dienstbetrekking genomen werknemers gedurende ten hoogste acht jaar – ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden;”

Ingevolge art. 10e, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2016) wordt verstaan onder:

“a. extraterritoriale werknemers: ingekomen werknemers en uitgezonden werknemers;

b. ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de wet:

1°. met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; en

2°. die in meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland woonachtig was op een afstand van meer dan 150 kilometer van de grens van Nederland exclusief de territoriale zee van Nederland en de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone.”

2.9.

Vast staat dat belanghebbende op het moment van totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de werkgever nog geen woonplaats in Nederland had in de zin van artikel 4 van de AWR. Partijen zijn het er daarom terecht over eens dat belanghebbende door de werkgever ‘uit het buitenland is aangeworven’ in de zin van artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, aanhef, van het Uitvoeringsbesluit (vgl. ov. 3.4 van Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4065, BNB 2006/265).

Wat partijen verdeeld houdt, is of belanghebbende voldoet aan de in artikel 10e, tweede lid, onderdeel b ten tweede, van het Uitvoeringsbesluit genoemde voorwaarde dat hij gedurende meer dan twee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan de aanvang van de tewerkstelling in Nederland buiten de zogenaamde 150-kilometergrens woonde. Nu vaststaat dat de tewerkstelling in Nederland is aangevangen op [datum] 2015 en [woonplaats ] binnen de zogenaamde 150-kilometergrens is gelegen, betekent dit dat geen recht op toepassing van de 30%-regeling bestaat indien de woonplaats van belanghebbende in de periode [datum] 2013 tot [datum] 2015 gedurende meer dan 8 maanden (een derde van 24 maanden) [woonplaats ] is geweest.

2.10.

Blijkens ov. 3.4 van het in 2.9 genoemde arrest moet de vraag of iemand uit het buitenland is aangeworven worden vastgesteld aan de hand van het woonplaatsbegrip in de zin van artikel 4 van de AWR. De rechtbank ziet geen reden om voor de zogeheten ‘24 maandstoets’ van een ander woonplaatsbegrip uit te gaan. Dit betekent dat bij de beantwoording van de voorliggende vraag het naar het oordeel van de rechtbank gaat om de woonplaats in de zin van artikel 4 van de AWR. In artikel 4, eerste lid, van de AWR is opgenomen dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar iemand woont. De bepaling van de fiscale woonplaats moet aan de hand van de feitelijke omstandigheden worden bepaald. Dit betekent dat niet het civiele recht en formele criteria, zoals inschrijvingen in gemeentelijke registers, beslissend zijn, maar de materiële werkelijkheid. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

2.11.

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat belanghebbende in dit geval gebruik wil maken van een gunstige regeling, rust de bewijslast dat hij in de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2015 gedurende meer dan 16 maanden buiten de 150-kilometergrens woonde op hem.

2.11.1.

Belanghebbendes stelling komt er in de kern op neer dat hij niet eerder dan rond december 2015 binnen de 150-kilometergrens woonde, omdat zijn banden met India tot dat moment sterker waren dan zijn banden met Duitsland ( [woonplaats ] ). Hij woonde daarom tot die tijd in India , aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft daartoe onder meer gewezen op de tijdelijke aard van zijn verblijf in Duitsland, het tijdelijke karakter van zijn dienstverband bij [naam werkgever 1] in Duitsland, het tijdelijke karakter van zijn werk- en verblijfvergunning in Duitsland, zijn stageverblijf in India medio 2013, zijn destijds nog in India wonende vriendin, zijn bezit van onroerend goed in India , de gezamenlijke Indiase bankrekening van belanghebbende en zijn moeder, de lening die hij bij een Indiase bank is aangegaan, zijn Indiase ziektekostenverzekering en het jaarlijkse bezoek aan zijn Indiase tandarts in de periode van 2012 tot en met 2015. Volgens belanghebbende verleggen buitenlandse studenten bovendien in algemene zin minder dan Nederlandse studenten hun sociale leven naar hun studentenstad (in dit geval: [woonplaats ] ). Zijn sollicitaties bij buitenlandse bedrijven onderstrepen dat hij tot december 2015 nog niet had gekozen om in Duitsland dan wel elders binnen de

150-kilometergrens te blijven, aldus belanghebbende.

2.11.2.

De inspecteur stelt zich daartegenover op het standpunt dat belanghebbende sinds de start van zijn studie tot aan de tewerkstelling bij de werkgever in [woonplaats ] woonde en dus binnen de 150-kilometergrens. Hij heeft daartoe met name gewezen op de woonruimte waarover belanghebbende aldaar sinds de aanvang van zijn studie in 2011 beschikte en waar hij – afgezien van enkele retourvluchten en een stage in India medio 2013 – tot aan zijn verhuizing naar Nederland verbleef (zie 2.4).

2.11.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende met alles wat hij in dit verband heeft aangevoerd, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat hij in de in 2.9 genoemde periode gedurende meer dan 16 maanden in India of anderszins buiten de 150-kilometergrens woonde. De rechtbank acht onvoldoende weerlegd dat belanghebbende in de periode tussen [datum] 2013 en [datum] 2015 zijn woonplaats in de zin van artikel 4 van de AWR in Duitsland had. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende aldaar over een woonruimte beschikte, waar hij gedurende deze periode ook verbleef, en dat hij aldaar achtereenvolgens studeerde en werkte. Verder merkt de rechtbank op dat belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2015 zelf ook Duitsland heeft genoemd als zijn woonplaats voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 november 2015. Alles wat belanghebbende hiertegenover heeft aangevoerd, zoals de tijdelijkheid en onzekerheid van zijn dienstverband bij [naam werkgever 1] , de aanwezigheid van zijn vriendin in India en het vastgoedbezit aldaar, rechtvaardigen geen andersluidend oordeel. Al die omstandigheden kunnen hoogstens tot de slotsom leiden dat er ook een duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen belanghebbende en India ; zij doen niets af aan de aanwezigheid van de duurzame band van persoonlijke aard die er bestond tussen belanghebbende en [woonplaats ] .

Voor belanghebbendes stelling dat voor de toepassing van de 30%-regeling maatgevend is met welk land die duurzame band het sterkst is, ontbreekt een juridische grondslag. Voor zover belanghebbende zich daarbij beroept op het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3167, BNB 2008/309, berust zijn stelling op een onjuiste lezing van het arrest.

2.11.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is belanghebbende niet erin geslaagd feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat hij kwalificeert als ingekomen werknemer als bedoeld in artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit. Alle jurisprudentie waarnaar belanghebbende in zijn stukken en ter zitting heeft verwezen, rechtvaardigt geen ander oordeel. De inspecteur heeft de toepassing van de 30%-regeling dan ook terecht geweigerd.

2.12.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 16 augustus 2018 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.