Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5185

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
AWB 18_1158
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 februari 2018 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/1158 ZW

uitspraak van 30 augustus 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 februari 2018 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam zoon] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was bij [naam werkgever] (de werkgever) werkzaam als heftruckchauffeur. Op 22 oktober 2015 is eiser uitgevallen met lichamelijke klachten als gevolg van chronische recidiverende ontsteking van de alvleesklier. De werkgever is eigen risicodrager en eiser ontvangt van de werkgever een ZW-uitkering.

Bij besluit van 13 september 2017 (primair besluit I) heeft het UWV op verzoek van de werkgever eisers ZW-uitkering met ingang van 30 augustus 2017 geschorst, omdat eiser niet reageert op verzoeken van re-integratiebureau Solutions om contact op te nemen.

Bij besluit van 15 september 2017 (primair besluit II) heeft het UWV eisers ZW-uitkering over de periode van 8 september 2017 tot en met 7 januari 2018 (op verzoek van de werkgever) verlaagd met 25% (maatregel). Deze maatregel is opgelegd, omdat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen van het Plan van Aanpak (PvA) van 13 februari 2017. Eiser heeft zonder geldige reden niet gereageerd op twee aangeboden werkervaringsplaatsen van de re-integratieconsulent.

Bij besluit van 27 november 2017 (primair besluit III) heeft het UWV op verzoek van de werkgever de verplichtingen van het PvA van 13 februari 2017 aan eiser opgelegd.

Met het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser tegen primaire besluiten II en III gegrond verklaard en tegen primair besluit I ongegrond. Het UWV stelt dat op 13 februari 2017 een PvA is opgesteld. Volgens het PvA is dat gericht op re-integratie in vrijwilligerswerk of regulier werk bij een andere werkgever en daarnaast op het verhogen van eisers belastbaarheid door hem sollicitatievaardig te maken en in te zetten op vrijwilligerswerk. Het UWV constateert dat het PvA niet strookt met de bevindingen van de arbeidsdeskundige van de werkgever, omdat re-integratie bij een andere werkgever niet aan de orde is. Het PvA is daarom uitsluitend gericht op het verhogen van eisers belastbaarheid door hem sollicitatievaardig te maken en in te zetten op vrijwilligerswerk. Eiser heeft zich echter niet aan het PvA gehouden, omdat hij niet uiterlijk 8 september 2017 heeft gereageerd op het verzoek van de re-integratieconsulent met betrekking tot twee werkervaringsplaatsen. De re-integratieconsulent heeft in juli en augustus 2017 een aantal malen gevraagd om daarop te reageren. Het UWV ziet dan ook voldoende aanleiding voor het opleggen van een maatregel. Omdat het PvA niet gericht is op directe toetreding tot de arbeidsmarkt en eiser op 11 september 2017 alsnog heeft gereageerd ziet het UWV aanleiding voor matiging van de maatregel. Eisers ZW-uitkering wordt met 15% gedurende 4 maanden verlaagd, ingaande 9 september 2017 tot het einde van de uitkering (18 oktober 2017).

2. Eiser heeft in beroep samengevat aangevoerd dat hem ten onrechte een maatregel is opgelegd. Eiser betwist dat hij niet uiterlijk 8 september 2017 heeft gereageerd op de werkervaringsplaatsen. Eiser stelt op 3 september 2017 te hebben gereageerd op een vacature van het [naam bedrijf] . Daarnaast heeft eiser aan de re-integratieconsulent gevraagd of zij voor hem geschikt werk kon vinden. De consulent heeft echter helaas alleen vacatures buiten [woonplaats] toegezonden. Eiser mag niet autorijden of fietsen. Verder mag hij geen fysiek of staand werk doen. De door de consulent toegestuurde vacatures waren niet geschikt voor eiser. Eiser heeft dat ook verschillende keren aangegeven, maar de consulent dreigde steeds met stopzetting of verlaging van de uitkering. Uit angst heeft eiser dan ook twee keer gesolliciteerd, maar zonder resultaat. Eiser geeft aan dat hij heel graag wil werken, maar zijn gezondheid laat dat niet toe. Eiser ontvangt inmiddels een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Hij snapt dan ook niet dat hij vrijwilligerswerk moet doen.

3. Op grond van artikel 8, aanhef en onder a, van de ZW, wordt eiser als werknemer in de zin van de ZW beschouwd. Het UWV wordt op grond van artikel 11, eerste lid, van de ZW als werkgever in de zin van de ZW beschouwd en de werkgever, die als eigenrisicodrager het ziekengeld aan eiser betaalt, treedt op grond van artikel 11, vierde lid, van de ZW, als werkgever in de plaats van het UWV.

Artikel 29g van de ZW bepaalt - onder meer -:

1. De verzekerde die ziekengeld ontvangt is verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen.

2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, is de verzekerde die ziekengeld ontvangt in elk geval verplicht:

(…)

d. mee te werken aan het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

e. te voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in het plan van aanpak en het re-integratieplan, bedoeld in onderdeel d.

Op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder p, van de ZW weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend indien de belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet of niet behoorlijk is nagekomen.

In artikel 63a van de ZW is nader geregeld dat de taken van een eigenrisicodrager onder meer bestaan uit het voorbereiden van besluiten inzake uitkeringen op grond van de ZW en het begeleiden van zijn tot het verrichten van arbeid ongeschikte gewezen werknemers in het kader van hun re-integratie. Verder treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van het opleggen van een aantal verplichtingen aan de gewezen werknemers in de plaats van het UWV.

De in artikel 7:658a van het Burgerlijk Wetboek (BW) opgenomen verplichtingen voor werkgevers en werknemers in het kader van re-integratie, zijn op grond van het zesde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodragers en op de gewezen werknemers aan wie de eigenrisicodragers ziekengeld betalen. Artikel 7:660a van het BW bepaalt dat de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte is verhinderd de bedongen arbeid te verrichten, onder meer verplicht is zijn medewerking te verlenen aan het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:658a, derde lid, van het BW.

Artikel 2 van de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW bepaalt (Regeling eigenrisicodragen):

1. De eigenrisicodrager legt een voorstel voor een beslissing aan het UWV voor.

2. De eigenrisicodrager bereidt de beslissing op zorgvuldige wijze voor, waarbij het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten.

3. De eigenrisicodrager doet zijn voorstel voor een beslissing op een door het UWV daartoe beschikbaar gesteld formulier en stuurt zo spoedig mogelijk nadat hij redelijkerwijze had kunnen weten dat het UWV een beslissing moet nemen en via een beschikking bekend moet maken, dit formulier aan het UWV.

4. Met het in het eerste lid bedoelde voorstel voor een beslissing worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden.

5. Het UWV verzekert zich ervan dat de voorbereiding van de beslissing door de eigenrisicodrager op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten.

6. Indien de eigenrisicodrager het voorstel naar het oordeel van het UWV niet of niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, wordt de eigenrisicodrager in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een hem door het UWV gestelde termijn.

7. Indien de eigenrisicodrager binnen de gestelde termijn het verzuim niet of niet voldoende heeft hersteld, verricht het UWV de werkzaamheden als bedoeld in artikel 63a, eerste lid, van de ZW, of onderdelen daarvan.

8. Het UWV maakt de beschikking zo spoedig mogelijk bekend.

Artikel 4 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar bepaalt:

1. Indien uit het oordeel van de bedrijfsarts of de arbodienst, bedoeld in artikel 2, tweede of derde lid, blijkt dat er nog mogelijkheden zijn om de terugkeer naar arbeid van de werknemer te bevorderen, stelt de werkgever in overeenstemming met de werknemer, binnen twee weken na het oordeel een plan van aanpak op.

2. Het plan van aanpak, bedoeld in het eerste lid, omvat in ieder geval:

a. de door de werkgever en de werknemer te ondernemen activiteiten gericht op inschakeling in de arbeid, de daarmee te bereiken doelstellingen en de termijnen waarbinnen die doelstellingen naar verwachting kunnen worden bereikt;

b. afspraken omtrent de momenten waarop de in het plan van aanpak overeengekomen activiteiten door de werkgever en de werknemer worden geëvalueerd, die evaluatie vindt periodiek, en in ieder geval aan het einde van het eerste ziektejaar plaats, en

c. aanwijzing van een persoon die de overeengekomen activiteiten begeleidt en het contact verzorgt tussen werknemer, werkgever en bedrijfsarts of arbodienst.

3. Het plan van aanpak wordt schriftelijk vastgelegd. De werkgever verstrekt hiervan onverwijld een afschrift aan de werknemer, de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde persoon en de bedrijfsarts of de arbodienst.

4. De werkgever draagt er zorg voor dat de bedrijfsarts of de arbodienst de werknemer regelmatig hoort over het verloop van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid en verlangt indien het verloop van de ongeschiktheid naar het oordeel van de bedrijfsarts of de arbodienst bijstelling van het plan van aanpak noodzakelijk maakt, hieromtrent onverwijld advies van de bedrijfsarts of de arbodienst aan zichzelf en de werknemer.

5. Het plan van aanpak wordt bijgesteld indien de evaluatie van dat plan van aanpak of het in het vierde lid bedoeld advies van de bedrijfsarts of de arbodienst daartoe aanleiding geeft. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten wordt de hoogte en duur van een op te leggen maatregel vastgesteld op 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6.

Op grond van artikel 5, aanhef en onder c, van het Maatregelenbesluit wordt het niet nakomen van de plichten die zijn opgenomen in het plan van aanpak, de re-integratievisie of het re-integratieplan, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel p, van de ZW, aangemerkt als een gedraging van de derde categorie.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat het beroep kennelijk niet is gericht tegen het bestreden besluit, voor zover dat de schorsing van eisers ZW-uitkering betreft. Eiser heeft tegen die schorsing geen gronden ingebracht. Bovendien heeft het UWV ter zitting aangegeven dat die schorsing met het nemen van primair besluit II (het opleggen van de maatregel) is beëindigd omdat eisers uitkering is hervat onder effectuering van de maatregel.

Ter beoordeling ligt aan de rechtbank daarom uitsluitend de vraag voor of de besluiten van het UWV, waarbij (op verzoek van de eigen risicodragende werkgever) het PvA van 13 februari 2017 is vastgesteld en een maatregel is opgelegd vanwege het niet nakomen van de verplichtingen uit dat PvA, standhouden.

Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2260) volgt dat met inachtneming van de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld over het besluitkarakter van een PvA, een eigenrisicodrager het UWV zal moeten verzoeken een besluit af te geven als een werknemer zich verzet tegen een PvA dat zelfstandige rechtsgevolgen in het leven kan roepen en de werknemer daartegen bezwaar wil maken. Het UWV zal vervolgens met inachtneming van artikel 2, vijfde, zesde en zevende lid, van de Regeling eigenrisicodragen het PvA vaststellen en voorzien van een bezwaarclausule naar de werknemer verzenden. In het geval een eigenrisicodrager het UWV verzoekt een maatregel op te leggen op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder p, van de ZW, zal het UWV zich op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Regeling eigenrisicodragen moeten vergewissen of het onderliggende PvA zelfstandige rechtsgevolgen in het leven kan roepen en - als dat zo is - of het PvA in een besluit door het UWV aan de werknemer bekend is gemaakt. Als het onderliggende PvA zelfstandige rechtsgevolgen in het leven kan roepen, maar nog niet in de vorm van een besluit aan de werknemer bekend is gemaakt, dan kan - als overigens is voldaan aan de eisen van een zorgvuldige voorbereiding van de beslissing en het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten - in één besluit zowel het PvA worden vastgesteld als de maatregel worden opgelegd.

De CRvB heeft in de uitspraak van 13 april 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ11880) geoordeeld dat een door het UWV opgesteld PvA een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), als het is gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in het PvA zodanig worden uitgewerkt dat kan worden gesteld dat met het PvA is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan. In artikel 4, tweede lid, van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever zijn de onderdelen opgesomd die het PvA in ieder geval moet omvatten, waaronder de door de vangnetter te ondernemen activiteiten en de evaluatiemomenten.

De rechtbank is, mede gelet op deze rechtspraak, van oordeel, dat de rechten en verplichtingen in het in geding zijnde PvA onvoldoende zijn uitgewerkt om daarmee een zelfstandig rechtsgevolg te doen ontstaan. In het PvA staat voor wat betreft het vrijwilligerswerk onder ‘Voorbereiden werkoriëntatie of vrijwilligerswerk’ slechts: ‘Voordat verzekerde op zoek gaat naar een reguliere baan worden werkoriëntaties of vrijwilligerswerk gezocht, onder andere om te bekijken in hoeverre de belastbaarheid verhoogd kan worden. Op basis van CV en conclusies worden aantal bedrijven/instellingen uitgezocht waarmee een gesprek over mogelijke oriëntatie of vrijwilligerswerk gevoerd kan worden. De re-integratieconsulent zoekt (samen met verzekerde) een aantal bedrijven dat door verzekerde benaderd kan worden.’ Niet is vastgelegd bijvoorbeeld dat eiser op door de consulent aangereikt vrijwilligerswerk dient te reageren, met welke frequentie hij (minimaal) dient te reageren en binnen welke termijn. Voor zover al met voormelde omschrijving in het PvA kan worden gesproken van verplichtingen met betrekking tot het vrijwilligerswerk zijn deze naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en duidelijk vastgelegd om zelfstandige rechtsgevolgen in het leven te roepen en geen voldoende basis om eiser tegen te werpen dat hij de verplichtingen van het PvA niet is nagekomen en op grond daarvan een maatregel op te leggen.

Nu het PvA geen concrete zelfstandige rechtsgevolgen in het leven riep, kan het besluit tot vaststelling daarvan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het UWV had het daartegen gerichte bezwaar dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Daarnaast heeft het UWV eiser ten onrechte een maatregel opgelegd op de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen van het PvA. Dat eiser die verplichtingen op grond van het PvA had is namelijk niet gebleken. Het bestreden besluit houdt daarom geen stand.

5. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van het PvA en de aan eiser opgelegde maatregel. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar tegen het besluit tot vaststelling van het PvA (primair besluit III) niet-ontvankelijk wordt verklaard en het besluit waarbij aan eiser een maatregel is opgelegd (primair besluit II) wordt herroepen. Dit betekent dat de maatregel is komen te vervallen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat dit, gelet ook op het feit dat het primaire besluit I zijn werking inmiddels heeft verloren, tot gevolg heeft dat eisers uitkering vanaf de datum van de schorsing volledig moet worden (door-)betaald.

6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

7. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte reiskosten. Deze kosten stelt de rechtbank conform eisers opgave vast op € 16,24.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van het plan van aanpak van 13 februari 2017 (primair besluit III) en de aan eiser opgelegde maatregel (primair besluit II);

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de vaststelling van het plan van aanpak niet-ontvankelijk:

  • -

    herroept de aan eiser opgelegde maatregel;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 16,24.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.