Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5152

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
02/984831-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van een van de medeveroordeelden in een zaak waarbij een 59–jarige man uit Breda is veroordeeld tot een celstraf van 4 jaar wegens grootschalige productie en handel in synthetische drugs, op grote schaal witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Verdachte (en o.a. zijn zoon) werden in 2012 samen met 7 medeverdachten gearresteerd na een meerjarig onderzoek. De rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist omdat de verdachten worden vrijgesproken van de hen verweten smokkel van 400 kilogram cocaïne (in welke zaak bij twee Belgische verdachten de OvJ niet-ontvankelijk in de vervolging is verklaard) en daarnaast omdat de rechtbank bij de hoofdverdachten de met het witwassen vergaarde geldbedragen als bijkomende straf ambtshalve verbeurd heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/984831-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Breda

wonende te Breda, [adres 1]

raadsman mr. R. van ‘t Land, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is meermalen inhoudelijk behandeld, laatstelijk op de zitting van 28 juni 2018. De officieren van justitie, mrs. Janssen en Lemstra, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op de zitting van 24 augustus 2018.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en later gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van dat wetboek. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot 16 januari 2012 te Breda en/of Rijsbergen en/of Raamsdonkveer en/of Hank, gemeente Werkendam en/of Hoeven, gemeente Halderberge, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen in Nederland en/of te Merksplas, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen te België, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd

- ( een) hoeveelhe(i)dfen) van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of

- ( een) hoeveelhefi)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine,

zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

art 2 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot 16 januari 2012 te Breda en/of Rijsbergen en/of Raamsdonksveer en/of Hank, gemeente Werkendam en/of Hoeven, gemeente Halderberge, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen in Nederland en/of te Merksplas, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen in België, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of

- ( een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de hij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( telkens) zich of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit (en),

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s),

  • -

    contacten onderhouden en/of ontmoetingen gehad en/of instructies gegeven en/of onderhandelingen gevoerd en/of

  • -

    geld verstrekt en/of

  • -

    chemicaliën en/of hardware en/of andere benodigdheden ten behoeve van de productie voorhanden gehad en/of verstrekt;

art l0a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2011 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 20,5 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 15 pillen MDMA, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

art 2 lid 1 ahf/ond C Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot 16 januari 2012 te Breda en/of Tilburg en/of Echt, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, (telkens) zijnde (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond 3 Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot 16 januari 2012 te Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (een) voorwerp(en), te weten:

een of meer geldbedrag(en) van (telkens) (ongeveer)

- 91.955 euro, in ieder geval 39.931,62 euro (fictief loon [cafe 1] en/of [BV 1] en/of [BV 2] ) en/of ongeveer

148.885 euro, in elke geval 136.550 euro en/of

- een of meer goed(eren), te weten meubelen (vitrinekasten, een dressoir, een salontafel

en/of een TV-opzetkast),

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dit/deze een voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot 16 januari 2012 te Breda, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) voorwerp(en) , te weten:

een of meer geldbedrag(en) van (telkens) (ongeveer)

  • -

    91.955 euro, in ieder geval 39.931,62 euro (fictief loon [cafe 1] ) en/of ongeveer

  • -

    148.885 euro, in elke geval 136.550 euro en/of

- een of meer goed(eren), te weten meubelen (vitrinekasten, een dressoir, een salontafel

en/of een TV-opzetkast),

heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dit/deze een voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was /waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 12 oktober 2011 te Breda, een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk Walther, type P990, kaliber .40 en/of munitie van categorie III, te weten 8, althans een aantal, kogelpatronen, kaliber 40 S.W. voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

5.

hij op of omstreeks 12 oktober 2011 te Breda (een) wapen(s) van categorie 1 onder 7°, te weten twee, althans een of meer imitatie vuurwapen(s), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot 16 januari 2012 te Breda, in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, mede bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

  • -

    het in- en/of uitvoeren en/of telen en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van hennep en/of

  • -

    het in- en/of uitvoeren en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van amfetamine en/of MDMA en/of metamfetamine en/of cocaïne en/of

  • -

    het witwassen van met criminele activiteiten verkregen geld.

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair en feit 2 nietig dient te worden verklaard nu de tenlastelegging van die feiten te algemeen is omschreven en onduidelijk is. Volgens de officier van justitie vormde in eerste instantie de inhoud van de (OVC-)gesprekken de onderbouwing voor de concreet beschreven feiten in de diverse zaaksdossiers. Thans echter is volgens de officier van justitie de inhoud van die gesprekken de basis voor de verweten feiten en zijn de concrete trajecten daarvoor een bevestiging. Daarmee zijn echter de feitelijke handelingen die verdachte onder feit 1 worden verweten en waarmee hij deze zou hebben gepleegd nog steeds niet genoemd. Bij de verweten productie van en handel in synthetische drugs wordt de duur van de onderzoeksperiode omschreven als zijnde de pleegperiode. Daarnaast worden de productie, handel en alle andere varianten van de synthetische drugs niet uitgesplitst in feitelijkheden en worden niet alleen specifieke pleegplaatsen genoemd maar omvat de tenlastelegging in feite ook alle andere plaatsen in zowel Nederland als België. De tenlastelegging is aldus te algemeen en te onduidelijk omschreven, zodat niet duidelijk is in hoeverre het feitencomplex is afgebakend. Evenmin is vermeld met wie verdachte dat dan zou hebben gedaan, in welke vorm en ten aanzien van welke hoeveelheden.

Ook bij feit 2 (de hennepzaak) zou de tenlastelegging volgens de officier van justitie meer omvatten dan alleen de daarin genoemde incidenten en is, naast het noemen van de vermeende pleegplaatsen, opgenomen “in elk geval op een of meer (andere) plaatsen in Nederland”. Aldus voldoet de dagvaarding niet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan een tenlastelegging stelt omdat deze onvoldoende gedetailleerd is en de feiten onvoldoende concreet naar tijd en plaats omschrijft.

De raadsman heeft zich voorts aangesloten bij andere verweren, in deze zaak gevoerd door de verdediging in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , nu er sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde, waardoor niet langer gesproken kan worden van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

De rechtbank overweegt als volgt:

De rechtbank stelt ten aanzien van zowel feit 1 primair en subsidiair als feit 2 vast dat bij grote strafzaken zoals de onderhavige in tenlasteleggingen de feiten wel vaker enigszins algemeen worden omschreven. De in dit concrete geval in artikel 261 Wetboek van Strafvordering omschreven ondergrens is echter niet overschreden. Een tenlastelegging dient immers niet sec gelezen te worden, maar in combinatie met de inhoud van het onderliggende dossier waarnaar de betreffende feitsomschrijving verwijst.

De rechtbank stelt vast dat ieder zaaksdossier per onderwerp een relaasproces-verbaal omvat waarin alle van belang zijnde onderwerpen zijn samengevat en omschreven.

Aan de hand van dat relaasproces-verbaal kan de verdediging eenvoudig die duidelijkheid vinden. Aldus is voldaan aan de eisen die artikel 261 Wetboek van Strafvordering daaraan stelt. De dagvaarding is geldig.

3.2

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft zich aangesloten bij hetgeen in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] hieromtrent is aangevoerd en meent dat op grond van “gestapelde” redenen het Openbaar Ministerie (hierna: O.M.) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, waarbij alle gevolgen van een onrechtmatige start van het onderzoek Carneool moeten worden beschouwd als “fruits from the poisonous tree”. De verdediging komt daartoe op grond van het navolgende:

Voor maart 2007 was er sprake van een verkennend onderzoek ex artikel 126gg van het Wetboek van Strafvordering, zonder dat daartoe het benodigde bevel was gegeven door de officier van justitie. Dat onderzoek was ook overigens onrechtmatig aangezien stelselmatig informatie over verdachte is vergaard, zonder dat er sprake was van enige reële verdenking.

Vanaf maart 2007 vloeide het verdere onderzoek rechtstreeks voort uit gemelde onrechtmatige start, zodat de resultaten van het sindsdien ingestelde preweegonderzoek moeten worden beschouwd als verboden vruchten. Ook in deze fase is er sprake van een verkennend onderzoek zonder daartoe strekkend bevel van de officier. BOB-middelen zijn ingezet terwijl het vereiste redelijk vermoeden van schuld ontbreekt.

Het gestelde redelijke vermoeden van schuld op basis van CIE-informatie vond geen steun in het (zeer uitgebreide) onderzoek Boontjes. Bovenal steunde het op het bestreden proces-verbaal van [verbalisant 1] , welk proces-verbaal ondanks verzoeken van de verdediging nimmer is hersteld of aangevuld.

Daarnaast werd in die periode gebruik gemaakt van via de fiscale weg over [medeverdachte 1] verkregen informatie, hetgeen in strijd is met het nemo tenetur beginsel.

Tot slot werd ontlastend materiaal ter zijde geschoven.

Ook na juli 2009 was de start van het onderzoek onrechtmatig en bleef een redelijk vermoeden van schuld ontbreken, werd CIE-info nimmer objectief en toetsbaar bevestigd en hadden bijzondere opsporingsmiddelen niet mogen worden ingezet doordat de rechter-commissaris soms onjuist, maar steeds onvolledig, werd ingelicht.

Ten slotte is door O.M. en rechtbank onvoldoende inspanning verricht om de ontlastende getuige X te horen.

Door de ernstige schendingen van de beginselen van een goede procesorde kan niet (langer) worden gesproken van een eerlijk proces krachtens artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Op grond van het Zwolsman-criterium waren de inbreuken op de belangen van verdachte dermate grof of doelbewust, althans werd op grond van het Karman-criterium door het handelen van het O.M. het wettelijke systeem dermate in de kern geraakt, dat ook ten aanzien van deze verdachte het O.M. niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Subsidiair dient bewijsuitsluiting plaats te vinden.

Daargelaten de vraag of voornoemde verweren niet reeds afstuiten op de zogenoemde Schutznorm, overweegt de rechtbank dienaangaande als volgt.

Anders dan de verdediging betoogt was er vóór maart 2007 naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een verkennend onderzoek, een opsporingsonderzoek of stelselmatige informatie-inwinning jegens [medeverdachte 1] .

Naar aanleiding van een Belgisch rechtshulpverzoek van 14 maart 2006 (in het onderzoek Brevis) met betrekking tot de verkoop van chemicaliën (mogelijk ten behoeve van het productieproces van synthetische drugs) door het Belgische [bedrijf 1] aan Nederlanders, waarbij verdachte [medeverdachte ander onderzoek 1] bemiddelde, werden twee onderzoeken opgestart: Amsteldiep en Zachtebed.

Uit die onderzoeken kwam naar voren dat agenten [medeverdachte 1] op 22 maart 2006 hebben zien spreken met die [medeverdachte ander onderzoek 1] . [medeverdachte 1] reed die dag in een auto, merk Peugeot, kenteken [auto 1] . Tijdens een observatie op 5 april 2006 werd gezien dat de bestuurder van die Peugeot in Tilburg een ontmoeting had met de bestuurder van een wit busje (een Ford Transit) die eerder die dag twee pallets met jerrycans had ingeladen bij [bedrijf 1] . Op 18 april 2006 zagen observanten dat [medeverdachte 1] nog een ontmoeting had met [medeverdachte ander onderzoek 1] .

Daarnaast was bij de politie uit het onderzoek Boontjes bekend dat in die zaak CIE-informatie was binnengekomen waarin werd gesproken over ontmoetingen van criminelen, waaronder [medeverdachte 1] , bij [bedrijf 2] te Tilburg en dat [medeverdachte 1] is te zien op camerabeelden terwijl hij een bezoek brengt aan [bedrijf 2] .

Het samen brengen van deze informatie uit drie verschillende opsporingsonderzoeken, gericht tegen andere verdachten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als stelselmatige en intensieve informatievergaring jegens [medeverdachte 1] . Ook van een gericht opsporingsonderzoek jegens [medeverdachte 1] is in deze fase geen sprake.

Tussen 1 maart 2007 en 29 juni 2009 vindt vervolgens de zogenoemde projectvoorbereiding ofwel het preweegonderzoek jegens [medeverdachte 1] plaats.

De rechtbank stelt vast dat in deze periode van een verkennend onderzoek als bedoeld in artikel 126gg van het Wetboek van Strafvordering geen sprake was. Formeel niet omdat de officier van justitie geen daartoe strekkend bevel had gegeven en feitelijk niet gelet op de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden (ECLI:NL:GHSHE:2009:BI0780).

Volgens de officier van justitie was [medeverdachte 1] op 1 maart 2007 een verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De vraag of de officier van justitie terecht een redelijke vermoeden van schuld had jegens verdachte, wordt door de rechtbank slechts marginaal getoetst. De officier van justitie hoeft daarbij dat redelijke vermoeden slechts aannemelijk te maken.

De CIE-informatie van oktober 2006 was naar het oordeel van de rechtbank voldoende specifiek en werd deels bevestigd door de camerabeelden uit februari 2007. Uit de observatieverslagen bleken contacten tussen [medeverdachte ander onderzoek 1] en [medeverdachte 1] en de laatste was mogelijk betrokken bij een transport of zelfs de import van chemicaliën in april 2006. Deze feiten en omstandigheden waren naar het oordeel van de rechtbank in maart 2007 voldoende actueel, relevant, objectief en concreet om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van betrokkenheid bij strafbare feiten en dus ook om [medeverdachte 1] aan te merken als verdachte. De officier van justitie was dus bevoegd om op 1 maart 2007 een opsporingsonderzoek te gelasten naar mogelijke criminele activiteiten van [medeverdachte 1] op het gebied van de Opiumwet.

Het bevel van de officier van justitie tot stelselmatige observatie van 1 oktober 2008 (camera bij woonwagenkamp) was daarnaast (onder andere) gebaseerd op (betrouwbaar geachte) CIE-informatie van maart 2008 dat [medeverdachte 1] samen met twee andere personen volop in de speedhandel zit; een observatie in april 2008 dat [medeverdachte 1] bezoek krijgt [medeverdachte ander onderzoek 2] , waarvan bekend is uit het opsporingsonderzoek Fatsia dat hij criminele activiteiten verricht; en een RDW-raadpleging op het GBA-adres van [medeverdachte 1] waaruit blijkt dat hij een Mercedes met kenteken [auto 2] heeft geïmporteerd uit Duitsland ter waarde van bijna € 55.000,-. Al deze feiten en omstandigheden waren naar het oordeel van de rechtbank in oktober 2008 voldoende actueel, relevant, objectief en concreet om de marginale toetsing te doorstaan. De officier van justitie heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op goede gronden het bevel tot stelselmatige observatie heeft uitgedaan.

De rechtbank is overigens van oordeel dat de verdediging voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het FIOD-rapport van 9 maart 2007 een aantal onjuistheden bevat over de woning van [medeverdachte 1] . Het rapport roept de nodige vragen op, die niet zijn beantwoord in een aanvullend proces-verbaal of tijdens een verhoor van [verbalisant 1] . De rechtbank heeft dit rapport daarom buiten beschouwing gelaten bij de marginale toetsing van het redelijke vermoeden van schuld.

De verdediging heeft met betrekking tot het FIOD-rapport van 26 januari 2009 betoogd dat daarbij gebruik is gemaakt van via de fiscus van [medeverdachte 1] verkregen informatie, hetgeen in strijd zou zijn met het nemo tenetur beginsel. [medeverdachte 1] moest immers aan de belastingdienst gegevens verstrekken en van die gegevens is gebruik gemaakt in het opsporingsonderzoek zonder [medeverdachte 1] te wijzen op zijn recht om te zwijgen.

De rechtbank stelt vast dat (ook) in de ogen van de verdediging [medeverdachte 1] op grond van de belastingwetgeving verplicht was om de opgevraagde gegevens te verstrekken. Er is geen aanwijzing dat de belastingdienst fiscaalrechtelijk onjuist, laat staan onrechtmatig, zou hebben gehandeld. Beslissend voor de vraag of het nemo tenetur beginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een al dan niet in een document vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen (ECLI:NL:PHR:2015:1619). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake. De in het FIOD-rapport van 2009 verwerkte gegevens over inkomen, woning en auto’s van [medeverdachte 1] zijn geen ‘wilsafhankelijk bewijsmateriaal’, maar zijn allemaal gegevens die bestaan, los van de vraag of [medeverdachte 1] daarover heeft verklaard. Of [medeverdachte 1] al of niet is meegedeeld dat hij verdachte was in een strafrechtelijk onderzoek en niet verplicht was om vragen te beantwoorden die hem strafrechtelijk zouden kunnen worden tegengeworpen is dan naar het oordeel van de rechtbank niet van belang en maakt het gebruiken van deze gegevens niet onrechtmatig.

De stelling van de verdediging dat het FIOD-rapport uit 2009 onvolledig is, in die zin dat ontlastende informatie is achtergehouden, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Per 1 juli 2009 wordt het opsporingsonderzoek naar mogelijke strafbare feiten jegens [medeverdachte 1] opgeschaald. De officier van justitie beveelt dan onder andere de stelselmatige observatie van [medeverdachte 1] (camera bij woonwagenkamp) en later – na machtiging door de rechter-commissaris - het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de Mercedes [auto 2] . Het redelijke vermoeden van schuld baseert de officier van justitie dan onder andere op (betrouwbaar geachte) CIE-informatie uit maart 2008, oktober 2008, januari 2009 en augustus 2009 waarin [medeverdachte 1] wordt genoemd als importeur van PMK en BMK-olie en platinum, bestemd voor de productie van synthetische drugs; een anonieme brief van 2 juni 2009 waarin hij genoemd wordt als spilfiguur in synthetische drugs en cocaïnesmokkel; en de vele contacten met drugscriminelen zoals die blijken uit de camerabeelden en enkele observatieacties eind 2008. Verder heeft de officier van justitie toentertijd aangegeven dat voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit vanwege de verdenking dat [medeverdachte 1] zich samen met anderen op grootschalige wijze bezig houdt met de internationale handel in precursoren en synthetische drugs enerzijds, en het gegeven dat telefoontaps, observaties en het vorderen van inlichtingen geen resultaten opleveren anderzijds.

Al deze feiten en omstandigheden waren naar het oordeel van de rechtbank in juli/augustus 2009 voldoende actueel, relevant, objectief en concreet om de marginale toetsing te doorstaan.

Resumerend stelt de rechtbank vast dat er van het begin af aan sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, welk vermoeden in de loop der tijd bij voortduring werd geactualiseerd door nieuwe CIE-informatie en de resultaten van het opsporingsonderzoek. De officier van justitie had voldoende om [medeverdachte 1] en anderen stelselmatig te gaan observeren en telefoons af te tappen en kreeg daarvoor ook de vereiste toestemming van de rechter-commissaris, tot welke toestemming de rechter-commissaris, marginaal toetsend, ook in redelijkheid heeft kunnen besluiten. De resultaten van die toepassing van dwangmiddelen kunnen derhalve worden gebruikt. Van enige onrechtmatigheid is niet gebleken.

Tot slot de onvoldoende inspanning door de rechter-commissaris om getuige X te horen.

De rechtbank stelt vast dat die inspanningen wel degelijk zijn gedaan. In maart 2018 is een poging gedaan om getuige X te horen, maar de rechter-commissaris beschikte niet over de gegevens van die getuige, zoals diens identiteit en het verblijfadres.

De rechter-commissaris heeft op 23 maart 2018 de vordering van de officier van justitie om de status van bedreigde getuige aan getuige X toe te kennen (artikel 226a Wetboek van Strafvordering) afgewezen. Daarnaast heeft de rechter-commissaris bepaald dat getuige X niet gehoord hoefde te worden als getuige waarvan de NAW-gegevens (naam/adres/ woonplaats) niet bekend mochten worden. Getuige X had immers bij monde van zijn advocaat laten weten dat hij zich niet bedreigd voelde en dat zijn personalia niet afgeschermd hoefden te worden.

Vervolgens heeft de rechter-commissaris aan de raadsman van [medeverdachte 1] gevraagd om de NAW-gegevens van getuige X te verstrekken, zodat getuige X opgeroepen kon worden.

De raadsman van [medeverdachte 1] heeft dat geweigerd omdat hij dan zijn geheimhoudingsplicht zou schenden. De raadsman van [medeverdachte 1] is wel bereid om de personalia te verstrekken aan de TCI-officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris een reële poging heeft gedaan om getuige X te horen. Het lag op de weg van de raadsman van [medeverdachte 1] om opgave te doen van de personalia van deze door hem gewenste getuige, zodat de rechter-commissaris deze had kunnen oproepen.

De raadsman van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank niet duidelijk kunnen maken waarom hij niet de gegevens aan de rechter-commissaris, maar wel aan de TCI-officier van justitie zou kunnen verstrekken. In het laatste geval zal de raadsman toch ook op enig moment moeten bevestigen dat de door de TCI-officier opgeroepen getuige, getuige X is.

Het nog geopperde alternatief om de toenmalige runner van getuige X te horen wijst de rechtbank af. Het is ten eerste onduidelijk of het enkele telefoonnummer en de initialen van de bewuste runner ertoe kunnen leiden dat deze runner binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord, maar bovenal kan, gegeven de huidige situatie, geen koppeling tussen de runner en getuige X worden gelegd zolang de gegevens van getuige X onbekend blijven.

Ook passeert de rechtbank het betoog van de verdediging dat nu zij getuige X niet heeft kunnen bevragen, niet langer sprake is van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Uit het bovenstaande blijkt immers dat de raadsman zelf er aan in de weg heeft gestaan dat getuige X niet is gehoord. Bovendien is er geen relatie vast komen te staan tussen getuige X en enig bewijsmiddel in deze strafzaak.

Op grond van vorenstaande zijn er geen omstandigheden aangevoerd die dienen te leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Deze kan derhalve in de vervolging worden ontvangen.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat dit oordeel meebrengt dat ook bewijsuitsluiting niet aan de orde is, nu er geen onrechtmatigheden in het opsporingsonderzoek zijn vastgesteld. Meer subsidiair heeft de verdediging nog alle eerdere gedane onderzoekswensen herhaald, evenwel zonder daartoe nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren, zodat de rechtbank die verzoeken alle afwijst onder verwijzing naar hetgeen zij eerder daarover heeft beslist.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het navolgende.

Uit tap- en OVC-gesprekken is bij feit 1 (de synthetische drugs) gebleken dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zich bezighielden met synthetische drugsproductie en daartoe grondstoffen aanleverden. Het betrof zowel amfetamine, MDMA als metamfetamine en de inhoud van de gesprekken ging niet alleen over het leveren van grondstoffen, maar ook over “mengen”, “afdraaien” en het aangeleverd krijgen van vele kilo’s. Hun betrokkenheid daarbij werd versterkt door hetgeen bij de doorzoekingen werd aangetroffen aldus de officier van justitie en die acht om die reden het primair tenlastegelegde feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Ook feit 2 (het telen van en de handel in hennep en de export daarvan) blijkt uit de inhoud van de tap- en OVC-gesprekken, in combinatie met camerabeelden. Voorts blijkt hun betrokkenheid uit de deels bekennende verklaring van [medeverdachte 3] , alsmede uit aangetroffen sporen, zoals hennepverzwaringsmiddelen, vervuilde aarde en zuigmonsters.

Dit feit pleegde verdachte met anderen maar in nauwe samenwerking met [medeverdachte 3] , die volgens de officier van justitie dagelijks contact had met [verdachte] en werkte in diens opdracht. Dit strookt met het feit dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] ook in 2005 al in de hennephandel zaten, aldus de officier van justitie.

In dit onderzoek zijn twee grote kwekerijen ontmanteld, een in Tilburg en een in Echt en bij beide waren zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] nauw betrokken.

Via in de woning van de moeder van [medeverdachte 3] aangetroffen telefoons werd onderhandeld met het buitenland over hennep, zodat ook de export daarvan vaststaat.

Feit 3 (het witwassen) blijkt uit het navolgende. Er was sprake van een schijnconstructie ten aanzien van het dienstverband met [cafe 1] , nu verdachte nooit in Enkhuizen is geweest, er geen arbeidsovereenkomst was en het administratiekantoor en een collega hem niet kenden. Dat ook de vader en broer van verdachte een vergelijkbare constructie hadden opgezet geeft de officier van justitie nog meer de overtuiging dat sprake was van een fictief inkomen.

De meubels die (contant) waren aangeschaft had verdachte nimmer van zijn legale inkomsten kunnen betalen en evenmin heeft hij aannemelijk kunnen maken hoe hij aan zoveel contant geld is gekomen, dat bovendien verstopt zat in de wasmachine en in gesealde pakketten. Voor dat contante geld is voorts van belang dat uit opgenomen gesprekken valt op te maken dat [verdachte] met zijn [vader verdachte] een gezamenlijke (criminele) geldpot had.

Ten aanzien van de aangetroffen wapens (feiten 4 en 5) was verdachte ermee bekend dat hij een pistool had (hij wees immers zelf de vindplaats aan) en het bleek bij onderzoek een vuurwapen van categorie III te zijn met munitie. De andere vuurwapens waren speelgoedwapens, maar deze vertoonden een sprekende gelijkenis met echte vuurwapens en vielen daardoor onder de wapenwet aldus de officier van justitie.

Ten aanzien van de criminele organisatie (feit 7) wist verdachte in zijn algemeenheid dat hij deel uitmaakte van een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Genoegzaam blijkt van een duurzame samenwerking van hem en met name [medeverdachte 1] , maar ook met de inmiddels overleden [medeverdachte 2] , de voormalige rechterhand van [medeverdachte 1] , en met [medeverdachte 3] , die veelal werkte ten behoeve van verdachte. De organisatie probeerde haar criminele activiteiten uit het zicht van de politie te houden. Telefoons moesten thuis blijven of uitgezet worden, auto’s werden op andermans naam gezet en binnen de organisatie waren wapens voorhanden en jammers. Verdachte kan worden beschouwd als de plaatsvervangend leidinggevende van de organisatie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een (volledige) bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het navolgende.

Ten aanzien van feit 1 verwijst de officier van justitie naar gesprekken die zijn afgeluisterd over ene [persoon uit onderzoek 1] , zijnde de Belgische [persoon uit onderzoek 1] , terwijl uit die gesprekken geen enkele betrokkenheid van verdachte bij die vermeende feiten blijkt en genoemde [persoon uit onderzoek 1] en ook zijn vriendin hebben verklaard verdachte helemaal niet te kennen.

De door de officier van justitie genoemde link tussen ene [persoon uit onderzoek 2] of [persoon uit onderzoek 2] ( [persoon uit onderzoek 2] ) bestaat niet en ook in gesprekken over die [persoon uit onderzoek 2] komt de naam van verdachte helemaal niet voor. Datzelfde geldt voor de gesprekken over [persoon uit onderzoek 3] , waarmee [persoon uit onderzoek 3] zou worden bedoeld.

De link met de loods aan de [adres 2] in Hoeven wordt ontkracht doordat verdachte daar zijn auto had laten repareren.

Dat er enkele pillen met MDMA in zijn woning werden aangetroffen is te mager om verdachte te koppelen aan de productie daarvan of de handel daarin, er is geen bevestiging dat verdachte met zijn vader een gezamenlijke geldpot zou hebben en tot slot mag de inhoud van OVC-gesprekken slechts als bewijsmiddel dienen in combinatie met andere bewijsmiddelen.

Subsidiair ontbrak het opzet, althans was zijn bijdrage onvoldoende om hem als medepleger aan te merken, aldus de raadsman. Ten aanzien van het als tweede subsidiair verweten voorhanden hebben van synthetische drugs ontbreekt volgens de raadsman bewijs dat verdachte wist dat hij deze drugs voorhanden had, althans staat niet vast dat hij de enige kan zijn geweest die deze in het bijgebouw van zijn woning heeft weggelegd.

Ten aanzien van de hennephandel zoals omschreven in feit 2 voert de raadsman aan dat de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor de betrokkenheid bij een hennepkwekerij geen rol mag spelen als bewijs dat hij daarbij wederom betrokken zou zijn geweest. De inhoud van de aangehaalde OVC-gesprekken vindt geen bevestiging in overige bewijsmiddelen, zodat niet concreet wordt waar hij zou hebben geteeld en wanneer, hoeveel dat zou zijn geweest, met wie dat zou hebben plaatsgevonden en wat de specifieke rol van verdachte zou zijn geweest. Het staat helemaal niet vast dat de sms-berichten waarnaar de officier van justitie verwijst en die afkomstig van of gericht waren aan ene “ [alias verdachte] ” of ene “ [alias verdachte] ” ook inderdaad van hem waren, verdachte is nimmer op de locaties in Tilburg en Echt getraceerd en de deels bekennende [medeverdachte 3] zegt niets over enige rol van verdachte. Hooguit zou bewezen kunnen worden dat verdachte betrokken is geweest bij de huur van een van die locaties, maar dat maakt hem slechts medeplichtig.

Van de aangetroffen sporen is het enkele zuigmonster in de auto van verdachte te mager.

Voor export is al helemaal nauwelijks bewijs voorhanden en baseert de officier van justitie zich louter op aannames.

Bij het onder feit 3 omschreven (medeplegen van) witwassen spreekt het O.M. allereerst over het ontvangen fictief loon, terwijl volgens het requisitoir het zou betreffen de netto door verdachte ontvangen gelden, hetgeen tegenstrijdig is. Niet kan worden bewezen dat de gelden uit misdrijf afkomstig zijn. Bovendien staat niet vast dat verdachte geld betaalde aan [eigenaar cafe 1] . Hij benaderde die [eigenaar cafe 1] juist als zijn salaris niet tijdig werd gestort. Zijn salaris was gebaseerd op de hoop dat hij klanten zou aanbrengen en daartoe had verdachte geen vaste werktijden en hoefde hij het bedrijf van zijn werkgever in Enkhuizen nimmer te bezoeken.

Het aangetroffen contante geld was spaargeld van de door verdachte verklaarde (legale) inkomensbronnen en ook daarvoor dient vrijspraak te volgen. Subsidiair in ieder geval van het bedrag van € 148.885. Maar er was ook geen sprake van verhullen en het criterium “eenvoudig schuldwitwassen” gold nog niet omdat dit pas in 2017 strafbaar werd gesteld.

Dat verdachte zwijgt maakt nog niet dat hem geen beroep toekomt op de kwalificatie-uitsluitingsgrond, omdat dit slechts kan leiden tot de aanname dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf, maar niet om uit te sluiten dat het uit eigen misdrijf afkomstig moet zijn. Dat laatste stelt het O.M. immers zelf door de aanname dat het geld zou toebehoren aan de criminele organisatie. Evenmin mag zijn zwijgen tot de conclusie leiden dat hij zou hebben witgewassen, dus van dit onderdeel van de tenlastelegging dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ook voor het vermeende witwassen door de aanschaf van meubels dient vrijspraak te volgen, nu niet vast staat dat verdachte deze heeft betaald met illegale inkomsten.

De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd voor zover betrekking hebbend op het in bezit hebben van het in feit 4 omschreven vuurwapen met munitie.

Ten aanzien van de onder feit 5 omschreven wapens dient echter vrijspraak te volgen. Het zijn plastic speelgoedwapens die onder de richtlijn 2009/48/EG vallen en derhalve onder de uitzonderingen als omschreven in artikel 2, 4e lid van de Wet wapens en munitie.

Bij de onder feit 7 omschreven deelname aan een criminele organisatie betwist de raadsman dat sprake was van een crimineel samenwerkingsverband. Zo al kan worden vastgesteld dat er ten aanzien van losse feiten werd samengewerkt, dan dient het zwaartepunt te liggen bij de structuur en duurzaamheid van samenwerken die de losse feiten overstijgen.

Bij die losse feiten echter wordt verdachte helemaal niet vervolgd voor de zogenaamde 400 kilo-zaak en worden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] helemaal niet vervolgd voor de hennephandel.

Zo al vast staat dat er geen telefonische gesprekken werden gevoerd maar men elkaar ontmoette, dat telefoons werden thuisgelaten of uitgezet, dat er jammers en wapens werden aangetroffen, auto’s op andere naam werden gezet en er enorme winsten zouden zijn gemaakt, dan nog zijn dat slechts aanwijzingen dat iemand iets te verbergen heeft, niet dat er een structureel samenwerkingsverband bestaat.

De afzonderlijke zaaksdossiers zijn juist eerder een contra-indicatie. Voor de 400 kilo-zaak wordt immers alleen [medeverdachte 1] vervolgd, en die heeft dan weer geen enkele rol in de hennepzaak welke alleen verdachte en [medeverdachte 3] wordt verweten. Evenmin was er een gezamenlijke geldpot, integendeel, in diverse OVC-gesprekken werd juist gesproken over jouw en mijn geld, werd van elkaar geld geleend en legde men geld terug.

Voorts kan bij de afzonderlijke feiten niet worden vastgesteld dat het oogmerk van de organisatie daarop was gericht. Er was dus geen sprake van een gestructureerd, duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad én hiërarchie, waarbij het oogmerk was het plegen van misdrijven.

4.3

De bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bijlagen bij dit vonnis.

4.4

De bewijsoverwegingen

Algemene overweging tap- en OVC-gesprekken

In het dossier Carneool bevinden zich veel afgeluisterde en opgenomen telefoon- en OVC-gesprekken. De officier van justitie leidt uit onder meer die gesprekken af dat verdachten zich bezig hebben gehouden met de in de tenlastelegging genoemde strafbare feiten. De bij deze gesprekken betrokken verdachten hebben een beroep gedaan op hun zwijgrecht. Voor de beoordeling van de bewijsbaarheid van het ten laste gelegde is (onder andere) van belang welke bewijswaarde moet worden toegekend aan de inhoud van die afgeluisterde en opgenomen telefoon- en OVC-gesprekken.

De rechtbank moet nagaan of de gesprekken voor één uitleg of meerdere uitleg vatbaar zijn. In het laatste geval is voorzichtigheid geboden bij het geven van een interpretatie van die gesprekken.

Die voorzichtigheid brengt mee dat goed moet worden gekeken naar de inhoud en het onderling verband van die gesprekken en naar het verband met andere bewijsmiddelen. Verder kan het feit dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht soms in zijn nadeel werken. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat de interpretatie van de inhoud van een gesprek (‘waar gaat dit gesprek over') niet hetzelfde is als het beoordelen van de bewijswaarde daarvan (‘wat bewijst dit gesprek?’).

Feit 1 synthetische drugs

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in de auto veelvuldig met elkaar spraken over synthetische drugs, precursoren, het mengen van chemicaliën en allerlei geldzaken. Er wordt gesproken over het bestellen van grondstoffen, kristalliseren, tikken, afdraaien, dat PMK zo stinkt, speed, amfetamine, en zo verder.

De in de bijlage met bewijsmiddelen opgenomen uitgewerkte OVC-gesprekken zijn naar het oordeel van de rechtbank een representatieve selectie van de veel grotere hoeveelheid uitgewerkte OVC-gesprekken in het dossier, waarin soms verhuld, maar vaak ook expliciet wordt gesproken over de productie van amfetamine, MDMA en metamfetamine, het leveren van grondstoffen daarvoor en de verdiensten van de handel in synthetische drugs.

De verdachten hebben alle drie geen verklaring afgelegd, zodat de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen aan deze interpretatie van de inhoud van de OVC-gesprekken. De opmerkingen van [medeverdachte 1] in een tapgesprek dat ‘als ze ons afluisteren, zullen ze denken dat is versluierde taal’ en in een OVC-gesprek tegen [medeverdachte 2] dat hun auto’s hebben ‘volgehangen’ en dat hij niet meer weet wat zij gezegd hebben; ‘misschien teveel’, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat deze interpretatie van de OVC-gesprekken juist is.

Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] regelmatig, op vaste tijdstippen en dagen, ontmoetingen hadden met andere personen, die allemaal antecedenten hebben vanwege overtredingen van de Opiumwet.

In de OVC-gesprekken werd voorts gesproken over (Belgische) [persoon uit onderzoek 1] , die door [medeverdachte 1] ‘zijn roerder’ wordt genoemd. Op basis van die gesprekken in combinatie met observaties en bakengegevens, komt de rechtbank tot de conclusie dat de politie terecht heeft vastgesteld dat het daarbij gaat om [persoon uit onderzoek 1] . [persoon uit onderzoek 4] , de zoon van [persoon uit onderzoek 1] , heeft ook verklaard dat zijn vader ook wel “ [persoon uit onderzoek 1] ” wordt genoemd. Uit het in de bewijsmiddelen aangehaalde proces-verbaal blijkt verder duidelijk dat er veelvuldig contact is geweest tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [persoon uit onderzoek 1] in de periode 11 augustus 2009 tot 28 oktober 2010. Zo ontmoeten zij elkaar bijvoorbeeld op 19 oktober 2010 in de woning van [persoon uit onderzoek 1] .

Ook werd gesproken over een man die [persoon uit onderzoek 2] werd genoemd, waarover [medeverdachte 1] zegt dat hij al bij hem kwam, voordat [persoon uit onderzoek 2] met anderen ging samenwerken. Op basis van de OVC-gesprekken in combinatie met observaties en bakengegevens, komt de rechtbank tot de conclusie dat de politie terecht heeft vastgesteld dat het daarbij gaat om [persoon uit onderzoek 2] . Uit het in de bewijsmiddelen aangehaalde proces-verbaal blijkt duidelijk dat er veelvuldig contact is geweest tussen [persoon uit onderzoek 2] en [medeverdachte 2] - die daarna meestal doorreed naar [medeverdachte 1] - in de periode 4 december 2009 t/m 8 april 2011.

De rechtbank stelt vast dat genoemde [persoon uit onderzoek 1] door het Hof van Beroep in Antwerpen inmiddels in verband met de productie en export van synthetische drugs in de periode van mei 2009 tot en met oktober 2010 is veroordeeld tot 10 jaren gevangenisstraf.

[persoon uit onderzoek 2] is bij vonnis van deze rechtbank d.d. 16 februari 2012 veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf voor kortweg het voorhanden hebben van precursoren en andere grondstoffen voor de productie van MDMA op 6 februari 2011.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat uit de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen blijkt dat op 25 januari 2011 in de woning van [medeverdachte 2] sporen van BMK en efedrine zijn gevonden en op 31 maart 2011 in zijn auto, de Volvo V50 met kenteken [auto 3] , sporen van amfetamine, cocaïne en THC. Ook zijn in de Volvo handschoenen aangetroffen met daarop het DNA van [medeverdachte 2] en sporen van diverse aan de productie van amfetamine te linken chemicaliën. Op 20 oktober 2011 zijn in de auto van [medeverdachte 1] , de Mercedes met kenteken [auto 4] , en in de auto van zijn echtgenote, de VW Golf met kenteken [auto 5] , sporen van BMK aangetroffen, en in de auto van [medeverdachte 2] , de Renault Megane met kenteken [auto 6] , sporen van amfetamine.

In de woning van [verdachte] zijn tenslotte 15 xtc-tabletten (MDMA) en cocaïne aangetroffen.

Al deze bevindingen maken dat er naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] zich samen met [medeverdachte 2] in de tenlastegelegde periode hebben bezig gehouden met de productie van en de handel in synthetische drugs. Zij leverden de grondstoffen aan voor de productie van synthetische drugs en financierden de productie. Vele gesprekken in het dossier gaan over opbrengsten, winsten, verlies en het betalen van geldsommen aan diverse personen. [medeverdachte 1] zegt daarover: ‘gewoon fifty-fifty, die wij dan voorgefinancierd hebben, zo is het altijd gegaan en op die basis kunnen wij samenwerken’.

Het NFI beschrijft de rol van [medeverdachte 1] en [verdachte] als financiers en leveranciers van grondstoffen treffend in het bij de bewijsmiddelen opgenomen informatieblad: “Uit verklaringen, boekhoudingen en recepten is bekend dat er vooraf aan een productieproces afspraken worden gemaakt waarbij vaak gewerkt wordt op basis van een 50-50% regeling. Dit betekend dat degene die amfetamine nodig heeft, de BMK koopt, hiermee naar een laborant (roerder) gaat die de hardware en overige chemicaliën heeft en vervolgens de amfetamine(olie) produceert. Dit alles op basis van 50-50% van de opbrengst. Vaak wordt afgesproken dat de gehele geproduceerde partij zal worden afgenomen door de opdrachtgever en dat de laborant geld krijgt (50%) voor de kilo’s/liters die hij moet produceren.”.

De betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] bij de productie van synthetische drugs is zo groot dat, hoewel zij niet zelf in de laboratoria hebben gestaan, er wel sprake is van medeplegen. [medeverdachte 1] zegt daarover: ‘ik heb recht op de helft … want als ik hun geen grondstoffen geef, kunnen zij het niet maken’.

Ten aanzien van het medeplegen van [verdachte] tot slot acht de rechtbank nog van belang dat, alhoewel [medeverdachte 1] veelal samenwerkte met [medeverdachte 2] , ook zijn zoon [verdachte] betrokken was bij productie/handel in synthetische drugs. Een en ander blijkt bijvoorbeeld uit de aangehaalde OVC-gesprekken van 1 en 18 december 2009, waarin [medeverdachte 1] [verdachte] (op 1 december 2009) adviseert ‘die olie maar gewoon te laten staan. Die brengt misschien nog wel een keer twee rooien op’ en het heeft over ‘proberen ons verlies te beperken’, waarbij dus in het meervoud wordt gesproken.

Op 18 december 2009 vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] hoeveel er klaar ligt en zegt dan dat ‘ [verdachte] keurig heeft gewerkt en hij trots op hem is. Dan loop je lekker binnen.’.

Op 9 maart 2010 zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat hij ‘alle boekhouding moet bijhouden’.

De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . De rol die [verdachte] speelde was naar het oordeel van de rechtbank van voldoende gewicht om van medeplegen te spreken.

Verdachte heeft dit feit aldus gepleegd tezamen en in vereniging met anderen.

Feit 2 hennep

Hennep algemeen

Uit de in de bijlage genoemde OVC-gesprekken volgt voor de rechtbank dat [verdachte] zich bezig hield met handel in en teelt van hennep en dat hierover werd gesproken door [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De rechtbank leidt dit af uit de (niet voor meerdere uitleg vatbare) genoemde termen als (buiten)wiet, fosfor, verzwaringsmiddelen, loodsen vol wiet, kilo’s en daarnaast het noemen van geldbedragen, winst maken en beuren, hoeveelheden en hoogte van planten, het bespreken van kwaliteit en ontevreden klanten. Ook volgt daaruit dat het daarbij steeds gaat om de hennep van [verdachte] . Ook in zoverre zijn de OVC-gesprekken niet voor meer uitleg vatbaar. [verdachte] heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen, zodat de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen aan deze interpretatie van de inhoud van de OVC-gesprekken.

Hennepteelt

Hennepkwekerij [adres 3] Tilburg

Op 24 mei 2011 is aan de [adres 3] te Tilburg een hennepkwekerij aangetroffen waar in totaal 3062 hennepplanten stonden.

Betrokkenheid van [medeverdachte 3]

De betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij deze hennepkwekerij blijkt uit zijn verklaring dat hij werkzaamheden verrichtte voor deze kwekerij. Hij heeft verklaard dat hij de loods heeft opgeruimd, zand heeft aangebracht, planten heeft weggezet en de planten water gaf. Hij wilde zijn opdrachtgevers niet noemen. Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 3] in de periode van 18 maart 2011 tot en met 20 mei 2011 regelmatig in de loods kwam met gebruikmaking van de sleutel en dat hij hierbij samen was met een of meer anderen Tevens gaat de rechtbank er vanuit dat het [medeverdachte 3] is geweest die zich heeft voorgedaan als ene [alias medeverdachte 3] en die op 12 en 25 januari 2011 naar Essent heeft gebeld om de stroom aan te vragen voor de [adres 3] in Tilburg. De politie heeft immers op beide momenten de stem van de beller herkend als die van [medeverdachte 3] . Dat [medeverdachte 3] de kwekerij onderhield met anderen volgt tevens uit de verklaring van [medeverdachte ander onderzoek 3] dat [medeverdachte 3] hem ophaalde om daar (samen) werkzaamheden te verrichten voor de hennepkwekerij.

Betrokkenheid [verdachte]

De betrokkenheid van [verdachte] bij deze hennepkwekerij leidt de rechtbank af uit de volgende omstandigheden.

Telefooncontacten met “ [alias verdachte] ” of “ [alias verdachte] ”

In de periode van 27 oktober 2010 tot en met 24 november 2010 en van 23 maart 2011 tot en met 4 mei 2011 hadden de verdachten in een ander strafrechtelijk onderzoek Maskerbij, te weten [medeverdachte ander ondezoek 4] , [medeverdachte ander onderzoek 5] en [medeverdachte ander onderzoek 6] per sms contact met iemand die als “ [alias verdachte] ” of “ [alias verdachte] ” werd aangeduid. In dezelfde periode werd door deze “ [alias verdachte] ” of “ [alias verdachte] ” gebruik gemaakt van 5 verschillende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] . Deze telefoonnummers waren slechts tijdelijk in gebruik en volgenden elkaar in de tijd ook op. De persoon die werd aangeduid als “ [alias verdachte] ” of “ [alias verdachte] ” gaf ook regelmatig aan dat het opvolgende nummer zijn nieuwe nummer was.

De persoon die in de telefooncontacten werd aangeduid als “ [alias verdachte] ” of “ [alias verdachte] ”, gebruikte regelmatig het woordje “perfect” in zijn berichten zoals ook [verdachte] dat deed in de diverse afgeluisterde gesprekken.

De telefoon met het aansluitnummer [telefoonnummer 1] straalde van de 143 belcontacten 89 maal aan op een zendmast op circa 400 meter van het adres van [verdachte] op het woonwagenkamp aan de [adres 1] in Breda. De telefoon met het aansluitnummer [telefoonnummer 2] straalde van de in totaal 179 belcontacten 81 maal een zendmast op 600 meter en 13 maal een zendmast op circa 900 meter van dat adres.

De in het kader van het onderzoek getapte telefoon van [verdachte] straalde op 8 april 2011 om 15.45 uur een zendmast aan op de [adres 4] in Mierlo. Op datzelfde moment straalde het nummer [telefoonnummer 4] dezelfde zendmast aan. Een drie kwartier later, stralen beide telefoonnummers een zendmast aan in Gilze. De zendmasten staat op circa 400 meter afstand van elkaar.

In een Audi S8 die in gebruik was bij [verdachte] zat een zogenaamd track and trace systeem. Daaruit blijkt dat deze Audi S8 op verschillende momenten op 7 en 8 april 2011 in Gilze en Mierlo is op momenten dat de telefoon met aansluitnummer [telefoonnummer 4] zendmasten in Gilze respectievelijk Mierlo aanstraalt. Het toestel met dit telefoonnummer straalt van de 104 belcontacten ook 83 keer aan op een zendmast op circa 250 meter van het woonwagenkamp waar [verdachte] woonde.

De telefoonaansluiting [telefoonnummer 5] had alleen contact met de telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte ander ondezoek 4] en [medeverdachte ander onderzoek 5] en ook alleen per sms. Deze aansluiting straalde doorgaans een zendmast aan op circa 400 meter afstand van het woonwagenkamp.

Daarnaast geldt nog het volgende. De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 3] sms’te op 24 maart 2011 naar een nummer in gebruik bij [medeverdachte ander ondezoek 4] ( [telefoonnummer 6] ) dat hij de dag erna om 12 uur in Antwerpen is en de gebruiker van nummer [telefoonnummer 6] bevestigt de afspraak. Uit observaties uit het onderzoek Carneool is gebleken dat [verdachte] nagenoeg elke vrijdag rond 12 uur in het Empire Shopping Center in Antwerpen is en uit camerabeelden blijkt ook dat hij daar ook op 25 maart 2011 om 12.00 uur, eveneens een vrijdag, was. [medeverdachte ander ondezoek 4] is die dag daar niet gezien. Wel volgt er rond 13.00 uur een sms van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 6] dat hij net pas klaar was en later wel bij hem zou langsgaan. Uit later sms-verkeer van die dag volgt dat dit kennelijk niet is gebeurd, maar de dag erna smst de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 6] om 12.29 uur wederom naar [telefoonnummer 3] met de boodschap dat hij er over 15 minuten is. Een kwartier later smst hij dat er niemand is en dat hij de dag erna weer even langskomt. Uit de camerabeelden van het woonwagenkamp volgt voorts dat op die dag om 12.44 uur een Audi Quattro op naam van de echtgenote van [medeverdachte ander ondezoek 4] het woonwagenkamp oprijdt en er 4 minuten later weer wegrijdt.

Gelet op het voorgaande vertoont zowel de wijze van gebruik van de genoemde telefoonnummers als de inhoud van het sms-verkeer dat van en naar deze nummers heeft plaatsgevonden, in relatie bezien met de camerabeelden, observaties en zendmastgebruik, een zodanige samenhang met [verdachte] dat van toeval geen sprake meer kan zijn. Nu hiervoor van de zijde van [verdachte] ook geen andere verklaring is gegeven, staat voor de rechtbank vast dat de gebruiker van de verschillende telefoonnummers die zich [alias verdachte] of [alias verdachte] noemt, [verdachte] is.

Uit de inhoud van de gesprekken tussen eerder genoemde personen uit het onderzoek Maskerbij en “ [alias verdachte] ” of “ [alias verdachte] ”, en dus met Sanders [verdachte] , volgt naar het oordeel van de rechtbank de betrokkenheid van [verdachte] bij de hennepkwekerij aan de [adres 3] in Tilburg. Meer in het bijzonder kan daaruit worden afgeleid dat [verdachte] degene was die deze hennepkwekerij exploiteerde, in die zin dat hij erop toezag dat het huurcontract en de borg werden geregeld en dat de toegang tot de kwekerij werd verzekerd door het laten plaatsen van nieuwe sloten, terwijl ook [verdachte] zelf de beschikking had over de sleutel van deze kwekerij. Dat de gesprekken ook daadwerkelijk over deze kwekerij gaan volgt uit de woorden “Til”, uit de omstandigheid dat [verdachte] het nummer van de eigenaar geeft: [telefoonnummer 7] , wat sterk lijkt op het nummer [telefoonnummer 8] , zijnde het nummer van “ [eigenaar bedrijf 3] ”. Laatstgenoemde persoon blijkt de verhuurder te zijn (directeur van het [bedrijf 3] ) van de loods aan de [adres 3] .

Huurpenningen [adres 3]

[bedrijf 3] is de verhuurder van de loods aan de [adres 3] in Tilburg. In een telefoongesprek op 4 maart 2011 spreekt [verdachte] met [medeverdachte 3] over “ [bedrijf 3] ”. In het licht van de overige bewijsmiddelen en gelet op het ontbreken van een nadere uitleg hierover van [verdachte] , houdt de rechtbank het ervoor dat dit gesprek ook betrekking heeft op de kwekerij aan de [adres 3] .

Op 4 en 25 maart 2011 werd via het Grens Wissel Kantoor (hierna: GWK) huur betaald aan [bedrijf 3] voor de maanden februari en maart 2011 door iemand die zich [alias medeverdachte 3] noemde. Op 4 maart 2011 omstreeks 21.57 uur heeft [verdachte] met [medeverdachten ander onderzoek 5] een gesprek over dat andere wat gelukt is, waarvoor [medeverdachten ander onderzoek 5] een bewijsje heeft.

Uit het eerder aangehaalde afgeluisterde telefoongesprek van 25 januari 2011 wat [medeverdachte 3] met Essent voert – zich uitgevende als [alias medeverdachte 3] – is de stem van [medeverdachten ander onderzoek 5] te horen op de achtergrond, zodat de rechtbank constateert dat [medeverdachten ander onderzoek 5] en [medeverdachte 3] eveneens in elkaars bijzijn hebben verkeerd bij een handeling betreffende de [adres 3] .

Op 27 april 2011 is om 12.51 uur op het GWK in Tilburg een betaling ten gunste van [bedrijf 3] te Tilburg gedaan door iemand die opgaf te zijn [alias medeverdachte ander onderzoek 5] , met als betalingsinformatie “huur april 2011”. Op dezelfde dag om 18.02 uur werd eveneens in het GWK te Tilburg een betaling ten gunste van [bedrijf 3] gedaan. Degene die betaalt is dan [medeverdachten ander onderzoek 5] . De betalingsinformatie luidt “huur mei 2011”. Die dag om 21.26 uur is er telefonisch contact tussen [medeverdachten ander onderzoek 5] en [verdachte] , waarbij [verdachte] vroeg of het alle twee gelukt is, wat door [medeverdachten ander onderzoek 5] werd bevestigd.

Uit observaties blijkt dat een bus op naam van GSK, op zowel 4 en 24 maart als op 27 april 2011, zijnde data gelegen op of rondom de dag van de huurbetalingen, te zien is op het woonwagenkamp aan de [adres 1] in Breda. Gelet hierop, gezien de telefonische contacten tussen [medeverdachten ander onderzoek 5] en [verdachte] rond deze momenten en nu uit het dossier volgt dat [medeverdachten ander onderzoek 5] gebruik maakte van een telefoonnummer op naam van GSK, was [medeverdachten ander onderzoek 5] vermoedelijk ook de bestuurder van deze bus.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat er op verschillende data op of rond de huurbetalingen ten behoeve van de loods aan de [adres 3] steeds contact was tussen [verdachte] en mensen die de huur contant hebben gestort dan wel bemoeienis hadden met deze stortingen. Uit de inhoud van de contacten en de momenten waarop deze hebben plaatsgevonden, in samenhang bezien met de voornoemde concrete informatie over de daadwerkelijke betalingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate dat de gesprekken betrekking hadden op deze betalingen en dat de huur van deze loods in opdracht van [verdachte] door anderen werd betaald.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en anderen en tussen [medeverdachte 3] en anderen bij de hennepkwekerij aan de [adres 3] in Tilburg. Tevens komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] met betrekking tot deze hennepkwekerij, waarbij de rol van [medeverdachte 3] vooral een uitvoerende was, terwijl [verdachte] wordt aangemerkt als financier, als degene die de touwtjes in handen had en als iemand die zich ook bemoeide met meer praktische zaken zoals de sleutel, borg en de huur. Ook volgt uit het sms-verkeer dat uiteindelijk de geproduceerde hennep zou worden verhandeld en dat [verdachte] degene is geweest die dit regelde. Beide rollen zijn van voldoende gewicht geweest om van medeplegen te spreken.

Hennephandel

Hennepverzwaringsmiddel [adres 5] Breda

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat het poeder, zijnde hennepverzwaringsmiddel, wat op 7 december 2011 in de door hem gehuurde loods in de [adres 5] in Breda is aangetroffen, afkomstig was van een andere loods. De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze grote hoeveelheid - het betrof 287 emmers met in totaal 5433 kilo hennepverzwaringsmiddel - voorhanden heeft gehad, kennelijk om te gebruiken bij de hennepteelt. Nu het telefoonnummer van de eigenaar van de loods in de telefoon van [verdachte] is gevonden, waarvoor [verdachte] geen andere verklaring heeft gegeven, gaat de rechtbank er van uit dat [medeverdachte 3] het verzwaringsmiddel voorhanden gehad voor de hennephandel van [verdachte] .

Hennep in bus voor [verdachte]

In de nacht van 24 op 25 november 2010 werden in een witte Mercedesbus Vito met kenteken [auto 7] een tas met daarin 20 gesealde zakken hennep en 11 vuilniszakken met daarin in totaal 55 gesealde zakken met hennep aangetroffen. In totaal is 75 kilo hennep aangetroffen. Uit de inhoud van de afgetapte sms-gesprekken tussen [medeverdachte ander ondezoek 4] en [medeverdachte ander onderzoek 5] blijkt dat [medeverdachte ander onderzoek 5] degene was die op 24 november 2010 in de bus heeft gereden en dat - in ieder geval een deel van - de hennep - van “ [alias verdachte] ” en dus van [verdachte] was.

Op 22 november 2010 en 23 november 2010, kort voor het aantreffen van de 75 kilo hennep in de Mercedesbus, is er sms-contact waarin wordt afgesproken over een chauffeur die voor spullen en een bus naar “ [alias verdachte] ” moet gaan en waarin hoeveelheden worden besproken en over morgen langs komen met pap. Op 24 november 2010 wordt aan het einde van de middag door [alias verdachte] en dus [verdachte] per sms gevraagd waar de chauffeur blijft en dat hij met die spullen zit. Nog geen uur later rijdt er een witte Mercedes bus het woonwagenkamp op, terwijl 2 uur later rond 20.30 uur de Audi S8 van [verdachte] het terrein afrijdt, gevolgd door de witte bus. Na 24 november 2010 wordt tot 23 maart 2011 geen contact meer vastgesteld tussen [medeverdachte ander onderzoek 5] en [medeverdachte ander ondezoek 4] met “ [alias verdachte] ”.

Uit observatie is gebleken dat om 22.04 uur de Mercedus Vito met daarin de hennep de parkeergarage in Eindhoven wordt ingereden waarin even later de hennep wordt aangetroffen.

Deze Mercedes werd in het onderzoek Maskerbij al eerder geobserveerd. De desbetreffende Mercedesbus is in ieder geval op 1 november 2010 tussen 18.10 uur en 18.13 uur op het woonwagenkamp aan de [adres 1] in Breda geweest met [medeverdachte ander onderzoek 5] als bestuurder.

De rechtbank concludeert uit bovenstaande omstandigheden dat de bus waarin 75 kilo hennep is aangetroffen, kennelijk grotendeels afkomstig van of bestemd voor “ [alias verdachte] ”, ook gezien is bij de woning van [verdachte] met [medeverdachte ander onderzoek 5] als bestuurder. Gelet op de inhoud van de sms-contacten tussen [medeverdachte ander ondezoek 4] en [medeverdachte ander onderzoek 5] onderling en met [verdachte] (als “ [alias verdachte] ” of “ [alias verdachte] ”) is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] ook bij deze 75 kilo hennep betrokken is geweest als afnemer dan wel verkoper.

Conclusie

Samengevat kan worden gesteld dat [verdachte] zich in ieder geval sinds januari 2010 tezamen en in vereniging met anderen op grote schaal bezig hield met hennepteelt en -handel en dat hij diverse panden in beheer had waar hennepplanten werden geteeld en waarvan hij de opbrengst kreeg. Dit blijkt uit de inhoud van de diverse OVC-gesprekken en het getapte sms-verkeer, uit de omstandigheid dat de 75 kilo hennep in de in beslag genomen Mercedesbus afkomstig was van of bestemd voor [verdachte] en uit het gegeven dat de hennep in de [adres 3] in Tilburg eveneens in opdracht van [verdachte] werd geteeld.

Export?

De rechtbank ziet in de bij de moeder van [medeverdachte 3] gevonden documenten en vier telefoons waarin sms-berichten zijn aangetroffen die mogelijk wijzen op export naar Engeland, anders dan de officieren van justitie, onvoldoende bewijs voor de export van hennep en zal verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Verweer ten aanzien van [verdachte]

Het verweer dat de verschillende bewijsmiddelen afzonderlijk te mager zijn en dat ze onterecht in verband met elkaar worden gebracht, wordt niet gevolgd. In onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank met het openbaar ministerie het verband en nu [verdachte] geen enkele verklaring heeft afgelegd over hoe deze bevindingen anders moeten worden gezien, is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het feit zoals onder 4.4. wordt weergegeven.

Feit 3: Witwassen

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Financiële gegevens verdachte en partner

Uit de bewijsmiddelen bij dit feit volgt dat verdachte en zijn echtgenote een te besteden kasstroom hadden van:

in 2009: -/- 1.980

in 2010: 2.850

in 2011: 25.250

Loon [cafe 1]

Uit de bewijsmiddelen bij dit feit volgt dat verdachte in de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 maart 2011 in totaal 22 maal (niet in januari 2011) een brutosalaris van € 3.000,-- per maand ontvangen van [cafe 1] , te Enkhuizen.

[eigenaar cafe 1] (hierna te noemen: [eigenaar cafe 1] ) was (middellijk) de enig eigenaar en bestuurder van [cafe 1] in Enkhuizen.

[eigenaar cafe 1] heeft verklaard dat verdachte nooit in Enkhuizen kwam. Volgens [eigenaar cafe 1] was verdachte alleen op papier in loondienst werkzaam voor het café, maar werkte hij feitelijk voor [BV 1] en diende hij klanten uit de Bredase horeca aan te brengen. Verdachte was weinig succesvol en heeft hij nooit klanten aangebracht.

Van verdachte is in de inbeslaggenomen administratie van [BV 2] , [BV 1] en [cafe 1] geen kopie aangetroffen van het ID-bewijs van verdachte, noch een loonbelastingverklaring van verdachte. Van andere werknemers werden wel loonbelastingverklaringen en kopieën van ID bewijzen aangetroffen. De administrateur die de administratie van [cafe 1] (en [BV 1] ) deed, [administrateur] , kende de naam van verdachte niet. Volgens hem was de enige medewerker van [cafe 1] de heer [medewerker ] , die weliswaar bij [cafe 1] op de loonlijst stond maar werkzaamheden verrichte voor [BV 1] . Die [medewerker ] bevestigde zulks en verklaarde dat hij al 15 jaar werkzaam was voor [BV 1] met [eigenaar cafe 1] als zijn leidinggevende. [medewerker ] wist zeker dat hij de enige werknemer van [BV 1] was en de naam [verdachte] uit Breda zei hem helemaal niets.

Tegen de achtergrond van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verdachte gedurende 22 maanden een aanzienlijk salaris heeft genoten, van [cafe 1] , te Enkhuizen, terwijl hij geen werkzaamheden in Enkhuizen heeft verricht. De verklaring van [eigenaar cafe 1] dat verdachte heeft getracht klanten uit de omgeving Breda aan te brengen en feitelijk werkte voor [BV 1] acht de rechtbank ongeloofwaardig. Niet valt in te zien waarom een horecabedrijf in Enkhuizen gedurende 22 maanden een aanzienlijk salaris zou betalen aan iemand woonachtig in Brabant, om klanten aan te brengen uit de buurt van Breda. Verder heeft [medewerker ] verklaard dat hij de enige werknemer was van [BV 1] Uit de tussen verdachte en [eigenaar cafe 1] opgenomen telefoongesprekken, blijkt tot slot dat het verdachte is, die [eigenaar cafe 1] opdrachten geeft in plaats van andersom.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een fictief dienstverband. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat gelet op bewezenverklaringen voor handel in synthetische drugs en hennep eerder in dit vonnis, verdachte naar mag worden verondersteld er belang bij had legale inkomsten te creëren.

De feiten en omstandigheden rechtvaardigen dan ook het oordeel dat verdachte middels fictieve loonbetalingen van misdrijf afkomstig geld heeft omgezet naar legale inkomsten.

Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een dergelijke constructie het zogenaamde bruto loon in contanten wordt voldaan om daarvoor een netto loon te ontvangen. Daarbij geldt dat ook rekening moet worden gehouden met de wettelijke verplichte heffingen die een werkgever moet afdragen over het brutoloon. In de regel kan ervan worden uitgegaan dat de werkelijke loonkosten voor de werkgever ongeveer 130% van de brutoloonkosten bedragen. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte ten minste dit bedrag ook in contanten heeft voldaan, hetgeen meebrengt dat verdachte 22 maanden x € 3.000 (zijn brutosalaris) x 130% = € 85.800 in contanten moet hebben betaald. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het meermaals – gedurende een periode van ruim 22 maanden – omzetten van geldbedragen – in totaal € 85.800 - waarvan hij wist dat deze uit misdrijf afkomstig waren.

Aangetroffen geldbedragen in contanten

Gelet op enerzijds de beperkte vrije kasstroom uit legale inkomstenbronnen van verdachte en zijn vrouw in de jaren 2009-2011, en gelet op anderzijds de omstandigheid dat verdachte aanzienlijke inkomsten zal hebben genoten uit zijn criminele activiteiten en verdachte overigens niet heeft willen verklaren over de herkomst van de in zijn woning op 12 oktober 2011 aangetroffen forse geldbedragen in contanten, gaat de rechtbank ervan uit dat het van de volgende bedragen niet anders kan zijn dat deze bedragen de vruchten zijn van de eigen criminele activiteiten van verdachte:

- € 39.600 ( in de wasmachine);

- € 96.950 ( in gesealde pakketten, aangetroffen op plafondplaten);

- € 1.000 en € 325,- (gezamenlijk € 1.325,- aangetroffen in het dressoir en de tafel);

- € 3.995,- ( het keukenkastje); en

- € 2.900,- ( en de badkamer).

De rechtbank zal bewezen verklaren dat verdachte een bedrag van € 144.7700,- voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dit bedrag van misdrijf afkomstig was. Aangezien verdachte ook zal worden veroordeeld in dit vonnis voor de handel in synthetische drugs en hennep en voornoemd bedrag geacht kan worden afkomstig te zijn uit deze – door verdachte zelf begane – misdrijven, zal de rechtbank – bij de bespreking van de strafuitsluitingsgronden – verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging voor het voorhanden hebben van voornoemde bedragen.

Meubelen

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 2 september 2010 meubelen heeft gekocht bij [meubelzaak] (onder meer vitrinekasten, een dressoir, een salontafel en een TV-opzetkast), welke meubelen contant zijn afgerekend (eenmaal voor een bedrag van € 5.000,- en eenmaal voor een bedrag van € 7.000,-).

De rekeningen, die weliswaar niet op naam van verdachte stonden, maar wel op zijn adres geleverd moesten worden, werden aangetroffen in een koffer bij de moeder van medeverdachte [medeverdachte 3] . Zij verklaarde dat zij op verzoek van haar zoon een koffertje met papieren van verdachte in bewaring had genomen. Foto’s van de meubels in de woning van verdachte werden door een medewerker van [meubelzaak] herkend als de meubels die op de betreffende rekeningen stonden. De rechtbank gaat er aldus vanuit dat het verdachte is geweest die voornoemde meubelen contant heeft afgerekend. Gelet op de criminele activiteiten van verdachte, zijn beperkte legale inkomsten en aangezien verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld waarmee de meubelen zijn gekocht, kan het niet anders zijn dan dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig waren en dat verdachte dit heeft geweten. Aldus kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van meubelen, terwijl verdachte wist dat deze middellijk (want betaald met opbrengsten van de criminele activiteiten van verdachte) uit misdrijf afkomstig zijn.

Daar verdachte maandelijks loon genoot uit een fictief dienstverband en in diezelfde periode ook een fors bedrag heeft witgewassen door meubels aan te schaffen is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Feit 4: Voorhanden hebben Walther P990 en munitie

Verdachte heeft bij aanvang van de doorzoeking in zijn woning op 12 oktober 2011 verklaard dat er een vuurwapen op de eerste verdieping aanwezig was en dat hij dit wapen had vanwege de eerdere schietpartij op het woonwagenkamp waarbij zijn jongere broer om het leven is gekomen. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het aldaar aangetroffen wapen een vuurwapen is in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1° van de Wet Wapens en Munitie. Gelet op het aantreffen van dit wapen in de slaapkamer van verdachte en hetgeen verdachte daarover heeft verklaard is de rechtbank van oordeel dat verdachte dit vuurwapen, een Walther P990, voorhanden heeft gehad. Dat geldt eveneens voor de 8 kogelpatronen die in het wapen zijn aangetroffen, die kunnen worden aangemerkt als munitie in de zin van artikel 1, onder 4°, gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

Feit 5: Voorhanden hebben imitatiewapens

Bij de zoeking bij verdachte op 12 oktober 2011 zijn twee imitatiewapens op het perceel van verdachte aangetroffen (in de woning en de schuur). Uit het proces-verbaal omschrijving van een nabootsing blijkt dat beide wapens qua vorm, afmeting en kleur lijken op echte wapens, te weten een Schmeisser MP40 en een Heckler en Koch MP5 en voorwerpen zijn die een wapen betreffen in de zin van artikel 2, lid 1, Categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de aangetroffen voorwerpen speelgoedwapens zijn die vallen onder de zogenaamde Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG) en de uitzonderingscategorie van artikel 2, lid 4 van de Wet Wapens en Munitie van toepassing is. Specifieke kenmerken die de wapens op speelgoed laten lijken ontbreken; er is geen CE keurmerk vastgesteld, zoals artikel 16 van de Richtlijn vereist. De wapens hebben geen van de echte wapens afwijkende kleuren, afmetingen of vormen, en ook geen andere aanpassingen waardoor je direct kunt zien dat het speelgoed betreft. Van enige ‘speelgoedkenmerken’ blijkt ook niet uit het proces-verbaal. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de vergelijkende foto’s in het proces-verbaal waaruit deze kenmerken evenmin blijken. De verdediging heeft ook niet aangegeven op basis van welke kenmerken geconcludeerd kan worden dat de aangetroffen wapens duidelijk speelgoed waren. Het noemen van de omstandigheid dat één van de wapens in de speelkamer is gevonden is in dit kader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte beide imitatiewapens, die voor bedreiging of afdreiging geschikt waren, voorhanden heeft gehad.

Feit 7: Deelname criminele organisatie

Onder het bestanddeel ‘organisatie’ moet een samenwerkingsverband worden verstaan met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt, of bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor bewijs van het bestanddeel ‘oogmerk’ kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd, aan het duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers aan de organisatie met als doel het bereiken van het gemeenschappelijke oogmerk van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Van ‘deelneming’ aan een criminele organisatie kan slechts sprake zijn als aan twee vereisten is voldaan:

1) de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en

2) de verdachte heeft een aandeel in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk, dan wel ondersteunt dergelijke gedragingen.

Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. In het bestanddeel ‘deelneming’ aan een criminele organisatie ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Voor ‘deelneming’ is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

De contouren van een groep, die meer is dan een toevallige verzameling individuen, zijn naar het oordeel van de rechtbank zichtbaar in de druggerelateerde delicten die de rechtbank bewezen heeft geacht ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 3] , waarbij alle drie zijn aangemerkt als medepleger. Ten aanzien van [medeverdachte 1] en [verdachte] is ook het gewoonte witwassen bewezen geacht. Ten aanzien van [medeverdachte 3] wordt het bezit van zware vuurwapens en munitie bewezen geacht. De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen die zij daarover in deze vonnissen heeft opgenomen.

De aanwezigheid van een gestructureerd samenwerkingsverband blijkt verder uit de vele, dagelijkse contacten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] , waarbij de werkzaamheden onderling werden afgestemd en er jarenlang - en in het geval van [medeverdachte 3] maandenlang - werd samengewerkt. Daarbij was sprake van een vaste rolverdeling. Ontmoetingen met derden vonden veelal plaats op vaste dagen en tijdstippen in horecagelegenheden en/of in een schuur bij de woning van [verdachte] op het woonwagenkamp [locatie 1] . Er werd een boekhouding bijgehouden.

Alle vier de verdachten genereerden (een groot deel van hun) inkomsten uit het plegen van deze strafbare feiten. Er werd dus een gemeenschappelijk doel nagestreefd. Zij hadden ook allemaal wetenschap, gelet op de ten aanzien van hen bewezenverklaarde strafbare feiten, dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had.

Naar aanleiding van de door de raadsman van [medeverdachte 3] gevoerde verweren, merkt de rechtbank nog op dat, wanneer het oogmerk van de criminele organisatie gericht is op het plegen van misdrijven van uiteenlopende aard, het niet vereist is dat de deelnemers wetenschap hebben van al die verschillende soorten misdrijven (HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122).

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van overtredingen van de Opiumwet en gewoonte witwassen gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekten tot de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot 16 januari 2012 te Breda en/of Rijsbergen en/of Raamsdonkveer en/of Hank, gemeente Werkendam en/of Hoeven, gemeente Halderberge, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen in Nederland en/of te Merksplas, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen te België, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd

- (een) hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- (een) hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende MDMA en/of

- (een) hoeveelhefi)den van een materiaal bevattende metamfetamine,

zijnde telkens (een) middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 januari 2010 tot 16 januari 2012 te Breda en/of Tilburg en/of Echt, in elk geval op een of meer (andere) plaatsen in Nederland, meermalen althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)den van meer dan 30 gram hennep, (telkens) zijnde een middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3 primair.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot 16 januari 2012 te Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (een) voorwerp(en), te weten:

een of meer geldbedragen van (telkens) (ongeveer)

- 91.955 85.800 euro in ieder geval 39.931,62 euro (fictief loon [cafe 1] en/of [BV 1] en/of [BV 2] ) en/of ongeveer

148.885 euro, in elke geval 144.770 euro en/of

- een of meer goederen, te weten meubelen (vitrinekasten, een dressoir, een salontafel

en/of een TV-opzetkast),

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dit/deze een voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerpen en geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 12 oktober 2011 te Breda, een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk Walther, type P990, kaliber .40 en/of munitie van categorie III, te weten 8 althans een aantal, kogelpatronen, kaliber 40 S.W. voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 12 oktober 2011 te Breda (een) wapens van categorie 1 onder 7°, te weten twee althans een of meer imitatie vuurwapens, zijnde (een) voorwerpen dat/die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonden met (een) vuurwapens en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

7.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot 16 januari 2012 te Breda, in elk geval in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, mede bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

  • -

    het in- en/of uitvoeren en/of telen en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van hennep en/of

  • -

    het in- en/of uitvoeren en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van amfetamine en/of MDMA en/of metamfetamine en/of cocaïne en/of

  • -

    het witwassen van met criminele activiteiten verkregen geld.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring (cursief) verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Ten aanzien van het bij feit 3 onder het tweede gedachtestreepje bewezenverklaarde bedrag van € 144.770,- herhaalt de rechtbank dat het niet anders kan dan dat deze bedragen de opbrengsten zijn van de eigen criminaliteit.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het enkel voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen niet te kwalificeren als het misdrijf bedoeld in artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht. Voor dit bedrag van € 144.770,- is derhalve sprake van een kwalificatie-uitsluitingsgrond. Verdachte dient op dat onderdeel (partieel) te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en zes maanden met aftrek van voorarrest. Met deze eis komt de officier van justitie tegemoet aan een overschrijding van de redelijke termijn, die naar haar mening bij deze verdachte op 2½ jaar dient te worden gesteld en daarom zou moeten leiden tot een strafvermindering van 15 procent. Daarnaast heeft het openbaar ministerie bij het formuleren van deze eis rekening gehouden met de grote media-aandacht én de schietpartij op 14 juli 2010, waarbij het broertje van verdachte om het leven kwam.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft allereerst gewezen op de gedurende de procedure binnen de familie ontstane zeer trieste omstandigheden. Na de moord op verdachtes jongere broer [slachtoffer] is ook een andere broer overleden, alsmede zijn opa en oma. Voorts wijst de raadsman op de lange duur van deze zaak en de daarmee samenhangende media-aandacht, die niet alleen voor verdachte zelf maar zeker ook voor zijn schoolgaande kinderen ernstige gevolgen heeft gehad. Bovendien bemoeilijkt die aandacht verdachte in het zoeken van een baan. Om die reden heeft de raadsman voorgesteld de strafmodaliteit niet (meer) te zoeken in een onvoorwaardelijke maar in een voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel met een alternatieve straf.

De redelijke termijn is dermate overschreden dat beslist met substantieel meer dan 15% rekening dient te worden gehouden, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich met anderen gedurende ruim 2½ jaar schuldig gemaakt aan de grootschalige productie van en handel in synthetische drugs. Aan het productieproces zijn enorme risico’s verbonden, zowel voor de gezondheid als voor het milieu. Bovendien leidt het veelal tot hoge kosten aan gemeenschapsgelden, gezien de vele illegale lozingen van afvalproducten, vaak in natuurgebieden.

Door de handel en vervolgens het gebruik van synthetische drugs ontstaan bovendien gezondheidsrisico's zoals de mogelijk blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel.

Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd. Hij was slechts uit op winstbejag.

Daarnaast was verdachte betrokken bij meerdere hennepkwekerijen, waaronder een grote hennepkwekerij met 3062 planten (Tilburg). In Tilburg was eenmaal geoogst, zodat de rechtbank in totaal uitgaat van circa 8000 planten. Zijn betrokkenheid ging echter veel verder, nu er ook een partij hennep van hem werd onderschept die een andere afkomst had. De werkzame stof THC is bij (langdurig) gebruik schadelijk voor de gezondheid. Door het in de samenleving brengen van grote partijen hennep wordt bijgedragen aan dit schadelijke gevolg. Hennepteelt en hennephandel zijn direct en indirect oorzaak van vele vormen van overlast en criminaliteit.

Daarnaast heeft verdachte gedurende geruime tijd deelgenomen aan een organisatie die zich op betrekkelijk grote schaal bezighield met het illegaal telen van hennep en met de productie van en handel in synthetische drugs. Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben de verdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in soft- en harddrugs meebrengt. Organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde. Op professionele wijze werden daardoor enorme winsten behaald in de soft- en de harddrugs, waarna door het witwassen vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaatsvond. Dit werkt ontwrichtend op het economisch verkeer en ondermijnend voor de maatschappij.

Deelnemers aan en zeker leidinggevenden van dit type criminele organisaties verkeren in een omgeving waarin veel geld omgaat, en waar andere vormen van criminaliteit niet geschuwd worden, zoals het gebruik van geweld.

Dat blijkt ook uit het feit dat bij verdachte een vuurwapen werd aangetroffen met munitie, alsmede twee imitatie vuurwapens.

Het witwassen bestond eruit dat verdachte de crimineel behaalde, en derhalve illegaal verdiende, gelden op slinkse manieren heeft proberen om te zetten naar legaal, en dus zelf te besteden, inkomen en in meubels, waardoor hij aldus circa € 100.000,-- heeft witgewassen.

De rechtbank zal wel, nu de deelname aan de criminele organisatie vervlochten is met de drugszaken, op de voet van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht voor die twee feiten uitgaan van één straf. Strafverzwarend acht de rechtbank dat verdachte al eerder (in 2007) voor hennep gerelateerde feiten is veroordeeld.

Dit alles afwegend zou de rechtbank voor alle zaken tezamen in de regel tot een gevangenisstraf komen van 54 maanden.

Voor de hoogte van de straf is vervolgens van belang dat de termijn, waarbinnen het proces van verdachte afgerond behoorde te zijn, ruimschoots is overschreden. Naar vaste jurisprudentie is een dergelijke termijn in de regel te stellen op maximaal twee jaar. Maar het betrof hier een omvangrijk dossier, bestaande uit meer dan 50 ordners. Naar het oordeel van de rechtbank doet, nu in een reguliere zaak de vervolgingstermijn binnen twee jaar als redelijk dient te worden beschouwd, in een zo omvangrijke zaak die termijn geen recht aan de ingewikkeldheid en de omvang van zaken als de onderhavige. Zij beschouwt daarom in deze zaak een termijn van vervolging van drie jaren als redelijk, nu de vertraging bij deze verdachte mede te wijten was aan de grote hoeveelheid onderzoekswensen van de verdediging.

De vervolging van verdachte ving aan in augustus 2012, zodat de termijn is overschreden met drie jaren. De rechtbank acht op grond daarvan termen aanwezig de op te leggen straf met 20% in te korten. Gelet op het hiervoor geformuleerde uitgangspunt zou dit resulteren in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 43 maanden met een aftrek van 277 dagen voorarrest. De rechtbank betrekt hierbij echter het navolgende.

Alhoewel de rechtbank dit op de zitting ter sprake heeft gebracht heeft de officier van justitie niet gevorderd dat er een beslissing wordt genomen op het in beslag genomen geld. De rechtbank acht echter, gelet op het feit dat deze in beslag genomen voorwerpen rechtstreeks zijn te relateren aan het door verdachte gepleegde productie en handel in hennep, termen aanwezig ambtshalve als bijkomende straf de verbeurdverklaring daarvan uit te spreken. Dit resulteert voor verdachte in een financieel nadeel van ruim € 148.000,-- en de rechtbank acht termen aanwezig daarmee bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening te houden. Ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte geven aanleiding tot matiging. De moord op zijn broertje [slachtoffer] heeft diepe sporen achtergelaten. Daarnaast heeft hij gedurende de procedure meer familieleden verloren.

De rechtbank betrekt ook de media-aandacht in zoverre daarbij, dat niet alleen verdachte, maar met name ook zijn schoolgaande kinderen daardoor steeds werden geconfronteerd met deze zaak.

Alles tegen elkaar afwegend acht de rechtbank termen aanwezig op de op te leggen straf op grond van vorenstaande 7 maanden in mindering te brengen. Aldus acht de rechtbank een uiteindelijke straf van 3 jaar een passende sanctie.

7 Het beslag

7.1

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen geldbedragen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Deze bijkomende straf kan ook ambtshalve worden uitgesproken bij veroordeling van enig strafbaar feit. Gebleken is dat dit geld en die voorwerpen aan verdachte toebehoorden en als uit misdrijf verkregen opbrengst kunnen worden beschouwd, in het bijzonder uit de productie van en handel in hennep.

De rechtbank stelt vast dat het voor een verbeurdverklaring als bedoeld in artikel 33a Wetboek van Strafrecht niet nodig is dat op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Voor zover op deze voorwerpen conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Wetboek van Strafvordering is gelegd staat dat niet aan een verbeurdverklaring in de weg. Een andersluidende opvatting zou immers het onaanvaardbare gevolg hebben dat een strafrechter door de beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden zou worden beperkt.

7.2

De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten de jetski’s en het witgoed, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt. Verdachte verklaarde immers in een OVC-gesprek d.d. 14 oktober 2011 (pagina 237, ordner 1, Witwassen [verdachte] ) dat het witgoed niet van ons was en dat de jetski’s van “die dikke Hamid” zouden zijn.

7.3

Overig beslag

Ten aanzien van de overige in beslaggenomen goederen, waaronder een grote verzameling Swarowski beeldjes en diverse auto’s, zal de rechtbank geen beslissing nemen vanwege het conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering dat op deze goederen ligt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 47, 57, 91, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder

B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder

B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3 primair: Gewoontewitwassen;

feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van

categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie, meermalen gepleegd;

feit 5: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie;

feit 7: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

misdrijven;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor zover betreffende het in het tweede gedachtestreepje van feit 3 vermelde en ontslaat hem te dien aanzien van alle rechtsvervolging;

- verklaart verdachte voor het overige strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

3 geld euro 51.935,00;

4 geld euro 94.600,00;

182 geld euro 2.350,00;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

133 waterscooter Jet700

134 waterscooter Jet700

135 koelkast Whirlpool ART 471/3

136 afzuigkap Bauknecht DFH 5393 N

137 afzuigkap Whirlpool AKR 966IX

138 afzuigkap Whirlpool AKR 966IX

139 magnetron Bauknecht DMC6 6245

140 magnetron Whirlpool AKP 367/IX

141 magnetron Bauknecht BLTM 9100P

142 magnetron (merk onbekend)

143 magnetron Whirlpool AKZ 421 IX

144 vrieskast Bauknecht GKI 9000/A

145 koelkast Bauknecht KDI 2804/A

146 koelkast Whirlpool ART 471/R

147 koelkast Bauknecht KGIK3104/A

148 koelkast Ignis ARL779/A+1

149 koelkast Bauknecht KGIK3104/A

150 oven Whirlpool AKZ 421/IX

151 koelkast Whirlpool ARG 972/3

152 koelkast Whirlpool ART 471/R

153 koelkast Whirlpool ARG 575/3

154 koelkast Whirlpool ARG 570/3

155 vaatwasmachine Whirlpool ADG8517/1

156 vaatwasmachine Bauknecht GSIP6517/2

157 koelkast Whirlpool ARG 955/3

158 koelkast Bauknecht KRIE3004/A

159 koelkast Whirlpool ARG 736/A

160 koelkast Bauknecht KDI 2804/A

161 koelkast Bauknecht KRI1809/A1

162 oven Bauknecht AKZ 668/IX

163 koelkast (merk onbekend)

164 koelkast Whirlpool ARG 972/3

165 koelkast Bauknecht KRIK2204AT

166 koelkast Whirlpool ARG 570/3

167 oven Bauknecht EMGHD

168 koelkast Bauknecht KRIK2004/A

169 oven Whirlpool AKP367/IX

170 wasmachine Bauknecht GSIP 40/1

171 koelkast Whirlpool ART 471/R

172 oven Whirlpool AMW520IX

173 afzuigkap Bauknecht

174 afzuigkap Bauknecht 5890

175 afzuigkap Bauknecht 5890

176 koelkast Bauknecht KRI1504/A+

177 koelkast Whirlpool ARG

178 hometrainer Crossrunner INB DE2.01.01.046.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hertsig, voorzitter, mr. Vliegenberg en mr. Schild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Joosen en Mertens, griffiers, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 september 2018.