Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5469

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1627
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3, eerste lid, art. 17, tweede lid en art. 33, eerste lid, van de Wet MRB; bestelautotarief; inrichtingseisen; naheffing.

Tijdens een controle is geconstateerd dat belanghebbende een overkapping met ruiten aan de rechter- en linkerzijde heeft aangebracht op de laadbak van zijn open wagen. De rechtbank oordeelt dat de auto daardoor niet aan de gestelde inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet en ook niet aan de voorwaarden voor toepassing van herstelbeleid, zodat het verschil tussen het bestelautotarief en het personenautotarief terecht is nageheven. De stellingen van belanghebbende dat de overkapping slechts als lading van de open wagen moet worden aangemerkt, dat de auto op de controledatum niet op de openbare weg stond en dat de inspecteur verzuimd heeft te bewijzen dat de auto geen grote bestelauto is, falen. Het beroep van belanghebbende op het Kaderbesluit faalt eveneens omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van dat besluit. De boete van € 2.574 wordt in verband met disproportionaliteit ten opzichte van de ernst van het beboetbare feit gematigd tot € 1.500. De rechtbank ziet daarbij een verzachtende omstandigheid in het gegeven dat belanghebbende de overkapping heeft aangebracht in een periode waarin de auto vrijgesteld was van motorrijtuigenbelasting. Toen die vrijstelling jaren later is komen te vervallen, had belanghebbende zich moeten vergewissen of de auto (nog) voldeed aan de inrichtingseisen voor het lage tarief voor bestelauto’s voor ondernemers. Het ten onrechte toepassen van het lage bestelautotarief levert het risico van concurrentieverstoring op.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 3
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 17
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-02-2019
V-N Vandaag 2019/457
FutD 2019-0616
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/1627

uitspraak van 16 augustus 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [Woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 10 februari 2017 op het bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem over het tijdvak van 6 september 2015 tot en met 5 september 2016 opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van € 2.574 (aanslagnummer [aanslagnummer] ) en de daarbij bij beschikking opgelegde verzuimboete van eveneens € 2.574.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018 in Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en namens de inspecteur, [verweerder] en

[verweerder] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking;

  • -

    vermindert de boete tot € 1.500;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 508;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is vanaf 10 augustus 2002 houder van een auto van het merk en type Chevrolet K30 met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De uitvoeringsvorm van de inrichting van de auto is volgens de via www.rdw.nl te raadplegen voertuiggegevens: open wagen. De datum van eerste toelating is 28 februari 1985. De datum van afgifte van het kentekenbewijs deel I is 6 maart 1998. Belanghebbende heeft voor de motorrijtuigenbelasting het bestelautotarief van artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) betaald.

2.2.

Tijdens een controle op 12 juli 2016 is op het industrieterrein Panningen in Panningen geconstateerd dat de laadbak van de auto was voorzien van een overkapping met zowel ruiten aan de rechterzijde als ook aan de linkerzijde. Belanghebbende heeft deze overkapping aangebracht in 2010. De overkapping is ongeveer even hoog als de cabine van de auto en dus niet meer dan 25 centimeter hoger dan de cabine. Omdat de auto door deze overkapping volgens de inspecteur niet (meer) kwalificeerde als bestelauto maar als personenauto, is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is het verschil tussen het bestelautotarief en het personenautotarief nageheven en bij gelijktijdige beschikking een verzuimboete opgelegd.

2.3.

Bij uitspraken op bezwaar van 10 februari 2017 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

2.4.

In geschil is of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

Naheffingsaanslag

2.5.

Van belang is te beoordelen of de auto door de in 2.2 beschreven overkapping van de laadbak (nog) voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet MRB. Als de auto namelijk een bestelauto is in voornoemde zin, dan is de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende opgelegd. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994 wordt ingeval een open laadbak van een motorrijtuig van het type pick-up is voorzien van een al dan niet eenvoudig te demonteren overkapping, de laadruimte in aanmerking genomen met gesloten overkapping, tenzij deze overkapping slechts bestaat uit een platte deksel die direct op de opstaande zijkanten van de laadbak is geplaatst. Blijkens de foto’s in het procesdossier en hetgeen partijen eensluidend hebben verklaard over de hoogte van de overkapping (zie 2.2) is geen sprake van een platte deksel, maar van een overkapping die ongeveer even hoog is als de cabine van de auto. Nu de overkapping op de controledatum was voorzien van zowel ruiten aan de rechterzijde als ook aan de linkerzijde, is de rechtbank van oordeel dat de auto niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, ten derde, van de Wet MRB.

2.6.

Belanghebbende heeft betoogd dat met de overkapping niets anders dan een lading is aangebracht. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. De foto’s als ook hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, wijzen uit dat de overkapping dient ter bescherming van belanghebbendes gereedschap en materialen. De overkapping is onder die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen lading in de gangbare betekenis van ‘vracht’ (vgl. ook r.o. 4.4 slot van de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 6 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1524).

2.7.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat, nu sprake is van een pick-up, de auto voor toepassing van het bestelautotarief niet hoeft te voldoen aan de eisen met betrekking tot de hoogte van de laadruimte en de aanwezigheid van ten hoogste één zijruit. Hij verwijst daartoe naar de paragrafen 2.3.2 en 2.3.2.1 van het Kaderbesluit Motorrijtuigenbelasting van 23 november 2015 (nr. BLKB2015/1381M ) (hierna: het Kaderbesluit). De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. In het Kaderbesluit wordt een pick-up in voornoemde zin namelijk gedefinieerd als een bestelauto waarvan de laadbak niet is overkapt. Gelet op het overwogene in 2.5 en 2.6 is de auto daarom geen pick-up (meer) volgens de definitie van het Kaderbesluit.

2.8.

Ook heeft belanghebbende, niet eerder dan ter zitting, betoogd dat de inspecteur niet met bewijsstukken heeft onderbouwd waarom in dit geval geen sprake zou zijn van een grote bestelauto in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet MRB. Als namelijk sprake is van een grote bestelauto, dan geldt niet de eis dat de auto ten hoogste één zijruit aan de rechterzijde van de laadbak mag hebben. In dat geval zou de auto wel voldoen aan de inrichtingseisen die zijn gesteld in artikel 3, eerste lid, van de Wet MRB, aldus belanghebbende. De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft niet gesteld dat zijn auto voldoet aan de inrichtingseisen die gesteld worden aan een grote bestelauto, maar dat de inspecteur verzuimd heeft bewijs bijeen te brengen voor de stelling dat van een grote bestelauto geen sprake is. Gelet op de typeaanduiding van de auto en de door de inspecteur overgelegde foto’s is de inspecteur er naar het oordeel van de rechtbank in geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot de afmetingen van de laadruimte niet is voldaan aan de inrichtingseisen van een grote bestelauto. Belanghebbendes betoog faalt daarom.

2.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen voldeed de auto niet (meer) aan de inrichtingseisen voor een bestelauto en mocht de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen gelet op artikel 17, tweede lid, van de Wet MRB in samenhang met artikel 33, eerste lid, van de Wet MRB. De inspecteur heeft daarbij terecht nageheven over een tijdsduur van vier tijdvakken (artikel 33, tweede lid, van de Wet MRB). De naheffingsaanslag is daarmee ook naar het juiste bedrag opgelegd.

2.10.

Belanghebbende heeft gesteld dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd vanwege een onjuiste vermelding op het controleformulier. Daarop staat namelijk dat de auto tijdens de controle niet is aangetroffen op de openbare weg. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de in 2.9 genoemde wetsartikelen is voor naheffing niet vereist dat de auto wordt aangetroffen op de openbare weg. Overigens merkt de rechtbank op dat artikel 5 van de Wet MRB een ruim begrip ‘openbare weg’ kent en dat ook de parkeerplaats waar de auto blijkens de controlefoto’s is aangetroffen daaronder valt. Voornoemde vermelding op het controleformulier, kan – wat er ook zij van de juistheid van deze vermelding – anders dan belanghebbende meent, dan ook niet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Dat belanghebbende de auto alleen zakelijk (heeft) gebruikt, en daarmee naar eigen zeggen, handelt in de geest van de wet, geeft evenmin aanleiding tot vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag.

2.11.

Belanghebbende heeft aangegeven dat hij het redelijk zou vinden om hem in de gelegenheid te stellen de auto (weer) aan de vereisten van een bestelauto te laten voldoen. Hij verwijst in dit verband naar paragraaf 2.6 van het Kaderbesluit. Voor toepassing van dit herstelbeleid gelden cumulatieve voorwaarden. Zo mag, voorafgaand aan het herstel, de linkerzijde van het motorrijtuig geen zijruiten hebben en de rechterzijde van de laadruimte niet meer dan één ruit. Nu de auto niet aan deze voorwaarden voldoet (zie 2.2), is de rechtbank van oordeel dat geen beroep kan worden gedaan op toepassing van het herstelbeleid.

Verzuimboete

2.12.1.

De verzuimboete is opgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 33 van de Wet MRB in samenhang met artikel 37 van de Wet MRB en artikel 67c van de AWR en met inachtneming van paragraaf 34, tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De rechtbank stelt voorop dat de motorrijtuigenbelasting een aangiftebelasting is en dat de houder van een motorrijtuig verantwoordelijk is voor het doen van de juiste aangifte. Dit brengt mee dat belanghebbende als houder van de auto niet alleen bij de aanschaf van de auto maar ook later – bij het aanbrengen van de overkapping of vervallen van de ‘oldtimervrijstelling’ (zie 2.12.2) – zich ervan had moeten vergewissen of de auto (nog) voldeed aan de inrichtingseisen die de fiscale wetgeving stelt aan de gebruikmaking van de regeling om in aanmerking te komen voor het lage tarief voor bestelauto’s voor ondernemers. Van een belastingplichtige die gebruik wil maken van een gunstige regeling mag worden verwacht dat hij zich voorafgaande aan het belastbare feit laat informeren door de juiste fiscale instantie en dat hij zich bij onduidelijkheden extra inspanningen getroost om de reikwijdte van die regeling te doorgronden. Feiten en omstandigheden op grond waarvan aannemelijk zou kunnen zijn dat belanghebbende dergelijke inspanningen heeft verricht, zijn gesteld noch gebleken. Van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt is in dit geval geen sprake.

2.12.2.

Over de hoogte van de boete overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op alle omstandigheden van het geval acht de rechtbank een boete van € 2.574 disproportioneel in verhouding tot de ernst van het beboetbare feit. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de kap in 2010 op de auto is aangebracht en de rechtbank, mede gezien de ouderdom van de auto (zie 2.1), geloof hecht aan de verklaring van belanghebbende ter zitting dat op dat moment voor de heffing van motorrijtuigenbelasting de – op 1 januari 2014 gewijzigde ‘oldtimervrijstelling’ – nog op deze auto van toepassing was. In het gegeven dat belanghebbende de kap aldus heeft aangebracht in een periode waarin hij voor de auto geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd was, ziet de rechtbank een verzachtende omstandigheid. Gelet daarop acht de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in dit geval een boete van € 1.500 passend en geboden. Voor een verdere vermindering van de boete ziet de rechtbank, gelet op het bedrijfsmatige gebruik van de auto en de mogelijke concurrentieverstoring die daardoor kan optreden, geen aanleiding.

Conclusie en proceskosten

2.13.

Gelet op het overwogene in 2.12 is het beroep gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de boetebeschikking en voor het overige ongegrond verklaard.

2.14.

Nu het beroep (deels) gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de reiskosten tot een bedrag van € 28 op basis van het openbaar vervoer tweede klasse en om een vergoeding van de verletkosten tot een bedrag van € 480 (8 uren maal € 60) voor het bijwonen van de zitting. De inspecteur heeft ter zitting verklaard akkoord te gaan met de reiskosten, maar volgens de inspecteur moeten de verletkosten worden vastgesteld op maximaal € 240 (4 uren maal € 60). Anders dan de inspecteur acht de rechtbank een verletkostenvergoeding voor een periode van 8 uren in dit geval redelijk gelet op het zittingstijdstip, de zittingsduur, belanghebbendes reistijd van en naar de zitting, de aard van belanghebbendes bedrijfsactiviteiten en de reistijd naar de plaats waar hij zijn werkzaamheden uitoefent. Nu de inspecteur het door belanghebbende gestelde uurtarief niet heeft betwist, stelt de rechtbank de verletkosten daarom vast op € 480. Gelet op het voorgaande wordt de inspecteur veroordeeld de reis- en verletkosten te vergoeden tot een bedrag van € 508 (€ 28 + € 480). Voor een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding, aangezien niet is gesteld dan wel is gebleken dat daarom is verzocht vóór het doen van de uitspraken op bezwaar (artikel 7:15, derde lid, van de Awb).

Deze uitspraak is gedaan op 16 augustus 2018 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.