Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5235

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
BRE 18/6004
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

tijdelijke sluiting seksinrichting | voorlopige voorziening | slecht levensgedrag | belang openbare orde en omgeving | twijfel over bevoegdheid | schorsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/6004 GEMWT VV

uitspraak van 11 september 2018 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekers], te [vestigingsplaats verzoekers], verzoekster,

gemachtigde: mr. C.G.J.E. Lut,

en

de burgemeester van de gemeente Loon op Zand, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 september 2018 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van de [naam inrichting] aan de [adres inrichting] te [vestigingsplaats inrichting] voor een periode van drie maanden. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 7 september 2018. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Koppen, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, en door [naam expoitant]. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van den Nieuwenhuijzen en S. Tolsma.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is eigenaresse van een seksinrichting aan de [adres inrichting] te [vestigingsplaats inrichting], genaamd [naam inrichting]. Sinds 2008 is [naam expoitant] exploitant van deze inrichting. Sinds 2008 is de exploitatievergunning meermalen gewijzigd. [naam beheerder], zoon van [naam expoitant], is beheerder van de inrichting.

Op 26 augustus 2018 heeft de politie Zeeland-West-Brabant de burgemeester geïnformeerd over diverse gebeurtenissen die zich die nacht hebben voorgedaan in en bij [naam inrichting].

De exploitant en beheerder – [namen belanghebbenden] – zijn vervolgens door de burgemeester opgeroepen voor een gesprek op vrijdag 31 augustus 2018 over de exploitatie van [naam inrichting]. Bij brief van eveneens 31 augustus 2018 heeft de burgemeester verzoekster geïnformeerd over haar voornemen om [naam inrichting] te sluiten voor een periode van drie maanden.

Bij brief van 3 september 2018 heeft verzoekster haar zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt aan de burgemeester.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekster bevolen [naam inrichting] tijdelijk te sluiten voor de duur van drie maanden met ingang van 7 september 2018 om 12.00 uur, door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang.

De burgemeester heeft de voorzieningenrechter geïnformeerd bereid te zijn te wachten met de effectuering van de last onder bestuursdwang totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte het besluit tot sluiting van de seksinrichting heeft genomen. De schending van de artikelen van de Algemene Plaatselijke Verordening Loon op Zand 2012 is door de burgemeester onvoldoende gemotiveerd. De zorgvuldigheid en de belangenafweging laten te wensen over.

Er is geen sprake van slecht levensgedrag van de exploitant en/of de beheerder. De feiten die de burgemeester bij zijn beoordeling betrokken heeft, hebben zich voorgedaan in 2010 en 2012. Niet te begrijpen valt hoe die oude feiten maken dat er nu in 2018 sprake is van slecht levensgedrag. Bovendien bereik je met een tijdelijke sluiting niet dat geen sprake meer is van slecht levensgedrag.

Voor wat betreft de openbare orde en veiligheid en de veiligheid voor de omwonenden stelt verzoekster zich op het standpunt dat voor haar niet duidelijk is hoe hetgeen zich heeft voorgedaan die belangen in gevaar heeft gebracht. De feiten uit het mutatierapport en processen-verbaal van bevindingen zijn discutabel, zeker nu er geen verklaringen van getuigen beschikbaar zijn. Verzoekster is van mening dat het gedrag van derden dat buiten de inrichting plaatsvindt, niet aan haar kan worden toegerekend.

Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Artikel 125, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van de regels welke hij uitvoert.

Artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder b van de Algemene Plaatselijke Verordening Loon op Zand 2012 (APV) bepaalt dat de exploitant en de beheerder is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.

Artikel 3:7, eerste lid, sub b, van de APV bepaalt dat met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk het bevoegde bestuursorgaan van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke dan wel algehele sluiting kan bevelen.

Artikel 3:13, tweede lid, van de APV bepaalt dat in afwijking van artikel 1:8 de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, kan worden geweigerd in het belang van:

  1. de openbare orde;

  2. het voorkomen of beperken van overlast;

  3. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

  4. e veiligheid van personen of goederen;

  5. de verkeersvrijheid of –veiligheid;

  6. de gezondheid of zedelijkheid;

  7. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

6. Tussen partijen is in geschil of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om de seksinrichting aan de [adres inrichting] te [vestigingsplaats inrichting] te sluiten voor drie maanden. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat een optelsom van feiten in het heden en verleden heeft geleid tot haar besluit. Deze feiten zien op slecht levensgedrag van de exploitant en de beheerder én op de belangen van de openbare orde en veiligheid voor de omwonenden.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de APV - gelet op het ontbreken van een nadere omschrijving van het begrip slecht levensgedrag in de APV - kennelijk beoogt aan te sluiten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. Bij of krachtens de Drank- en Horecawet is geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken (zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2456).

De burgemeester heeft zijn standpunt dat de exploitant en beheerder slecht levensgedrag vertonen op het volgende gebaseerd. In de eerste plaats hebben de exploitant en beheerder op 26 augustus 2018 een agressieve houding aangenomen ten opzichte van politie toen deze binnen de inrichting aanwezig waren. Ten tweede blijkt uit het mutatierapport van de politie dat de exploitant en de beheerder op 26 augustus 2018 de melder hebben bedreigd. Daarnaast blijkt uit een overgelegd proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2000-2018201357-8 dat de exploitant en de beheerder in de periode tussen 2010 en 2012 meerdere veroordelingen wegens geweldsincidenten en bedreiging hebben. Tot slot wijst de burgemeester op haar schriftelijke waarschuwing van 5 december 2013 vanwege het niet aanwezig zijn van een leidinggevende persoon in de zin van de Drank- en Horecawet in de inrichting tijdens een controle op 13 november 2013 én de bij besluit van 9 april 2018 opgelegde last onder dwangsom om herhaling van overtreding van artikel 1:4, tweede lid, van de APV te voorkomen.

7.1

Voor wat betreft de agressieve houding van de exploitant en de beheerder binnen de inrichting maakt de voorzieningenrechter uit het proces-verbaal met nummer PL2000-2018201357-7 op dat de verbalisant weliswaar zag dat de beheerder – [naam beheerder] – zich agressief opstelde richting de politie en dat de exploitant – [naam expoitant] – zich op een gegeven ogenblik ook agressief opstelde maar dat dit gedrag kennelijk niet zodanig was dat dit voor de politie aanleiding was om in te grijpen. De politie besloot daarentegen juist om de inrichting te verlaten om verdere escalatie te voorkomen. Ter zitting heeft [naam expoitant] aangegeven dat hij wellicht ietwat opgefokt was, maar zich niet herkent in de omschrijving in het proces-verbaal. Uit het proces-verbaal blijkt ook onvoldoende wat het agressief gedrag van beiden inhield anders dan schreeuwen dat de politie de inrichting moest verlaten.

Voorts is in het mutatierapport op tijdstip 1:44 de melding opgenomen dat [naam familielid] en zijn zoon de melder bedreigen maar dat dit niet verder wordt ondersteund door bijvoorbeeld een proces-verbaal van aangifte van de melder of andere gegevens. Ter zitting heeft [naam expoitant] nadrukkelijk ontkent de melder te hebben bedreigd. Ook heeft verzoekster er op gewezen dat in het mutatierapport onder de melding van 1:44 is opgenomen dat het terras en de ruiten worden vernield, maar dat verder nergens uit blijkt dat dit ook feitelijk is gebeurd. Niet gebleken is dat de politie de bedreiging door de exploitant en/of de beheerder heeft waargenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande twijfel bij de juistheid van de melding mogelijk.

Voor wat betreft de veroordelingen voor geweldsincidenten en bedreigingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze incidenten enkele jaren geleden hebben plaatsgevonden en kennelijk geen belemmering hebben gevormd voor het wijzigen van de exploitatievergunning in 2013 en 2014. Datzelfde gaat op voor de schriftelijke waarschuwing van 5 december 2013 en het ontbreken van GGD-rapporten in de periode tussen 2008-2012. De burgemeester heeft onvoldoende aannemelijk weten te maken waarom deze gedragingen verzoekster nu aangerekend moeten worden terwijl het kennelijk in het verleden geen aanleiding was om de exploitatievergunning in te trekken.

7.2

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester vooralsnog onvoldoende aannemelijk weten te maken dat op dit moment sprake is van slecht levensgedrag door de exploitant en beheerder. Mocht de burgemeester na de beoordeling in bezwaar van oordeel blijven dat de exploitant en beheerder van slecht levensgedrag zijn, dan zal de burgemeester ook moeten ingaan op de vraag waarom sluiting van de inrichting voor 3 maanden een daarbij passende maatregel is. 8. Dat de belangen van de openbare orde en de veiligheid voor de omwonenden in het geding zijn heeft de burgemeester gebaseerd op de gebeurtenissen van zondag 26 augustus 2018. In het bijzonder heeft de burgemeester er op gewezen dat uit de politierapporten blijkt dat de exploitant en beheerder van verzoekster het gedrag van hun klanten en medewerkers onvoldoende onder controle heeft. Dit blijkt uit het gedrag van een vertrekkende bezoeker die gegooid heeft met een voor [naam inrichting] geparkeerde fiets en het gedrag van een dame – afkomstig uit de inrichting – die een politieagent heeft beledigd. Ook is een persoon met een honkbalknuppel in de nabijheid van de inrichting gesignaleerd.

8.1

De voorzieningenrechter overweegt dat de politie niet zelf heeft waargenomen dat een bezoeker van [naam inrichting] bij het verlaten van de inrichting met een fiets heeft gegooid. De politie heeft dit gebaseerd op een melding van een bezoeker van de naastgelegen shoarmatent. [naam expoitant] heeft ter zitting aangegeven zelf op dat moment niet buiten te zijn geweest maar dat het heel goed mogelijk is dat één van zijn bezoekers een fiets heeft weggezet die de ingang van de inrichting blokkeerde. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen aangifte ligt waaruit vernieling of beschadiging van de fiets blijkt. Hierdoor bestaat twijfel over hetgeen zich feitelijk heeft voorgedaan.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL-2000-2018201357-3 blijkt dat de desbetreffende verbalisant zag dat een vrouw – die zij eerder had aangesproken – in de ingang van de club stond en met een man sprak. De verbalisant hoorde dat zij hierbij zei: “Ik moest opzouten van die kankerwout daar”. Dit herhaalde ze een aantal keren waarbij ze naar de verbalisant wees. De verbalisant voelde zich hierdoor in haar goede eer en naam aangetast en heeft aangifte van belediging gedaan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit gedrag – nog daargelaten of dit gesprek van de vrouw met een derde kan worden aangemerkt als belediging van een politieambtenaar – vooralsnog niet aan verzoekster kan worden toegerekend nu onduidelijk is of en zo ja, welke relatie de vrouw met de inrichting heeft.

Ten slotte kan over de man met de honkbalknuppel worden opgemerkt dat ook voor de politie onduidelijk is gebleven over wie het hier gaat en wat de relatie van die persoon met de inrichting van verzoekster is.

8.2

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door de gebeurtenissen op 26 augustus 2018 – in het bijzonder de gebeurtenissen buiten de inrichting – de openbare orde en de veiligheid van de omwonenden in het geding is en dat dit op enigerlei wijze te verwijten valt aan verzoekster.

9. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat twijfel over de bevoegdheid van de burgemeester om tijdelijke sluiting van de inrichting te bevelen bestaat. Vooralsnog heeft de burgemeester onvoldoende aannemelijk weten te maken dat sprake is van slecht levensgedrag van de beheerder en de exploitant en dat het belang van de openbare orde en het belang van de omwonenden sluiting van de inrichting voor 3 maanden rechtvaardigen.

Gelet op de belangen van verzoekster is dit aanleiding voor de voorzieningenrechter om het verzoek toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen. Deze voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

11. De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot 2 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 338,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.