Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:535

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4082ghk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Geheimhouding; artikelen 8:29 en 8:42 van de Awb

Voor deze geheimhoudingsprocedure gaat de geheimhoudingskamer er voorshands van uit dat sprake is van 8:42-stukken.

Anders dan (kennelijk) de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat een gegevensuitwisseling op grond van de Richtlijn 2011/16/EU plaatsvindt niet zonder meer, niet in zijn algemeenheid, reeds om die reden geheimhouding rechtvaardigt.

Het schonen van stukken is wel toegestaan nu het belang van privacy van derden in dit geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de ongeschoonde versie van deze stukken

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/562
V-N 2018/23.4 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 21-03-2018
FutD 2018-0822
NTFR 2018/940 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, geheimhoudingskamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/4082 en 17/4084

Beslissing van 25 januari 2018

Beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat de weigering als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb gerechtvaardigd is voor de bladzijden 1 tot en met 19 en 37 tot en met 47 van bijlage 45b en bijlage 45c;

- wijst het verzoek om weigering als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb af voor de bijlagen 15a, 15b, 18a, 18b, 18c, 19c, 19d, 19e en bladzijden 20 tot en met 36 van bijlage 45b;

- stelt de inspecteur in de gelegenheid om deze stukken binnen een termijn van twee weken na verzending van deze beslissing in te dienen.

2 Overwegingen

2.1.

De inspecteur heeft op 29 september 2017 een verweerschrift ingediend. Bijlagen 15a, 15b, 18a, 18b, 18c 19c, 19d en 19e en de bladzijden 20 tot en met 36 van bijlage 45b heeft de inspecteur niet bij het verweerschrift gevoegd (hierna: de niet-ingediende stukken). Bladzijden 1 tot en met 19 en 37 tot en met 47 van bijlage 45b en bijlage 45c heeft de inspecteur in een geschoonde versie bij het verweerschrift gevoegd (hierna: de geschoonde stukken). Een kopie van het verweerschrift en de bijlagen is aan belanghebbende verzonden.

2.2.

Gelijktijdig met het verweerschrift heeft de inspecteur twee gesloten enveloppen, met stukken voor de geheimhoudingskamer van de rechtbank, overgelegd. Envelop 1 bevat de niet-ingediende stukken. Envelop 2 bevat de ongeschoonde versie van de geschoonde stukken.

Onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb heeft de inspecteur verzocht om geheimhouding van deze stukken (hierna: de geheimhoudingsstukken). In envelop 1 is een brief van 29 september 2017 opgenomen waarin het beroep op geheimhouding (nader) wordt gemotiveerd. Een kopie van deze brief is aan belanghebbende verstrekt.

2.3.

Belanghebbende heeft bij brieven van 11 oktober 2017 en 23 november 2017 op het verzoek van de inspecteur gereageerd.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

2.4.1.

De bijzonderheid doet zich hier voor dat de inspecteur (kennelijk) ervan uitgaat dat de geheimhoudingstukken wel zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb (hierna: 8:42-stukken), terwijl juist belanghebbende in zijn brief van 23 november 2017 te kennen geeft dat geen sprake is van 8:42-stukken, dat artikel 8:29 van de Awb daarom niet van toepassing is en de geheimhoudingskamer dus hier geen taak heeft.

2.4.2.

De beoordeling of stukken zijn aan te merken als 8:42-stukken behoort als uitgangspunt toe aan de kamer die in de hoofdzaak beslist (hierna: de hoofdkamer). Indien echter stukken in het geheel niet worden overgelegd met een beroep op geheimhouding, zoals hier gedeeltelijk het geval is, dan kan dat een belemmering vormen voor de beoordeling door de hoofdkamer.1 Om die reden zal de geheimhoudingskamer een voorlopige beslissing nemen.

Deze beslissing is voorlopig gelet op voormeld uitgangspunt. Bovendien wordt de beoordeling door de hoofdkamer in dit geval in die zin minder bemoeilijkt gelet op de omstandigheden (i) dat een deel van de geheimhoudingsstukken wel zijn overgelegd zij het geschoond, en (ii) dat de stelling van belanghebbende dat geen sprake is van 8:42-stuken niet zo zozeer is gegrond op de aard of inhoud van de stukken maar te maken heeft met het tijdstip waarop – volgens belanghebbende – de inspecteur over de stukken beschikte.

2.4.3.

De rechtbank zal er – met belanghebbende – veronderstellenerwijs van uitgaan dat tot 8:42-stukken alleen stukken behoren die bij de besluitvorming in de bestuursrechtelijke fase een rol hebben gespeeld (en niet ook relevante stukken waarover de inspecteur pas na de uitspraak op bezwaar de beschikking kreeg).

Gelet op enerzijds de datums van de naheffingsaanslag en van de uitspraken op bezwaar en anderzijds de datums van gegevensuitwisseling zoals opgenomen in bijlagen 15a, 15b, 18a, 18b, 18c 19c, 19d en 19e (welke datums ook voor belanghebbende kenbaar zijn nu ze zijn vermeld in het overzicht van de bijlagen bij het verweerschrift), valt niet in te zien waarom de stukken in die bijlagen geen 8:42-stukken zouden zijn.

Het tijdstip waarop de inspecteur de beschikking kreeg over (de gegevens opgenomen in) de stukken in bijlage 45b en 45c, is minder duidelijk. Voorshands is er geen aanleiding om niet ervan uit te gaan dat deze stukken niet reeds in elk geval voor de uitspraak op bezwaar aan de inspecteur ter beschikking stonden. Bovendien dient het ook de proceseconomie om daarvan in deze geheimhoudingsprocedure uit te gaan. Zou immers de geheimhoudingskamer oordelen dat geen sprake is van 8:42-stukken en de hoofdkamer een ander oordeel hebben, dan zou opnieuw een geheimhoudingsprocedure moeten volgen.

Kader voor beoordeling

2.5.

De omstandigheid dat stukken zijn aan te merken als 8:42-stukken, brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).

2.6.

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt:2

a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de inspecteur worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de inspecteur om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.)

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).

2.7.

In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald, dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van de belastingplichtige. Nu uit de brief van 11 oktober 2017 van belanghebbende blijkt dat belanghebbende deze toestemming niet verleent, neemt de geheimhoudingskamer, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, aan dat de inspecteur verzoekt om toepassing van variant a.

2.8.

Beslissend bij de vraag of de inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

Standpunten

2.9.

De inspecteur wenst de niet-ingediende stukken geheim te houden omdat op grond van Richtlijn 2011/16/EU van 15 februari 2011 de correspondentie tussen staten onderling in het internationale verkeer als vertrouwelijk wordt beschouwd en openbaarmaking schade toe kan brengen aan controle-strategische belangen van staten. De inspecteur wenst de geschoonde delen van de geschoonde stukken geheim te houden omwille van de privacy.

2.10.

Belanghebbende verzet zich tegen geheimhouding omdat - heel in het kort - het beginsel van ‘fair play’ meebrengt dat zij zich volledig moet kunnen verweren tegen alle tegen haar ingebrachte bewijsmiddelen.

De niet-ingediende stukken

2.11.

De niet-ingediende stukken betreffen de antwoorden van de Inspectia Muncii en het Ministerie van Financiën in Roemenië op vragen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – Arbeidsinspectie, en de vertaling daarvan. De rechtbank is van oordeel dat wat de inspecteur heeft aangevoerd, onvoldoende is om geheimhouding te rechtvaardigen.

Anders dan (kennelijk) de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat een gegevensuitwisseling op grond van de Richtlijn 2011/16/EU plaatsvindt niet zonder meer, niet in zijn algemeenheid, reeds om die reden geheimhouding rechtvaardigt. Die opvatting kan ook niet worden gebaseerd op artikel 16 van die richtlijn. Dat artikel bepaalt onder meer: “De inlichtingen die de lidstaten elkaar krachtens deze richtlijn in enigerlei vorm verstrekken, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming waarin het nationale recht van de ontvangende lidstaat met betrekking tot soortgelijke inlichtingen voorziet.” Het nationale recht voorziet immers niet in een bepaling die voor soortgelijke inlichtingen meebrengt dat steeds geheimhouding gerechtvaardigd is voor de toepassing van artikel 8:29 van de Awb.

Dat als absolute regel – dus zonder belangenafweging te maken waarin meegewogen wordt het belang van belanghebbende bij kennisname van de desbetreffende stukken – geheimhouding zou gelden ligt ook niet voor de hand. Daarbij wordt in aanmerking genomen onderdeel 28 van de preambule bij de richtlijn, waarop belanghebbende ook wijst. Dat onderdeel vermeldt dat de richtlijn de grondrechten eerbiedigt en de beginselen in acht neemt die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.

De inspecteur heeft geen specifieke redenen aangevoerd die meebrengen dat in dit geval geheimhouding van alle niet-ingediende stukken gerechtvaardigd is. De algemene stelling dat openbaarmaking “schade [kan] toebrengen aan controletechnische belangen van staten” is onvoldoende.

De inspecteur – op wiens weg dat had gelegen – heeft evenmin specifieke passages aangeduid waarvoor (in het bijzonder) volgens de inspecteur geldt dat er bijzondere redenen zijn die geheimhouding rechtvaardigen. Het is niet aan de geheimhoudingskamer om naar dergelijke passages op zoek te gaan.

Bovendien verdient nog het volgende opmerking. Voorshands valt niet in te zien waarom de desbetreffende stukken in het geheel geheim gehouden zouden moeten worden, terwijl bepaalde passages uit de desbetreffende stukken wel in het verweerschrift worden geciteerd. Verder kan in het bijzonder een verdedigingsbelang van belanghebbende zijn om volledig inzicht te krijgen in de gestelde vragen en antwoorden, opdat belanghebbende zicht heeft op het geheel en de context en zij de mogelijkheid heeft om na te gaan of er al dan niet antwoorden zijn die haar standpunt ondersteunen.

De geschoonde stukken

2.12.

De bladzijden 1 tot en met 19 en 37 tot en met 47 van bijlage 45b en bijlage 45c betreffen de verzamelloonstaten en uitdraaien van het systeem ‘FLG’ (inkijk van fiscale loongegevens) die zijn gebruikt voor het opstellen van het excelbestand dat als bijlage 45a bij het verweerschrift is gevoegd. De geschoonde versie van de bladzijden 1 tot en met 19 en 37 tot en met 47 van bijlage 45b en bijlage 45c wijkt in zoverre af van de ongeschoonde versie dat in de geschoonde versie de gegevens van niet betrokken personen, de loongegevens van werknemers over jaren die zij niet bij belanghebbende in dienst waren en de namen en fiscale nummers van de werkgevers door de inspecteur zijn weggelakt omwille van de privacy. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat deze reden een gewichtige reden vormt om slechts de geschoonde versie van deze stukken aan belanghebbende te verstrekken. Het belang van privacy weegt in dit geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de ongeschoonde versie van deze stukken. Daarmee is sprake van een gewichtige reden die geheimhouding op grond van artikel 8:29 Awb rechtvaardigt.

Deze beslissing is gedaan op 25 januari 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenbeslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

1 Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3630.

2 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:7.