Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5189

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
C/02/346537 / HA RK 18-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ex artikel 186 lid 1 Rv.

Burgemeester mag als getuige worden gehoord over de overname en uitvoering van beheer van Fort Oranje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rekestnummer: C/02/346537 / HA RK 18-129

Beschikking van 10 september 2018

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

DIVINE INVESTMENTS LIMITED,

gevestigd te Ras al Khaimah (Verenigde Arabische Emiraten),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECREATIEPARK FORT ORANJE BV,

gevestigd te Rijsbergen,

verzoeksters,

advocaat mr. J.B. Maliepaard,

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZUNDERT,

zetelend te Zundert,

verweerster,

advocaat mr. B.J.P.G. Roozendaal.

Verzoeksters zullen hierna gezamenlijk Fort Oranje c.s. (vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd. Afzonderlijk zullen verzoeksters Divine en Fort Oranje worden genoemd. Verweerster zal de gemeente worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ex art. 186 lid 1 Rv, ter griffie ingekomen op 28 juni 2018, met producties genummerd 1 tot en met 20,

  • -

    de (aangetekende) brieven van 2 juli 2018 van de griffier van deze rechtbank,

  • -

    de brief van 9 juli 2018 van mr. Roozendaal, waarin hij zich stelt voor de gemeente en opgave doet van de verhinderdata,

  • -

    het faxbericht van 10 juli 2018 van mr. J.B. Maliepaard, houdende opgave verhinderdata,

  • -

    de oproepingsbrieven van 18 juli 2018 van de griffier van deze rechtbank,

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 27 augustus 2018,

  • -

    het verweerschrift.

2 Het verzoek

2.1.

Fort Oranje c.s. verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen omtrent de genoemde feiten, met benoeming van een raadsheer-commissaris ten overstaan van wie dit getuigenverhoor zal worden gehouden, met bepaling van het tijdstip waarop dit voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden en van het tijdstip waarop verzoekster uiterlijk een afschrift van dit verzoekschrift en van de daarop te geven beschikking aan gerekestreerde moet doen toekomen.

3 De beoordeling

3.1.

De behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op maandag 27 augustus 2018 om 10:30 uur. Ter gelegenheid van de behandeling van het verzoekschrift is namens Divine verschenen de heer [naam A] , gevolmachtigde, en de heer [naam B] , kantoorgenoot van [naam A] . Namens Fort Oranje zijn verschenen de heer [naam C] , middellijk bestuurder, en de heer [naam D] , vertegenwoordiger. Divine en Fort Oranje zijn bijgestaan door mr. J.B. Maliepaard.

Namens de gemeente is mr. B.J.P.G. Roozendaal verschenen.

3.2.

Fort Oranje c.s. legt aan het verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag.

De gemeente heeft op 23 juni 2017 bezit genomen van de aan Fort Oranje in eigendom toebehorende grond, ingericht als recreatiepark en voorzien van stacaravans, en heeft het park op meerdere gronden gesloten. Aan Fort Oranje c.s. is een gebiedsverbod opgelegd.

Divine is houdster van de hypotheekrechten en is bij beschikking van 27 februari 2015 gemachtigd om de onroerende zaken in beheer te nemen. De inbeheerneming is bij exploot van 21 juni 2017 medegedeeld aan de gemeente.

Fort Oranje c.s. stelt dat de eigendommen van Fort Oranje door de gemeente onder het mom van beheer systematisch gesloopt en ontmanteld zijn en dat de infrastructuur is beschadigd. Fort Oranje c.s. ontvangt van de gemeente voor miljoenen euro’s aan ongespecificeerde facturen die zouden zien op het beheer en waarvan de gemeente de kosten bij Fort Oranje wil leggen.

Fort Oranje c.s. vermoedt dat deze acties samenhangen met de uitvoering van geheime uitspraken tussen verschillende overheidsorganen om aan Fort Oranje c.s. vermogen te ontnemen dan wel vermogensschade toe te brengen en stelt daarvan bewijzen te hebben waaruit blijkt van een nauwe samenwerking van de gemeente met de belastingdienst, de curator van [naam BV] en andere overheidsdiensten, zoals de politie. Deze stukken zijn naar aanleiding van Wob-verzoeken in het bezit van Fort Oranje c.s. gekomen en omvatten aantekeningen voorafgaand aan een werkbezoek door de staatssecretaris, het voorblad van een projectplan voor de aanpak van Fort Oranje en stukken van communicatie met de curator.

De gemeente heeft aanvankelijk de indruk gewekt dat de sluiting voor een jaar was bedoeld om de camping op orde te brengen, maar de praktijk pakte anders uit en het terrein veranderde binnen enkele dagen in een chaos, aldus Fort Oranje c.s. Divine heeft daarop bij brief van 25 juni 2017 verzocht om nadere gegevens over het gevoerde beheer en om wekelijkse informatie over de gang van zaken. Ook sommeert Divine de gemeente om voorafgaand aan elke handeling de beginsituatie op beeld vast te leggen. Bij brief van 27 juni 2017 heeft Divine de gemeente gewezen op schade die aan de eigendommen van Fort Oranje wordt toegebracht. Zij stelt de gemeente daarvoor aansprakelijk en sommeert tot het nemen van effectieve maatregelen. Op beide brieven is geen reactie ontvangen.

De gemeente is vervolgens gestart met het op grote schaal verwijderen van de aan Fort Oranje toebehorende stacaravans, terwijl volgens de inspectierapporten van de gemeente bij 85% van de gecontroleerde stacaravans geen gebreken zijn geconstateerd in de zin van artikel 1a of 1b van de Woningwet. Het betreft dus bewoonbare caravans met een waarde uiteenlopend van enkele duizenden tot tienduizenden euro’s per stuk. Ook wordt de infrastructuur ontmanteld en (horeca)voorzieningen onbruikbaar gemaakt. In een kort geding heeft Fort Oranje c.s. getracht de gemeente te verbieden de stacaravans en andere gebouwen te verwijderen en heeft zij geëist een plan van aanpak te overleggen van het beheer en inzage in de administratie, de nulmetingen en de logboeken met betrekking tot het beheer. De gemeente stelde in dit kort geding dat zij de sloop van stacaravans zou beperken tot exemplaren met een waarde minder dan € 1.000,-- en dat stacaravans met en waarde tot € 10.000,-- zouden worden opgeslagen. Later stelde de gemeente nog dat stacaravans met waarde boven € 10.000,-- zouden blijven staan. Dit is echter onjuist gebleken, omdat inmiddels alle stacaravans zijn verwijderd, weggegeven, verkocht of gesloopt. Ook de opgeslagen stacaravans zouden worden gesloopt. In het kort geding stelde de gemeente verder dat er geen schriftelijk opgesteld plan van aanpak zou bestaan. Fort Oranje c.s. spreekt dit tegen en verwijst naar een evaluatierapport waarin is opgenomen: “(…) de stafsectie voor het beheer is nog tot laat bezig om het beheersplan uit te werken (…)”.

Fort Oranje c.s. heeft tot op heden geen toestemming gekregen om de opgeslagen stacaravans te inventariseren of een inspectie van het terrein te doen. Bij een poging daartoe op 4 december 2017 zijn de bestuurder van Fort Oranje en zijn jurist in opdracht van de gemeente aangehouden en vastgezet, ondanks dat de bestuursrechter in een vonnis van 30 november 2017 had geoordeeld dat de bestuurders en gemachtigde van Fort Oranje c.s. recht en belang hebben bij het betreden van het terrein.

Fort Oranje c.s. heeft in diverse gerechtelijke procedures met de gemeente naar voren gebracht dat het vermoeden bestaat dat de handelswijze van de gemeente gericht is op het toebrengen van schade aan dan wel het ontnemen van vermogen van Fort Oranje c.s. en dat er tal van aanwijzingen zijn voor het bestaan van zulke afspraken. De gemeente heeft steeds categorisch het bestaan van zulke afspraken ontkend en heeft daarbij bovendien de rechtspraak in verschillende procedures onjuist geïnformeerd. Ook is het opvallend dat het beheer in opdracht van de gemeente word uitgevoerd door een vennootschap (Slufter Beheer BV) die op 4 juli 2017 is opgericht, nauwelijks een week na de inbezitneming door de gemeente. Fort Oranje c.s. vermoedt dat het hier gaat om een speciaal voor dit doel opgerichte vennootschap. Hoewel de beheerskosten op grond van artikel 13b Woningwet in overleg met de rechthebbende dienen te worden vastgesteld, heeft de gemeente tot op heden nimmer overleg gevoerd. Wel heeft de gemeente inmiddels zonder enige onderbouwing meer dan 4 miljoen euro in rekening gebracht voor het voeren van beheer.

Fort Oranje c.s. is van mening dat de gemeente onrechtmatig handelt en de haar toekomende wettelijke bevoegdheden misbruikt voor andere doeleinden dan die waarvoor die bevoegdheden zijn ingericht. Omdat de gemeente weigert informatie te verstrekken, is nog veel onduidelijk. Wel is duidelijk dat Fort Oranje c.s. aanzienlijke schade heeft geleden, zo stelt zij, en Fort Oranje c.s. is voornemens de gemeente daarvoor aansprakelijk te stellen. Om het misbruik van recht en de onrechtmatigheid van de handelswijze van de gemeente vast te stellen, wenst Fort Oranje c.s. een voorlopig getuigenverhoor om meer inzicht te verkrijgen in de afspraken die de gemeente heeft gemaakt met de belastingdienst en andere overheidsorganen met betrekking tot de aanpak van Fort Oranje en de doelstelling om in te zetten op ontneming.

3.3.

Mr. Roozendaal voert namens de gemeente verweer en stelt – samengevat – dat een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor de feiten en rechten die men wil bewijzen moet bevatten en dat het feitelijke gebeuren waarover verzoeker getuigen wil horen, zodanig moet zijn omschreven dat dit voor de rechter voor wie het verhoor wordt gehouden en de wederpartij voldoende duidelijk is. Het verzoekschrift voldoet daar niet aan, aldus de gemeente, waardoor het verzoek alle kenmerken van een fishing expedition heeft. Het verzoek is gebaseerd op vermoedens van Fort Oranje c.s. dat er sprake zou zijn van geheime afspraken tussen verschillende overheidsorganen, terwijl alleen de gemeente bij het verzoek wordt betrokken. De gemeente ziet daarin bevestigd dat de aanleiding voor het verzoekschrift niet is gelegen in de voorbereiding van een procedure bij de civiele rechter, maar in het verzamelen van feiten ten behoeve van de vele bestuursrechtelijke procedures tegen de gemeente.

Fort Oranje c.s. is op zoek naar informatie over hetgeen de gemeente en diverse partijen zouden hebben besproken of afgesproken over Fort Oranje. De burgemeester beschikt uit hoofde van haar functie over een verschoningsrecht en zij kan en mag niet verklaren over hetgeen is besproken, voor zover er al gesprekken hebben plaatsgevonden. Fort Oranje c.s. heeft aldus geen belang bij het verzoek.

Tevens levert het verzoek misbruik van procesrecht op, dan wel is het in strijd met de goede procesorde. Als Fort Oranje c.s. van mening is dat informatie ten onrechte niet of onvoldoende zou zijn verstrekt, dan moet zij gebruik maken van de haar openstaande bestuursrechtelijke procedure.

Fort Oranje c.s. stelt voorts dat de gemeente zich schuldig zou hebben gemaakt aan détournement de pouvoir en zij heeft zich daarop beroepen in diverse procedures tegen de gemeente. Zowel de bestuursrechter als de civiele rechter hebben de vorderingen van Fort Oranje c.s. echter afgewezen. De informatie die Fort Oranje c.s. tracht te achterhalen, lijkt zij nodig te hebben bij de behandeling van het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Daarvoor is het voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld, aldus de gemeente.

Er is ook geen sprake van enig onrechtmatig handelen van de gemeente. De gemeente heeft een besluit genomen op basis van onder andere artikel 13 van de Woningwet en aan dit besluit komt thans formele rechtskracht toe. De besluiten zijn niet vernietigd of herroepen op basis van een rechtmatigheidsgebrek. Voor zover bekend hebben verzoekers de gemeente ook nog niet gemotiveerd en onderbouwd aansprakelijk gesteld voor de schade die zij geleden stellen te hebben. Ten slotte is de gemeente van mening dat het verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen vereisten, omdat de woonplaats van de te horen getuigen niet in het verzoek is opgenomen. De gemeente stelt zich daarnaast op het standpunt dat het horen van de heren [naam E] en [naam F] geen redelijke bijdrage kan leveren aan het vaststellen van de feiten.

3.4.

Ter zitting wordt namens Fort Oranje c.s. aanvullend – samengevat – aangevoerd dat zij een civielrechtelijke procedure tegen de gemeente wil starten en dat er ook een verzoek voorlopig getuigenverhoor is ingediend tegen de belastingdienst. Van misbruik van procesrecht is geen sprake: de grondslag is een vordering wegens een onrechtmatige daad, bestaande uit het maken van afspraken over civielrechtelijke ontneming van bezit van Fort Oranje en de wijze waarop het beheer wordt uitgevoerd.

Aan wie verschoningsrecht toekomt is bij wet bepaald en hangt af van de persoon en het type vragen. Daarop kun je niet vooruit lopen, maar moet bij een verhoor per vraag worden beoordeeld als de burgemeester zich op haar verschoningsrecht beroept.

De gemeente stelt ten onrechte dat het verzoek betrekking heeft op een bestuursrechtelijk geschil. Fort Oranje c.s. wenst immers geen informatie te verkrijgen om de rechtmatigheid van een besluit te toetsen, maar de haalbaarheid van een civielrechtelijke vordering te onderzoeken. De ten aanzien van Fort Oranje genomen besluiten zijn slechts een uitvloeisel van een door Fort Oranje onrechtmatig geachte afspraak/samenwerking tussen diverse bestuursorganen, waaronder de gemeente, om aan Fort Oranje c.s. bezit te ontnemen. Ook het gebrek aan specificatie van de beheershandelingen en het vernietigen van eigendom van Fort Oranje is onrechtmatig.

Fort Oranje c.s. heeft geen toegang tot het park in verband met een gebiedsverbod. De overige te horen getuigen naast de burgemeester zijn uitvoerders van het beheer en zijn neutraler dan de gemeente. Als na het horen van de getuigen blijkt dat het bewijs van de onrechtmatige daad niet geleverd kan worden, wordt voorkomen dat een onnodige procedure wordt opgestart.

Fort Oranje c.s. heeft de gemeente aansprakelijk gesteld. De hoogte van de schade is bekend bij de gemeente en is gelijk aan de door de gemeente verzonden factuur.

De woonplaats van de heer [naam F] is blijkens het handelsregister [woonplaats] . De woonplaats van de heren [naam E] is niet bekend, maar dit betreft een eenvoudig te herstellen gebrek.

3.5.

Namens de gemeente voert mr. Roozendaal – samengevat – aan dat door Fort Oranje c.s. een theoretisch onderscheid wordt gemaakt tussen de civiele en bestuursrechtelijke procedure. De overname van het beheer is gebeurd bij een bestuursrechtelijk te toetsen besluit van een bestuursorgaan dat heeft gehandeld in de uitoefening van bestuursrechtelijke taken. Ook de wijze van totstandkoming van dit besluit en wat voorafgaand aan de orde is gekomen, maakt onderdeel uit van de bestuursrechtelijke besluitvorming en valt dus onder het beginsel van formele rechtskracht. Pas als door de bestuursrechter is bepaald dat het besluit of de besluitvorming onrechtmatig is, kan sprake zijn van een civiele procedure wegens onrechtmatige daad en wordt het verzoek relevant. Procedures bij bestuursrecht hebben niet tot het door Fort Oranje c.s. gewenste doel geleid. Het verzoek is dan ook prematuur omdat nog geen onrechtmatig handelen is vastgesteld, ook niet ten aanzien van de wijze waarop het beheer wordt uitgevoerd. Fort Oranje c.s. probeert via deze weg stukken in handen te krijgen, terwijl dit in andere procedures steeds is afgewezen. Deze stukken vallen ook onder de Wob.

Het verschoningsrecht hangt af van de aard van de informatie die wordt verzocht. Als Fort Oranje c.s. personen wil horen over de vermeende ‘Bloedkoraal’- en “Maïsveld’-stukken, dan valt dat zondermeer onder het verschoningsrecht.

Het doel van Fort Oranje c.s. kan dus niet worden bereikt. Wat de uitvoerende partijen zouden moeten verklaren over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het beheer is het onduidelijk. Als het gaat om intenties, dan moeten die vragen worden voorgelegd aan de gemeente. De uitvoerders acteren in opdracht van de overheid op basis van bekende overeenkomsten. Wat daarmee aan de hand is, blijkt niet uit het verzoek.

3.6.

Ten aanzien van het onderhavige verzoek en de stellingen van partijen, overweegt de rechtbank als volgt.

3.7.

Bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, geldt ingevolge art. 186 jo. art. 166 lid 1 Rv als hoofdregel dat de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak één der partijen dit verzoekt, de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en deze feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor dient, indien het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en feiten bevat die zich lenen voor een getuigenverhoor, in beginsel te worden toegewezen. Een verzoek is voldoende concreet indien de verzoeker het feitelijk gebeuren waarover hij getuigen wil doen horen zodanig heeft omschreven dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij, voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben.

3.8.

Afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor is voorts slechts mogelijk indien zich feiten en omstandigheden voordoen die duiden op strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid dan wel een ander door de rechter geoordeeld zwaarwichtig bezwaar (HR 13 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3345). Daarnaast dient een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te worden afgewezen indien verzoeker daarbij geen belang heeft als bedoeld in art. 3:303 BW (HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809).

3.9.

Voordat de rechtbank inhoudelijk op het verzoek beslist, zal zij ingaan op het verweer van de gemeente dat het verzoek niet aan de formele vereisten voldoet, omdat de woonplaatsen van de te horen getuigen niet zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit geen aanleiding geeft om het verzoek af te wijzen. Ter zitting heeft Fort Oranje c.s. de woonplaats van [naam F] medegedeeld op basis van de gegevens uit het handelsregister. Verder is voldoende gebleken dat bij alle partijen bekend is wie de te horen getuigen zijn, zodat daarover geen verwarring kan bestaan.

3.10.

Ten aanzien van de overige verweren overweegt de rechtbank als volgt.

De gemeente heeft allereerst betoogd dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het een fishing expedition betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een fishing expedition, omdat in het verzoekschrift en ook ter zitting voldoende duidelijk naar voren is gebracht over welke feiten Fort Oranje c.s. welke getuigen wil horen. Afwijzing van het verzoek wegens een fishing expedition is dus niet aan de orde.

De gemeente voert ook aan dat er geen belang is bij het verzoek, omdat de burgemeester zich op haar verschoningsrecht kan beroepen en de overige getuigen slechts uitvoerders zijn van de door de gemeente verstrekte opdracht, zodat zij geen redelijke bijdrage kunnen leveren aan het vaststellen van de feiten.

De rechtbank overweegt dat het verschoningsrecht geen algemeen recht is. Het komt slechts aan een beperkte groep personen toe en er moet een beroep op worden gedaan. De gemeente erkent dit ook. Dit betekent dat het aan de rechter voor wie het getuigenverhoor wordt gehouden, is voorbehouden om bij een beroep op het verschoningsrecht per vraag te beoordelen of dit verschoningsrecht de burgemeester ten aanzien van de betreffende vraag toekomt. Daarom kan het verschoningsrecht niet in de weg staan aan toewijzing van het verzoek.

Met betrekking tot het horen van de andere getuigen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gesteld welk persoon over welk(e) onderwerp(en) kan verklaren. Of dit al dan niet een redelijke bijdrage levert aan de vast te stellen feiten, is eveneens een vraag die niet op voorhand kan worden beantwoord. Daarom kan het verzoek ook niet worden afgewezen wegens gebrek aan belang.

De gemeente beroept zich voorts op strijd met de goede procesorde en voert daartoe aan dat Fort Oranje c.s. het voorlopig getuigenverhoor gaat gebruiken om informatie te achterhalen die zij kan gebruiken in de bestuursrechtelijke beroepsprocedure. Fort Oranje c.s. betwist dit en stelt dat het voorlopig getuigenverhoor ziet op een te starten civiele bodemprocedure in verband met schadevergoeding wegens onrechtmatige gedragingen door de gemeente, bestaande uit het maken van afspraken over civielrechtelijke ontneming van bezit van Fort Oranje en de wijze waarop het beheer wordt uitgevoerd.

De gemeente voert aan dat het beginsel van de formele rechtskracht er aan in de weg staat dat sprake is van een onrechtmatige gedraging. Indien een besluit in stand is gebleven, wordt het immers naar aard én wijze van totstandkoming rechtmatig geacht. Voor de conclusie dat sprake is van een onrechtmatige wijze van uitvoering van het beheer ontbreken de feiten, aldus de gemeente.

De rechtbank is van oordeel dat de vraag of de door Fort Oranje c.s. gestelde afspraken los van de daaruit voortvloeiende besluiten een afzonderlijke onrechtmatige daad van de gemeente opleveren, zoals Fort Oranje betoogt, dan wel dat bepaalde gedragingen, handelingen van de gemeente of afspraken die zijn voorafgegaan aan bestuursrechtelijke besluiten worden bestreken door het beginsel van de formele rechtskracht, zoals de gemeente aanvoert, een vraag is die beantwoord moet worden door de bodemrechter in een (civielrechtelijke) bodemprocedure.

Dat de feiten ontbreken voor de conclusie dat sprake is van onrechtmatig beheer, zoals de gemeente stelt, is voor de beoordeling van het verzoek niet relevant. Een voorlopig getuigenverhoor dient nu juist om tot feitengaring te komen, terwijl de rechtbank al eerder overwoog dat Fort Oranje c.s. voldoende duidelijk naar voren heeft gebracht over welke feiten zij getuigen wil horen

Op grond van de in dit verzoek beschikbare gegevens en stellingen kan niet bij voorbaat al worden gezegd dat geen sprake kan zijn van een civielrechtelijke grondslag, zodat het verzoek ook op deze grond niet kan worden afgewezen.

3.11.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1.

gelast dat een voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden met betrekking tot de in het verzoekschrift en ter zitting nader toegelichte stellingen;

4.2.

bepaalt dat als getuigen zullen worden gehoord:

- mevrouw [naam G] , wonende te [woonplaats A] ,

  • -

    de heer [voornamen] [naam E] ,

  • -

    de heer [voornamen B] [naam H] ,

  • -

    de heer [voornamen C] [naam F] , wonende te [woonplaats] ;

4.3.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Breda aan de Stationslaan 10 en draagt dat verhoor op aan een nog nader aan te wijzen lid van deze rechtbank die tot rechter-commissaris wordt benoemd;

4.4.

bepaalt dat de advocaat van Fort Oranje c.s. binnen twee weken na heden bij brief aan de griffie opgave zal doen van de verhinderdagen aan de zijde van Fort Oranje c.s. en de gemeente, op alle dagen van de week voor de periode van vijf maanden vanaf de dagtekening van de brief;

4.5.

verstaat dat bij de oproeping van de getuigen de in artikel 170 Rv voorgeschreven formaliteiten in acht zullen worden genomen, waarbij de in dat artikel bedoelde oproepingsbrieven aangetekend zullen worden verzonden;

4.6.

bepaalt dat Fort Oranje c.s. jegens de gemeente uiterlijk twee weken vóór de eerste zittingsdatum aan zijn in artikel 190 lid 1 Rv voorgeschreven verplichtingen voldoet.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Alphen en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2018.1

1 type: vda coll: