Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5404

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
02/820789-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van de primair ten laste gelegde doodslag in verband met het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op het doden van het slachtoffer. Daarbij speelt vooral een rol dat niet kan worden vastgesteld hoe hard verdachte het slachtoffer tegen zijn hoofd heeft geslagen met de stofzuigerbuis en of deze impact het fatale letsel heeft veroorzaakt.

Vrijspraak voor het subsidiair ten laste gelegde opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte opzet heeft gehad, ook niet in de zin van voorwaarde¬lijk opzet, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan Vriends. Verdachte heeft een geslaagd beroep op noodweer gedaan. Met de term “mishandeling” in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht wordt mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking gebracht. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte met vrucht een beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer heeft gedaan, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat de gedragingen van verdachte als wederrechtelijk en daarmee als mishandelend kunnen worden gezien. Vrijspraak van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820789-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 september 2018

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1989 te [Geboorteplaats]

wonende [Adres verdachte]

raadsman mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 augustus 2018, waarbij de officier van justitie, mr. Vroombout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

In de tenlastelegging is voor de opgave van het feit volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie vordert de tenlastelegging alsnog in overeenstemming te brengen met de in het eerste en tweede lid van dat artikel gestelde eisen. De officier van justitie legt de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de rechtbank over, met vordering dat deze zullen worden toegelaten. De rechtbank wijst, gehoord de raadsman van verdachte, de vordering toe en stelt vast dat de tenlastelegging zodanig is gewijzigd dat verdachte terecht staat, ter zake dat:

hij op of omstreeks 8 juli 2017 te Rijsbergen, gemeente Zundert, opzettelijk

[Slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat

opzet, meermalen, althans eenmaal, met kracht met een buis/staaf, althans een

(langwerpig, hard) voorwerp op/tegen het hoofd van die [Slachtoffer] geslagen,

althans met kracht uitwendig mechanisch vlak botsend geweld op/tegen het hoofd

van die [Slachtoffer] uitgeoefend/aangewend, tengevolge waarvan die [Slachtoffer] is

overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 juli 2017 te Rijsbergen, gemeente Zundert, aan [Slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een ruptuur van de

linker nekslagader en/of onderhuidse/subarachnoidale bloedingen en/of een

herseninklemming, heeft toegebracht, door dat hij verdachte die [Slachtoffer] met

dat opzet, meermalen, althans eenmaal, met kracht met een buis/staaf, althans

een (langwerpig, hard) voorwerp op/tegen het hoofd van die [Slachtoffer] heeft

geslagen, althans met kracht uitwendig mechanisch vlak botsend geweld op/tegen

het hoofd van die [Slachtoffer] heeft uitgeoefend/aangewend, terwijl het feit de

dood ten gevolge heeft gehad;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 juli 2017 te Rijsbergen, gemeente Zundert, [Slachtoffer]

heeft mishandeld door die [Slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht met

een buis/staaf, althans een (langwerpig, hard) voorwerp op/tegen het hoofd van

die [Slachtoffer] te slaan, althans met kracht uitwendig mechanisch botsend geweld

op/tegen het hoofd van die [Slachtoffer] uit te oefenen/aan te wenden, terwijl het

feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Aan de raadsman van verdachte wordt een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen uitgereikt omdat de rechtbank van oordeel is dat daarmee kan worden volstaan. Met toestemming van de raadsman van verdachte wordt het onderzoek op de zitting direct voortgezet.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde (doodslag) en het subsidiair ten laste gelegde (zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend), doordat niet met zekerheid kan worden vastgesteld welk – bij het slachtoffer aangetroffen – letsel door de klap (met de stofzuigerbuis) is veroorzaakt en welk letsel door de val is veroorzaakt. Nu niet kan worden vastgesteld welk letsel door de klap met de stofzuigerbuis/stang is veroorzaakt en het aangetroffen letsel verschillend van aard is (oppervlakkige scheur tegenover een grote diepe onderhuidse bloeding), kan evenmin worden vastgesteld met hoeveel kracht verdachte het slachtoffer op/tegen het hoofd heeft geslagen. Gelet daarop kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer of op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door deze met een buis/staaf tegen het hoofd te slaan, als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Het fatale letsel is ontstaan door de klap zelf of als gevolg van de val, waarmee sprake is van causaliteit, waarbij de officier van justitie ervan uit gaat dat het slachtoffer niet meer stond toen verdachte de woning verliet. De officier van justitie baseert zich daarbij op verklaringen van buurtbewoners, de tapgesprekken van [Naam 1] met zijn moeder op 9 juli 2017 en Slachtofferhulp Nederland op 14 juli 2017, de verklaring van [Naam 2] en het OvC gesprek in de PI waaruit blijkt dat verdachte zelf ook uitging van een ernstig feit.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primaire en subsidiaire ten laste gelegde en wijst daarbij op de omstandigheid dat het dossier geen bewijs bevat om tot (voorwaardelijk) opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te komen. Van de omstandigheid dat verdachte op de koop zou hebben toegenomen dat de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer door zijn handelen dusdanig letsel zou oplopen dat hij daardoor zou kunnen komen te overlijden, is geen sprake volgens de raadsman. Verdachte heeft immers een lichte tik gegeven met een voorwerp dat hol (niet massief) en niet zwaar was. Doordat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met kracht heeft geslagen tegen het hoofd van het slachtoffer, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de opzet was gericht op het aanbrengen van letsel, laat staan op de dood van het slachtoffer.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [Naam 3] , [Naam 1] , [Naam 2] en verdachte uiteenlopen zodat niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd in de woning op de bewuste avond. Bovendien heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van getuige [Naam 2] niet betrouwbaar zijn, doordat deze bol staan van aannames.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde (de mishandeling, de dood ten gevolg hebbend) heeft de verdediging vrijspraak bepleit nu sprake was van een handelen door verdachte uit noodweer/noodweerexces, zodat van een mishandeling geen sprake kan zijn.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er op 8 juli 2017 in hun woning aan de [Straatnaam 1] een ruzie heeft plaatsgevonden tussen [Naam 3] en het slachtoffer, [Slachtoffer] , waarbij werd geschreeuwd en met diverse spullen, zoals glazen en bloempotten, werd gegooid. De ruzie liep dusdanig uit de hand dat [Naam 3] meerdere personen heeft gebeld om te komen helpen. Een van die personen was haar zoon, verdachte, die op dat moment op een feestje in Breda was. Nadat [Naam 3] tegen verdachte had gezegd dat hij moest komen omdat “het oorlog was”, is verdachte samen met een vriend, [Naam 1] , naar de woning aan de [Straatnaam 1] gegaan. Daar trof hij complete chaos en een dronken en agressieve [Slachtoffer] aan. Verdachte heeft geprobeerd om [Slachtoffer] te kalmeren, maar is daarin niet geslaagd. Er ontstond een handgemeen, een worsteling tussen verdachte en [Slachtoffer] , waarbij [Slachtoffer] verdachte een klap tegen zijn oor gaf. Verdachte heeft vervolgens een stofzuigerbuis van de grond gegrist en [Slachtoffer] daarmee tweemaal geslagen; eenmaal tegen het been, ter hoogte van zijn knie, en eenmaal tegen het hoofd.

Onduidelijk is wat er vervolgens is gebeurd in de woning, dus nadat verdachte de klap tegen het hoofd van [Slachtoffer] heeft gegeven. De verklaringen hieromtrent lopen namelijk uiteen. Vaststaat in ieder geval dat de verbalisanten [Naam 4] , [Naam 5] en [Naam 6] – die in reactie op een 112-melding van de buren kort daarop ter plaatse zijn gekomen – [Slachtoffer] in kritieke toestand in de woning hebben aangetroffen. [Slachtoffer] lag met zijn hoofd in een onnatuurlijke houding op de voetensteun van een barkruk en zag er grauw uit. Nadat verbalisant [Naam 5] had geconstateerd dat [Slachtoffer] niet meer ademde, is men met reanimeren begonnen waarna [Slachtoffer] naar het ziekenhuis is overgebracht. Doordat de toestand van [Slachtoffer] in het ziekenhuis geen verbetering vertoonde, is op 10 juli 2017 besloten om de kunstmatige beademing te beëindigen. [Slachtoffer] is diezelfde dag overleden.

Verdachte heeft verklaard dat hij – nadat hij een lichte tik tegen de kin van [Slachtoffer] met de stofzuigerbuis had gegeven – zag dat de agressiviteit van [Slachtoffer] stopte en hij wazig en een beetje hol uit zijn ogen keek. Op dat moment is verdachte naar buiten gevlucht, waarbij hij nog tegen zijn moeder heeft geschreeuwd dat het allemaal haar schuld was, en bij [Naam 1] in de auto gestapt. Verdachte ontkent in de woning aanwezig te zijn geweest op het moment dat [Slachtoffer] ten val kwam. Zijn verklaring vindt steun in de verklaring van [Naam 3] , die heeft verklaard dat er tussen [Slachtoffer] en verdachte een handgemeen is begonnen, dat verdachte [Slachtoffer] een klap heeft gegeven en vervolgens is vertrokken uit de woning. [Slachtoffer] zou daarna zijn gestruikeld en gevallen over losse voorwerpen op de grond, waarbij hij met zijn hoofd tegen het kookeiland is gevallen en vervolgens met zijn hoofd op de barkruk terecht is gekomen.

Getuige [Naam 1] heeft verklaard dat hij bij de deur stond en verdachte en zijn moeder zag. Vervolgens ging, aldus [Naam 1] , “het verhaal de hoek om, de keuken in”, waardoor [Naam 1] er geen zicht meer op had. [Naam 1] hoorde de stemmen van verdachte, [Naam 3] en [Slachtoffer] in de woning. Het was veel schelden en schreeuwen, hij kon niet verstaan wat er precies werd gezegd. Het leek wel een woede uitbarsting. Hij begreep hieruit dat het flink uit de hand liep. Na een minuut of twee kwam verdachte weer naar buiten. [Naam 1] zag dat verdachte helemaal was doorgedraaid, het leek wel alsof hij in shock was. Hij hoorde dat verdachte tegen zijn moeder aan het schreeuwen was en dat verdachte zijn moeder de schuld gaf over wat er binnen gebeurd was. [Naam 1] heeft verdachte vervolgens vastgepakt en meegenomen naar de auto. Uit het open raam heeft verdachte nog tegen zijn moeder geschreeuwd. [Naam 1] heeft verklaard dat hij de neiging had om verdachte daar zo snel mogelijk weg te krijgen en daardoor heel snel is weggereden. [Naam 1] had verdachte nog nooit zo gezien en vond het heel beangstigend. Toen verdachte bij [Naam 1] in de auto zat, keek hij heel anders uit zijn ogen dan normaal en was er geen gesprek met hem te voeren, hij was totaal in paniek en is nog zeker drie kwartier overstuur geweest.

Getuige [Naam 7] , de buurvrouw van [Straatnaam 2] , heeft verklaard dat zij een ruzie hoorde bij de buren van [Straatnaam 1] . Zij hoorde drie stemmen, twee mannenstemmen en een vrouwenstem. Toen zij in de tuin aan het werk was, hoorde zij dat er gegooid werd met spullen. Zij hoorde glasgerinkel, gestommel en herrie. Toen zij door de spleten van de schutting keek zag ze de buurman, die heel verbaal was, en de buurvrouw die heel rustig bleef. De derde stem, een mannenstem, was continue aan het sussen. De ruzie was nog bezig toen zij een mannenstem in paniek hoorde roepen “Help hem, help hem”. Vervolgens hoorde zij een vrouwenstem zeggen “Nee, ik help hem niet” en daarna was het doodstil. [Naam 7] is toen 112 gaan bellen en hoorde een auto met piepende banden wegrijden.

Ook getuige [Naam 8] heeft verklaard gehoord te hebben dat een mannenstem riep “help hem, help hem” en dat een vrouw riep “Nee, ik help hem niet” en dat het daarna stil was. Vervolgens zag hij aan de voorzijde van de woning een klein wit autootje wegscheuren met twee personen erin.

Getuige [Naam 2] heeft verklaard dat hij van verdachte heeft gehoord dat verdachte naar binnen is gegaan en [Slachtoffer] één of twee keer met iets heeft geslagen, dat hij op dat moment voorhanden had, waarbij hij hem op het hoofd heeft geraakt. [Slachtoffer] zou door de slag gelijk knock-out zijn gegaan en ergens tegen aan gevallen zijn, en toen zijn verdachte en [Naam 1] weggegaan. Verdachte zou er verder niet teveel over willen praten, maar had wel gezegd “Als ik eraan terugdenk word ik er misselijk van”. [Naam 2] heeft tevens verklaard van [Naam 1] gehoord te hebben dat hij in de deuropening is blijven staan en vanuit de woning stemmen heeft gehoord en dingen heeft horen vallen.

Ondanks dat de verdediging de verklaring van [Naam 2] in hoge mate onbetrouwbaar acht vanwege de eigen invulling die [Naam 2] aan een en ander geeft, acht de rechtbank zijn verklaring wel betrouwbaar. [Naam 2] heeft immers verklaard over specifieke details (een of twee keer slaan door verdachte met een voorwerp, het hoofd geraakt, waardoor [Slachtoffer] knock-out ging en in zijn val ergens tegenaan is gevallen), die enkel van verdachte of [Naam 1] afkomstig konden zijn, omdat [Naam 2] zelf niet in de woning aanwezig was op de bewuste avond. Details die bovendien – deels – bevestigd worden door de latere verklaringen van verdachte.

Gelet op de getuigenverklaring van [Naam 2] , in combinatie met het gedrag van verdachte – het in paniek de woning uit vluchten, het schreeuwen naar zijn moeder dat het allemaal haar schuld was, het met piepende banden wegrijden en vervolgens tien dagen ondergedoken blijven zitten – acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat verdachte de woning van zijn moeder en [Slachtoffer] al zou hebben verlaten voordat [Slachtoffer] ten val was gekomen. Het geheel aan verklaringen en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – schetst het beeld dat het die bewuste avond heel erg mis is gegaan in de woning aan de [Straatnaam 1] en dat verdachte juist daardoor op de vlucht sloeg. De verklaringen van de buren die een mannenstem in paniek hebben horen roepen “Help hem, help hem” en vervolgens een vrouwenstem “Nee, ik help hem niet”, waarna het doodstil werd in de woning ondersteunen een dergelijke lezing. Dat [Naam 3] [Slachtoffer] ook niet heeft geholpen, blijkt vervolgens weer uit de ongelukkige positie waarin de verbalisanten hem vervolgens in de woning hebben aangetroffen en het gegeven dat het negen minuten heeft geduurd na de 112-melding door getuige [Naam 7] voordat de verbalisanten ter plaatse waren. Kennelijk heeft [Naam 3] in die negen minuten geen aanstalten gemaakt om [Slachtoffer] op enige wijze te helpen.

Ook de verklaringen van [Naam 1] , zoals deze uit diverse tapgesprekken zijn gebleken, sluiten aan op deze situatie. In een tapgesprek tussen [Naam 1] en zijn moeder op 9 juli 2017 heeft [Naam 1] gezegd dat “hij erbij was, half binnen is geweest en alles heeft gezien”. In dit gesprek heeft [Naam 1] tevens gezegd dat “het echt in een opwelling is gebeurd en hij was zó zat en hij…Ooooh, alle verkeerde ingrediënten bij elkaar, (…) hier komt ‘ie niet mee weg met een paar maanden ofzo. Dit is echt, dit gaat jaren duren. Da’ kan niet anders, (…) Dat is gewoon moord”. In een tapgesprek tussen [Naam 1] en [naam] op 11 juli 2017 heeft [Naam 1] gezegd “Ja, ik was erbij.. bij…snap je? Ik kan niet helemaal…praten”. Uit deze tapgesprekken blijkt naar het oordeel van de rechtbank eveneens dat verdachte, maar ook [Naam 1] , weten wat zich heeft afgespeeld in de woning. Dit wordt ook ondersteund door een OvC-gesprek in de PI tussen verdachte, zijn tante [Naam 9] en [Naam 3] waarin verdachte over [Naam 1] zegt ”Hij weet t ook in principe…wij zijn met drieën die gewoon weten wie het precies gedaan heb, iedereen kan wel praten. Enzo.” waarop [Naam 3] reageert “twee officieel”. Dat verklaart ook waarom [Naam 1] verdachte uit de woning heeft getrokken, de neiging had om verdachte zo snel mogelijk daar weg te halen en vervolgens met piepende banden is weggereden.

De enkele omstandigheid dat [Naam 3] heeft verklaard dat verdachte niet in de woning was ten tijde van de val, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank. Gelet op het feit dat [Naam 3] steeds wisselend heeft verklaard over de rol van verdachte en heeft getracht recht te praten wat er is gebeurd, zoals vooral is gebleken uit een heimelijk opgenomen OvC-gesprek in de PI waarin [Naam 3] heeft gezegd “mag ik even zeggen dat mijn verklaring gewoon…gewoon de beste was die er was”, acht de rechtbank haar verklaring niet geloofwaardig of betrouwbaar.

Bovendien is verdachte op 8 juli 2017 naar de woning gegaan om zijn moeder te helpen, wetende dat [Slachtoffer] agressief was op dat moment. Dat verdachte vervolgens de woning weer zou hebben verlaten voordat [Slachtoffer] ten val was gekomen, omdat hij door [Slachtoffer] tegen zijn oor was geslagen, acht de rechtbank – ondanks het verleden van verdachte waarin hij is mishandeld door zijn stiefvader – niet geloofwaardig. In dat geval zou verdachte immers zijn moeder hebben achtergelaten in de situatie waarin de agressie en dreiging die van [Slachtoffer] afkwamen – en die voor [Naam 3] de reden waren geweest om de hulp van verdachte in te schakelen en voor verdachte juist de reden waren om te komen – nog aanwezig waren. Dit strookt niet met de verklaringen van verdachte en [Naam 1] dat verdachte al jaren de intensieve zorg voor zijn moeder draagt en dit ook, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, na opheffing van het voorarrest weer heeft voortgezet.

[Naam 10] van het Nederlands Forensisch Instituut heeft pathologisch onderzoek verricht op het lichaam van [Slachtoffer] . Uit het neuropathologisch onderzoek van de hersenen is gebleken dat er onder andere links achter het oor een uitgebreide onderhuidse bloeduitstorting met uitbreiding naar het achterste deel van de oorschelp, een bloeduitstorting in de spieren hoog in de nek, een zeer uitgebreide bloeduitstorting onder de weke hersenvliezen, voornamelijk aan de onderzijden van/rond de hersenstam en een iets rafelige, streepvormige huidperforatie met weefselbruggen en omgevende onderhuidse bloeduitstorting bij [Slachtoffer] zijn aangetroffen. Bij de sectie waren er tekenen van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch vlak botsend geweld links op het hoofd als gevolg waarvan zeer waarschijnlijk de bloeduitstorting in de spieren hoog in de nek is ontstaan. Een dergelijke geweldsinwerking, op de zijkant van het hoofd/hals, veroorzaakt een draaibeweging van het hoofd en vaak ook strekken van de hals en kan leiden tot traumatische beschadiging van de hals- en/of nekslagaders. Er werd een traumatische verscheuring (ruptuur) gevonden van de nekslagader links, die heeft geleid tot de bloeduitstorting onder de zachte hersenvliezen en tot het optreden van vaatafsluiting door een bloedstolsel. Het neuropathologische onderzoek toonde tekenen van gegeneraliseerd zuurstoftekort in de hersenen (hypoxische encefalopathie/herseninklemming).

Op basis van de resultaten van de uit- en inwendige schouwing heeft de arts/patholoog geconcludeerd dat [Slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen (met name herseninklemming) van een traumatische verscheuring (ruptuur) van de linker nekslagader opgetreden ten gevolge van botsend geweld op het hoofd/hals regio.

In een later rapport heeft de arts/patholoog op aanvullende vragen betreffende de sectie toegelicht dat de onderhuidse bloeduitstorting achter het linkeroor even waarschijnlijk veroorzaakt is door een slag met een rond slagvoorwerp, zoals bijvoorbeeld een stofzuigerbuis, als door de val met het hoofd op de voetsteun van de barkruk of door een willekeurig ander voorwerp. De kleine scheur in de linker nekslagader is volgens de arts eveneens even waarschijnlijk veroorzaakt door een slag, al dan niet met een slagvoorwerp, tegen de linkerzijde van het hoofd, als door de val met het hoofd op de voetsteun van de barkruk of op andere wijze. De iets rafelige, streepvormige huidperforatie met weefselbruggen links naast de middellijn net voor de kruin is waarschijnlijker veroorzaakt door een val tegen de rand van het kookeiland, een val op/tegen de barkruk of op andere wijze dan door een slag met een slagvoorwerp zoals bijvoorbeeld een stofzuigerbuis.

Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde doodslag is nodig dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden.

Op basis van de rapporten van de arts/patholoog concludeert de rechtbank dat [Slachtoffer] is overleden als gevolg van mechanisch botsend geweld tegen het hoofd. [Naam 10] heeft niet kunnen vaststellen dat het fatale letsel is veroorzaakt door de klap tegen het hoofd met een stofzuigerbuis, of door de val tegen het kookeiland, of de val op de voetsteun van de barkruk. Doordat niet is komen vast te staan welke impact op het hoofd van [Slachtoffer] het fatale letsel heeft veroorzaakt, kan evenmin worden vastgesteld hoe krachtig de klap was waarmee verdachte tegen het hoofd van [Slachtoffer] heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag omdat, op basis van het procesdossier en het onderzoek ter zitting, onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doden van [Slachtoffer] . Daarbij speelt vooral een rol dat niet kan worden vastgesteld hoe hard verdachte [Slachtoffer] tegen zijn hoofd heeft geslagen met de stofzuigerbuis en of deze impact het fatale letsel heeft veroorzaakt.

Het slaan met een voorwerp tegen het hoofd levert over het algemeen een kans op lichamelijk letsel op. Nu niet kan worden vastgesteld hoe hard verdachte tegen het hoofd van [Slachtoffer] heeft geslagen, kan niet worden gezegd dat de gegeven klap een aanmerkelijke kans op de dood opleverde noch dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Dat [Slachtoffer] als gevolg van de klap tegen het hoofd met zijn hoofd op het kookeiland en/of de voetsteun van een barkruk zou vallen, was niet in redelijkheid door verdachte te voorzien, zodat ook deze omstandigheid geen aanmerkelijke, door verdachte bewust aanvaarde, kans op de dood van het slachtoffer oplevert.

Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank de door verdachte gegeven klap evenmin worden aangemerkt als het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel nu er onvoldoende bewijs is dat verdachte opzet heeft gehad, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [Slachtoffer] . Immers, niet is gebleken dat verdachte een dusdanig krachtige klap tegen het hoofd van [Slachtoffer] heeft gegeven dat hij daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [Slachtoffer] als gevolg van die klap zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook betrof het voorwerp waarmee verdachte heeft geslagen een holle (niet massieve) buis. De rechtbank zal verdachte daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 juli 2017 [Slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen met een stofzuigerbuis.

De vraag is of de dood van [Slachtoffer] redelijkerwijs als gevolg van de klap met de stofzuigerbuis door verdachte aan hem kan worden toegerekend. Naar vaste rechtspraak dient causaliteit tussen gedraging en gevolg te worden bepaald aan de hand van de “redelijke toerekening”. Niet is vereist dat de dood het uitsluitende gevolg is van het door het geweld ontstane letsel. Indien de gedraging naar haar aard geschikt was om het uiteindelijke resultaat teweeg te brengen, doorbreken tussenkomende factoren – zoals het kookeiland en de barkruk – de causaliteitsketen niet. Dit wordt niet anders doordat de nadien opgekomen omstandigheden in belangrijke mate tot het intreden van het gevolg hebben bijgedragen, of zelfs moeten worden aangemerkt als de rechtstreekse oorzaak van dat gevolg.

Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank uit de bewijsmiddelen komen vast te staan dat verdachte op 8 juli 2017 [Slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen met een stofzuigerbuis als gevolg waarvan [Slachtoffer] is gevallen en dusdanig ongelukkig terecht is gekomen dat hij aan het letsel is komen te overlijden.

Noodweer-verweer

Namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer. In tegenstelling tot eerdere gevallen waarin verdachte moest komen opdraven in conflictsituaties tussen zijn moeder en [Slachtoffer] , keerde de agressie van [Slachtoffer] zich dit keer tot verdachte. Verdachte mocht zichzelf verdedigen toen [Slachtoffer] meermalen agressief op hem afkwam, waarbij hij verdachte eenmaal hard tegen het oor had geslagen. Verdachte voelde zich genoodzaakt zichzelf tegen een nieuwe aanval te verdedigen en heeft dit op een proportionele wijze gedaan volgens de verdediging.

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat het handelen van verdachte, in dit geval het slaan met de stofzuigerbuis, was geboden ter verdediging van verdachte tegen een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding.

Op grond van de dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de intentie van verdachte gericht was op het sussen van de ruzie tussen [Slachtoffer] en [Naam 3] en het doen stoppen van de agressie bij [Slachtoffer] , zoals verdachte al vele malen eerder had gedaan. Dat [Slachtoffer] agressief was is niet alleen gebleken uit de objectieve bewijsmiddelen (de in de woning aangetroffen kapot gegooide spullen en de medische informatie over verdachte waaruit blijkt dat hij melding heeft gedaan van pijnklachten naar aanleiding van een klap op zijn oor), maar ook uit de verklaring van de buurvrouw ( [Naam 7] ) die sprak over glasgerinkel, gestommel en herrie, alsmede dat zij ruzie hoorde en dat [Slachtoffer] heel verbaal was. De rechtbank acht het gelet hierop niet onaannemelijk dat de agressie van [Slachtoffer] zich, zoals verdachte heeft verklaard, ditmaal richtte op hem. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de verklaring van verdachte op dit punt.

Daaruit volgt dan dat [Slachtoffer] meermalen agressief en schreeuwend op verdachte is toegelopen, waarbij hij verdachte ook hard tegen het oor heeft geslagen. Op dat moment was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [Slachtoffer] , waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Dat heeft verdachte gedaan door een voorwerp, zijnde een stofzuigerbuis, tussen hem en [Slachtoffer] in te houden om zodoende afstand te creëren en te voorkomen dat hij nogmaals geslagen zou worden. Doordat [Slachtoffer] nog steeds agressief was en nogmaals op verdachte afkwam, heeft verdachte hem allereerst, als soort van waarschuwing, een tik op zijn been gegeven. Toen bleek dat deze tik niet voldoende was om de agressie bij [Slachtoffer] te doen stoppen, [Slachtoffer] nog razender werd en wederom op verdachte af kwam, heeft verdachte [Slachtoffer] met de stofzuigerbuis een tik tegen het hoofd gegeven.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat van verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij zich aan de agressie van [Slachtoffer] zou proberen te onttrekken. Zoals hiervoor is overwogen, kan over de kracht van de gegeven klap door verdachte tegen het hoofd van [Slachtoffer] geen zekerheid verkregen worden. De lezing van verdachte dat sprake was van een tik, en geen klap met volle kracht, is evenwel niet onaannemelijk op basis van het dossier. Gelet hierop voldoet de handelwijze van verdachte aan de eisen van subsidiariteit (de verdediging was gegeven de omstandigheden noodzakelijk) en proportionaliteit (het geven van een tik in plaats van een klap met volle kracht), en slaagt het beroep op noodweer. Dat [Slachtoffer] daarbij op een zeer ongelukkige en van tevoren niet te voorziene wijze met zijn hoofd tegen het kookeiland en/of op de voetsteun van de barkruk is gevallen is zeer te betreuren maar valt aan verdachte in strafrechtelijke zin niet te verwijten.

Met de term “mishandeling” in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht wordt mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking gebracht. Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte met vrucht een beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer heeft gedaan, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat de gedragingen van verdachte als wederrechtelijk en daarmee als mishandelend kunnen worden gezien. Verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van het hem meer subsidiair ten laste gelegde.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Naam 11] vordert een schadevergoeding van € 454,42 inzake kosten voor de uitvaart (€ 217,00), kosten voor de bloemen (€ 87,00), gemaakte kosten vanwege het bezoek aan het ziekenhuis voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer (€ 104,00), reiskosten voor het bijwonen van de zitting (€ 41,34) en kosten van de advocaat (€ 4,68).

De verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feit;

- verklaart de benadeelde partij [Naam 11] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Scheffers en mr. Speekenbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkel-de Jongh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 september 2018.

Mr. Scheffers is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.