Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:527

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 100
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:3264, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB en SW; gebondenheid aan vaststellingsovereenkomst; nieuw feit; verlengde navorderingstermijn van toepassing?

Belanghebbende is één van de erven van zijn vader, moeder en broer. In die hoedanigheid zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV en SW opgelegd. Met betrekking tot een navorderingsaanslag SW overweegt de rechtbank dat belanghebbende gebonden is aan een vaststellingsovereenkomst waarin is vermeld dat belanghebbende afstand doet van het recht op bezwaar en beroep. Het beroep ter zake is daarom ongegrond. Wat de overige navorderingsaanslagen betreft is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nieuw feit. Vader en na zijn overlijden moeder waren gerechtigd tot het vermogen van een Liechtensteinse Anstalt. Het vermogen van deze Anstalt was fiscaal gezien evenwel van vader en moeder en vast staat dat dit vermogen nooit in enige aangifte is verantwoord. Voorts is de rechtbank van oordeel dat nu het vermogen is ondergebracht bij de Anstalt, dit vermogen is aan te merken als vermogen dat in het buitenland wordt aangehouden zodat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. Daaraan doet niet af dat de Anstalt een deel van het vermogen aanhield op Nederlandse bankrekeningen bij banken in Nederland. De overige beroepen zijn daarom eveneens ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/363
V-N 2018/20.2.1
Viditax (FutD), 16-02-2018
FutD 2018-0483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/100, 17/109, 17/110, 17/152, 17/153, 17/3785 en 17/3786

uitspraak van 25 januari 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

De erven van [A],

De erven van [B],

De erven van [C] en

[D], wonende te [woonplaats],

samen belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan de erven van [A] en aan de erven van [B] over de jaren 2002 tot en met 2006 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (procedurenummers 17/152, 17/153, 17/100, 17/109 en 17/110). Tevens heeft hij ter zake van het overlijden van [A] aan [D] een navorderingsaanslag successierecht opgelegd (procedurenummer 17/3785). Tot slot heeft hij ter zake van het overlijden van [A] aan de erven van [C] een navorderingsaanslag recht van successie opgelegd (procedurenummer 17/3786).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 28 november 2016 de navorderingsaanslagen IB/PVV gehandhaafd. Bij uitspraken op bezwaar van 20 april 2017 heeft de inspecteur op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen successierecht beslist.

1.3.

[D] (hierna: [D]) heeft langs elektronische weg op 5 januari 2017 beroep ingesteld inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV en op 29 mei 2017 inzake de navorderingsaanslagen successierecht. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van in totaal € 184 (vier maal € 46). Bij brief van 26 juni 2017 zijn (nadere) gronden aangevoerd.

1.4.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.5

Vóór de zitting zijn nadere stukken ingediend, te weten een brief van 2 augustus 2017 van de inspecteur (in de IB-zaken) en een brief van 11 december 2017 van [D] (in alle zaken).

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2017 te Breda.

Van hetgeen ter zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van dit proces-verbaal is gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak aan partijen verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en hetgeen ter zitting is besproken, staat het volgende vast:

2.

2.1.

[B] (hierna: moeder), was gehuwd met [A] (hierna: vader). Samen hadden zij vijf kinderen, waaronder [D] en [C] (hierna: de broer).

2.2.

Op [datum] 1966 heeft vader naar Liechtensteins recht [E] opgericht (hierna: [E]). [E] was statutair gevestigd in Vaduz te Liechtenstein en had rechtspersoonlijkheid naar Liechtensteins recht. Vader was bij leven de eerste begunstigde van [E] en moeder was de eerste begunstigde van [E] na overlijden van vader. [E] was niet belastingplichtig in Nederland.

2.3.

In 2002 en 2003 bestond het vermogen van [E] onder meer uit (i) positieve saldi op een Nederlandse bankrekening bij ING en de Rabobank (hierna: de Nederlandse bankrekeningen), en (ii) spaarbrieven. De spaarbrieven zijn in 2003 allemaal ingewisseld. [E] was houder van de Nederlandse bankrekeningen. Vader was gemachtigd tot de Nederlandse bankrekeningen.

2.4.

Op [datum] 2004 is vader overleden. Op grond van een ouderlijke boedelverdeling heeft moeder de volle eigendom van de activa en passiva van de nalatenschap van vader verkregen. Vader was tot zijn overlijden enig aandeelhouder van [F BV]

2.5.

Op 2 maart 2005 is ter zake van het overlijden van vader aangifte successierecht gedaan. In de aangifte staat een schuld vermeld aan “[D]/[E]” en een schuld aan “[G BV]/[E]”. De aangifte vermeldt geen bezittingen met betrekking tot [E]. De aangifte is gevolgd bij definitieve aanslag met dagtekening 1 augustus 2005.

2.6.

Op [datum] 2010 is moeder overleden.

2.7.

Op [datum] 2011 is de broer overleden.

2.8.

Op [datum] 2013 is [E] wegens liquidatie uitgeschreven uit het Liechtensteinse handelsregister.

2.9.

Op 17 juni 2014 heeft Loyens & Loeff namens de [D] een inkeermelding gedaan ter zake van een bankrekening bij de VP Bank te Liechtenstein. Het vermogen op die rekening vindt zijn oorsprong voornamelijk in erfrechtelijke verkrijgingen in verband met het overlijden van vader, moeder en de broer en schenkingen van moeder, aldus de inkeermelding. Voorts wordt vermeld dat het genoemde vermogen in het verleden ondergebracht is geweest bij [E]. Naar aanleiding van de inkeermelding heeft de inspecteur [E] als fiscaal transparant aangemerkt.

2.10.

Op 23 september 2015 hebben [D] en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst gesloten, onder meer met betrekking tot het van [D] na te vorderen successierecht ter zake van het overlijden van vader (hierna: de vaststellingsovereenkomst). De vaststellingsovereenkomst vermeldt in onderdeel 8 (“Afstand van rechtsmiddelen”) onder meer dat [D] “uitdrukkelijk afstand [doet] van het recht op bezwaar en het recht op beroep bij de rechter”. Hierop zijn voorbehouden op schrift gesteld, uitsluitend voor zover het betreft de toepassing van het voortvarendheidscriterium en de rechtsvraag of de vermogensrendementheffing in strijd komt met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: de voorbehouden).

2.11.

Met dagtekening 30 september 2015 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV aan de erven van vader en aan de erven van moeder opgelegd. Met dagtekening 15 maart 2016 heeft hij - ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst - aan [D] een navorderingsaanslag successierecht opgelegd. Met dezelfde dagtekening heeft hij aan de erven van de broer ter zake van het overlijden van vader een navorderingaanslag successierecht opgelegd. Namens belanghebbenden is, waar nodig met toepassing van artikel 44 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), bezwaar gemaakt tegen alle navorderingsaanslagen.

2.12.

Vader en moeder hebben in hun aangiften IB/PVV nooit een bezitting met betrekking tot [E] aangegeven. Ook hebben zij nooit aangegeven dat zij gerechtigd waren tot het vermogen van een trust (zij hebben de zogenoemde trustvraag nooit aangevinkt). De definitieve aanslagen IB/PVV voor 2002 en 2003 ten name van vader en de definitieve aanslagen IB/PVV voor 2004 tot en met 2006 ten name van moeder zijn conform aangiften vastgesteld.

3 Geschil

3.

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. is het bezwaar in de zaak 17/3785 niet-ontvankelijk?

2. is sprake van een nieuw feit dat, of kwade trouw die, navordering rechtvaardigt?

3. is de verlengde navorderingstermijn in de zin van artikel 16, vierde lid, van de AWR van toepassing op de Nederlandse bankrekeningen en/of spaarbrieven?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op zitting.

3.3.

[D] concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4
4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar (procedure 17/3785)

4.

4.1.

De inspecteur stelt het bezwaar in procedure 17/3785 niet-ontvankelijk te hebben verklaard omdat [D] is gebonden aan de afstand van rechtsmiddelen, zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, en de voorbehouden hem niet de mogelijkheid bieden in bezwaar en beroep de stelling in te nemen dat geen sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw en niet-toepasselijkheid van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR. [D] voert aan, in de kern, dat (i) de inspecteur het bezwaar niet niet-ontvankelijk heeft verklaard maar inhoudelijk heeft beoordeeld, en dat hij daarmee de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft erkend, en (ii) dat [D] niet gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de tekst van de vaststellingsovereenkomst duidelijk is, namelijk dat afstand is gedaan van rechtsmiddelen met uitzondering van de kwesties zoals geformuleerd in de voorbehouden. [D] stelt echter in de eerste plaats dat hij niet gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst omdat in een eerder concept van de vaststellingsovereenkomst was opgenomen dat bezwaar en beroep kon worden gemaakt met betrekking tot alle onderdelen van de verlengde navorderingstermijn. Desgevraagd ter zitting heeft [D] bevestigd dat hij dit baseert op de conceptversie die is gevoegd bij zijn brief van 11 december 2017. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende in wezen betoogt dat geen sprake is van wilsovereenstemming Ter zitting is echter komen vast te staan dat er weliswaar meerdere concepten van de vaststellingsovereenkomst hebben gecirculeerd, maar dat onderdeel 8 van de vaststellingsovereenkomst, dat gaat over de afstand van rechtsmiddelen, niet is gewijzigd. Dat geldt ook voor de voormelde conceptversie waarop belanghebbende zich beroept. Het betoog van belanghebbende mist dus steun in de feiten.

4.3.

[D] stelt voorts dat hij onder ontoelaatbare druk is gezet door de inspecteur, zodat de vaststellingsovereenkomst op grond van dwang, dwaling, misleiding en misbruik van omstandigheden (een wilsgebrek) moet worden vernietigd. De inspecteur heeft namelijk misbruik gemaakt van de onzekerheid waarin [D] verkeerde, hij heeft een dialoog afgehouden, hij heeft in de concepten meer veranderd dan waarom was gevraagd en tot slot heeft hij [D] gedwongen snel te ondertekenen, aldus [D]. De inspecteur betwist dit: er is over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst altijd contact geweest met de gemachtigde van (onder meer) [D], zodat hij voldoende tijd heeft gehad en zich voldoende over de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst door zijn gemachtigde heeft kunnen laten voorlichten. Ter zitting is komen vast te staan dat de concepten van de vaststellingsovereenkomst ook steeds aan de gemachtigde van [D] zijn voorgelegd. Mede gelet hierop heeft [D], op wie de stelplicht en bij betwisting de bewijslast rust, naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wilsgebrek op grond waarvan de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd.

4.4.

Het voorgaande betekent dat [D] is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. Nu de voorbehouden hier niet van toepassing zijn, brengt de door [D] gedane afstand van het recht op bezwaar mee dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

Het betoog van [D] vermeld bij 4.1 na (i) kan daaraan niet afdoen. Ook indien zoals belanghebbende stelt de uitspraak op bezwaar zo begrepen moet worden dat het bezwaar om inhoudelijke gronden is afgewezen, kan dit belanghebbende niet kan baten. Het bezwaar zou dan alsnog in deze beroepsprocedure niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, in aanmerking genomen dat de uitspraak op bezwaar niet zo kan worden opgevat dat de inspecteur zijn stelling over de afstand heeft prijsgegeven.

Bovendien is de rechtbank het volgende van oordeel. Het is juist dat het biljet met de uitspraak op bezwaar niet vermeldt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Gelet op de verwijzing op dat biljet naar de brief van 15 maart 2017 met het voornemen van de afhandeling van het bezwaar (waarin de niet-ontvankelijkheid wel is vermeld), moet echter de uitspraak op bezwaar redelijkerwijs zo begrepen worden dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep in procedure 17/3785 is daarom ongegrond.

Nieuw feit of kwade trouw

4.5.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (het zogenoemde nieuwe feit). Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw, rust op de inspecteur.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat vader – en vervolgens moeder – over het vermogen van de [E] heeft kunnen beschikken als ware het zijn eigen vermogen, en dat daarom dit vermogen fiscaal gezien als vermogen van vader en moeder moet worden aangemerkt. Dit betekent ook dat dit vermogen had moeten worden verantwoord in de aangiften IB en de aangiften SW. Vast staat dat dat niet is gebeurd. Ook is de trustvraag in de aangiften IB nooit aangevinkt. De rechtbank is gelet op een en ander van oordeel dat sprake is van een nieuw feit. Dat vader in het verleden – in het jaar 2001 – op vragen van de inspecteur melding heeft gemaakt van een schuld aan [E], maakt dat niet anders. Daaruit volgde immers niet dat vader rechtstreeks betrokken was bij [E], laat staan dat sprake was van een zodanige betrokkenheid dat vader vrij over het vermogen kon beschikken. Dat geldt ook ter zake van de vermelding van een schuld aan [E] in de aangifte SW (zie 2.5).

Verlengde navorderingstermijn: in het buitenland gehouden vermogen

4.7.

Op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR vervalt de bevoegdheid tot navorderen niet door verloop van vijf jaar maar door verloop van twaalf jaar indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. De bewijslast rust daarbij op de inspecteur.

De inspecteur stelt daartoe dat [E] voor de beoordeling van de vraag of het vermogen in het buitenland wordt gehouden in de zin van artikel 16, vierde lid van de AWR moet worden gekeken naar degene die de buitenlandse bankrekeningen in vermogensrechtelijke zin aangaan. De rekeninghouder is [E] en nu [E] in het buitenland is gevestigd is sprake van het houden van Nederlandse bankrekeningen in het buitenland.

[D] betwist een en ander. Hij voert daartoe, kort samengevat, aan dat zolang de gelden op de Nederlandse bankrekeningen stonden deze niet zijn aan te merken als vermogen dat in het buitenland is gehouden. Hieraan doet niet af dat [E] de houder van de Nederlandse bankrekeningen was. Bovendien had de inspecteur snel en op eenvoudige wijze kunnen achterhalen dat [E] de houder van de Nederlandse bankrekeningen was. Van een gebrekkige controlemogelijkheid was dus geen sprake. Voor een dergelijke situatie is de verlengde navorderingstermijn niet bedoeld.

4.8.

De relevante feiten zijn niet in geschil. Vader heeft vermogen bij [E] ondergebracht waarover hij vrijelijk kon beschikken. Een deel van dat vermogen is door [E] ondergebracht op Nederlandse bankrekeningen; ook is enige tijd een deel van het vermogen geïnvesteerd in spaarbrieven. De Nederlandse bankrekeningen worden op naam van [E] gehouden. [E] is een in het buitenland gevestigde entiteit. De omstandigheid dat het hier gaat om vermogen dat bij een buitenlandse entiteit is ondergebracht maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het gehele vermogen – dus ook het vermogen dat op de Nederlandse bankrekeningen is aangehouden en de spaarbrieven – is aan te merken als vermogen dat in het buitenland wordt gehouden in de zin van artikel 16, lid 4, van de AWR en dat de inkomsten uit dat vermogen zijn aan te merken als inkomsten die in het buitenland zijn opgekomen. Daar doet, anders dan belanghebbende betoogt, de omstandigheid dat [E] op zijn beurt een deel van het vermogen aanhoudt op Nederlandse bankrekeningen bij banken in Nederland (de ING en de Rabobank), niet aan af. Verder zou het oordeel dus ook niet anders worden voor zover juist zou zijn dat – zoals belanghebbende stelt en de inspecteur betwist – de spaarbrieven fysiek in Nederland worden gehouden.

Deze uitleg van het begrip ‘opkomen/gehouden in het buitenland’ bij een geval zoals hier, past ook bij de ratio van de verlengde navorderingstermijn. Door vermogen via een buitenlandse entiteit aan te houden zijn de controlemogelijkheden voor de inspecteur immers beperkt.

4.9.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is op de Nederlandse bankrekeningen, heeft te gelden dat tussen partijen niet in geschil is dat de navorderingsaanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Dat betekent dat de overige beroepen eveneens ongegrond zijn.

Slotsom

4.10.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 25 januari 2018 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. drs. M.H. van Schaik en mr. drs. L.B. Smits, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.