Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5132

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
02-068579-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

In de woning van verdachte treedt een vriend van verdachte op in hoedanigheid van opsporingsambtenaar. Artikel 9li 1 onder b van de Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/068579-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. B. Vermeirssen, advocaat te Kattendijke.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 augustus 2018, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1
hij op of omstreeks 28 januari 2016 te Vlissingen opzettelijk heeft geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig
heeft gehad (in een pand aan de [adres 1]
) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 213 (hennep)planten en/of 278 (hennep)stekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

feit 2
hij op of omstreeks 28 januari 2016 te Vlissingen (in een perceel gelegen aan
de [adres 1] het oogmerk van
wederrechtelijke toe-eigening uit een elektriciteitswerk
(meterkast/[hoofd]aansluitkast) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid
elektriciteit, geheel of ten dele toebehorend aan [naam 1]
, in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem,
verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs
heeft verschaft en/of de/het weg te nemen (grote) hoeveelheid elektriciteit
onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of
verbreking.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de verdediging

Verweer vormfout

De verdediging heeft aangevoerd dat verbalisant [naam 2] , die als vriend in de woning van verdachte aanwezig was, in de woning ging rondkijken om te verifiëren of daar al dan niet een hennepkwekerij was, zonder dat hij daarvoor toestemming had van de bewoner en zonder een machtiging om binnen te treden. Dat betekent dat de verbalisant op dat moment bezig was met een onrechtmatige opsporingshandeling. De ontdekking van de hennep op de bovenverdieping is dan ook onrechtmatig. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de opsporing als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte is hierdoor in zijn belangen geschaad. Dit vormverzuim dient dan ook tot bewijsuitsluiting te leiden. Na bewijsuitsluiting resteert geen bewijsmiddel voor een bewezenverklaring, zodat vrijspraak van beide feiten wordt bepleit.

Aangaande de feiten

Als subsidiair standpunt is door de verdediging aangevoerd dat de in de plantenpotten aangetroffen afgeknipte plantenstengels met wortel niet kunnen worden aangemerkt als hennep zoals strafbaar is gesteld in de Opiumwet. Daarnaast is het bezit van hennepwortels, als dat zou kunnen worden aangemerkt als hennep, minder strafwaardig dan het aanwezig hebben van hennepplanten, gelet op de doelstelling van de Opiumwet.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Verweer vormfout

Verbalisant [naam 2] was rechtmatig in de woning van verdachte. Verdachte had die avond hem zelf, als vriend, binnengelaten. De verbalisant mocht naar de bovenverdieping gaan om de uitlatingen van verdachte dat hij een hennepkwekerij zou beginnen te verifiëren. Hij mocht dit doen in zijn rol als vriend, maar op grond van artikel 9 van de Opiumwet ook in zijn hoedanigheid als politieambtenaar. Een dag nadat de verbalisant een proces-verbaal van bevindingen hierover had opgemaakt is de politie naar de woning van verdachte gegaan en heeft daar de hennepkwekerij rechtmatig aangetroffen.

Aangaande de feiten

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 2] , het proces-verbaal betreffende het aantreffen van de hennepkwekerij, de aangifte door [naam 1] van de diefstal van stroom en de bekennende verklaring van verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verweer vormfout

Uit zowel de verklaring van verdachte ter terechtzitting als het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 2] komt naar voren dat [naam 2] eind december 2015 als vriend in de woning van verdachte aanwezig was. [naam 2] heeft gerelateerd dat hij op de hoogte was van de omstandigheid dat verdachte schulden had en dat verdachte er tegenover hem regelmatig grapjes over maakte dat hij de drugswereld in zou gaan. Op de bewuste avond dat [naam 2] bij verdachte in de woning was heeft verdachte opmerkingen gemaakt dat hij een hennepkwekerij zou beginnen. Hoewel verdachte ter terechtzitting enkele elementen uit het proces-verbaal van bevindingen van [naam 2] heeft ontkend, heeft hij de bovenstaande bevindingen niet betwist. De opmerkingen van verdachte over het beginnen van een hennepkwekerij bezorgden [naam 2] op enig moment die avond een ‘onbehaaglijk gevoel’, waarna hij besloot te verifiëren of de opmerkingen van verdachte wellicht niet als grap waren bedoeld. Hiertoe is hij naar de bovenverdieping gelopen en heeft daar een aantal deuren van kamers geopend. Hij zag in een slaapkamer een in werking zijnde hennepkwekerij.

Het is een feit van algemene bekendheid dat veel hennepkwekerijen worden opgezet met als doel het afbetalen van schulden met de opbrengst van de oogst(en).

Gelet hierop en op de omstandigheid dat [naam 2] wist van de schulden, alsmede op de opmerkingen die verdachte naar [naam 2] maakte over overtreding van de Opiumwet, terwijl [naam 2] een politieambtenaar is, gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] toen hij de opmerkingen van verdachte ging verifiëren door naar de bovenverdieping van de woning van verdachte te lopen, niet langer handelde in zijn hoedanigheid als vriend van verdachte, maar als opsporingsambtenaar.

Op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat zodanige overtreding gepleegd wordt.

Indien zo’n plaats een woning betreft is op basis van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden een schriftelijke machtiging vereist voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner.

Uit het dossier is niet gebleken dat [naam 2] – toen nog in de hoedanigheid als vriend – zonder toestemming van verdachte diens woning binnen is gegaan. De opmerking van verdachte tegen [naam 2] toen die naar de bovenverdieping ging dat hij, [naam 2] , dat niet moest doen, ziet de rechtbank niet als het weigeren van toestemming aan [naam 2] om naar de bovenverdieping te gaan of als een verbod. Verdachte heeft [naam 2] niet tegengehouden toen hij naar boven ging, is niet boos geworden en eenmaal boven heeft hij zelfs verklaard dat hij ook op zolder hennep kweekte, zo relateert [naam 2] . Ook uit die omstandigheden leidt de rechtbank af dat de eerder door verdachte aan [naam 2] gegeven toestemming om in de woning van verdachte te verblijven, niet is ingetrokken.

Gelet op het wettelijk kader is de rechtbank van oordeel dat het optreden van verbalisant [naam 2] in de woning van verdachte een wettelijke grondslag heeft gehad aangezien, gelet op genoemde feiten en omstandigheden, door hem redelijkerwijs kon worden vermoed dat in de woning hennep bewaard of aanwezig was. Het aantreffen van (een deel van) de hennepkwekerij in de woning van verdachte door verbalisant [naam 2] was dan ook niet onrechtmatig. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim en de gang van zaken leidt dan ook niet tot bewijsuitsluiting. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Inhoudelijke beoordeling van de feiten

Feit 1

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en het vrijspraakverweer – dat zag op een vormverzuim en niet op het strafbare feit zelf – is verworpen, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 22 augustus 20181; - het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 17 mei 20162.

Ten aanzien van de hennepplanten overweegt de rechtbank dat verdachte in zijn verklaring van 29 januari 2016 tegenover de politie heeft verklaard dat hij ‘gisteren’ – derhalve op 28 januari 2016 – om 05:30 uur de hennepplanten onderaan bij de grond heeft afgeknipt.3 Daarna heeft hij het knipafval opgeruimd. Op 28 januari 2016 vóór 05:30 uur stonden de hennepplanten – waarvan bij de doorzoeking om 12:04 uur door de politie alleen nog de plantenpotten te zien waren4 – nog in de woning van verdachte. De rechtbank acht gelet hierop wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel de in de tenlastelegging genoemde hennepplanten als de hennepstekken op 28 januari 2016 in zijn woning heeft geteeld.

Feit 2

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen inhoudelijke vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 22 augustus 20185; - de aangifte van [naam 3] namens [naam 1] van 5 februari 20186.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1
hij op of omstreeks 28 januari 2016 te Vlissingen opzettelijk heeft geteeld
en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig
heeft gehad (in een pand aan de [adres 1]
)) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 213 (hennep)planten en/of 278 (hennep)stekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Feit 2
hij op of omstreeks 28 januari 2016 te Vlissingen (in een perceel gelegen aan
de [adres 1] , met het oogmerk van
wederrechtelijke toe-eigening uit een elektriciteitswerk
(meterkast/[hoofd]aansluitkast) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid
elektriciteit, geheel of ten dele toebehorend aan [naam 1]
, in elk geval aan (een) ander(en) dan aan hem,
verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs
heeft verschaft en/of de/het weg te nemen (grote) hoeveelheid elektriciteit
onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of
verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor de feiten 1 en 2 aan verdachte op te leggen een werkstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis. Zij heeft in de strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte zijn leven nu volledig op orde heeft. Zo heeft hij een vaste baan. Voordat verdachte de onderhavige feiten pleegde had hij een blanco strafblad. De verdediging heeft gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging heeft verzocht een lagere taakstraf op te leggen dan gevorderd, eventueel met een voorwaardelijk deel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van in totaal 491 hennepplanten en

-stekken in zijn woning. Ten behoeve daarvan heeft hij een stroomvoorziening buitenom de elektriciteitsmeter aangelegd en aldus illegaal stroom gebruikt.

Het kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerij waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in een rijtjeswoning was opgezet. De rechtbank houdt met dit laatste in negatieve zin rekening bij de bepaling van de strafmaat.

Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. Ook dat neemt de rechtbank mee bij het bepalen van de strafmaat.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 30 juli 2018 is verdachte voorafgaand aan de thans bewezenverklaarde feiten niet eerder met justitie in aanraking gekomen.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 28 januari 2016 toen de woning van verdachte door de politie werd doorzocht en de hennepkwekerij daar werd ontdekt. Omdat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden, had de behandeling van de zaak vóór 28 januari 2018 afgerond moeten zijn. De redelijke termijn is daarmee overschreden, te weten met bijna zeven maanden. Deze overschrijding, zonder dat daarvoor een duidelijk aanwijsbare reden bestaat, moet een matiging van de op te leggen straf tot gevolg hebben.

Gekeken naar de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de strafverzwarende omstandigheid van het brandgevaar is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren passend en noodzakelijk is. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de taakstraf matigen tot 140 uren.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd is de rechtbank van oordeel dat de hierboven geformuleerde straf passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 1.590,14 voor

feit 2.

Door de verdediging is de gevorderde schadevergoeding wegens afgenomen elektriciteit,

€ 670,14, gemotiveerd betwist. Aangevoerd is dat ten laste is gelegd de diefstal van stroom op of omstreeks 28 januari 2016, terwijl de vordering ziet op een periode van 26 november 2015 tot en met 28 januari 2016. De gevorderde schadevergoeding vanwege afgenomen elektriciteit dient derhalve te worden afgewezen als zijnde niet het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De overige schadeposten worden ongemotiveerd betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de schade betreffende de weggenomen elektriciteit een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Ten aanzien van het verweer overweegt de rechtbank dat uit de verklaring van verdachte ter zitting blijkt dat verdachte al vóór de bewezenverklaarde datum van 28 januari 2016 illegaal stroom gebruikte. Verdachte heeft verklaard dat hij op 18 november 2015 is begonnen met de hennepkweek. Daarnaast heeft verbalisant [naam 2] eind december 2015 de hennepkwekerij gezien. De rechtbank acht het dan ook voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij al vóór 28 januari 2016 schade heeft geleden door de diefstal van stroom door verdachte. De startdatum van de berekening door de benadeelde partij ligt na de datum waarop verdachte heeft verklaard te zijn gestart met de hennepkwekerij. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering voor zover die ziet op weggenomen elektriciteit zal worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering is met stukken onderbouwd. Deze kosten vloeien voort uit de diefstal van stroom door verdachte, zodat de rechtbank verdachte aansprakelijk acht voor die schade. Het gevorderde is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt. Nu deze posten ongemotiveerd zijn betwist, ziet de rechtbank ook daarin geen aanleiding deze schadeposten toe te wijzen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijst, inclusief de gevorderde wettelijke rente.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod;

feit 2: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 140 (honderdveertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 (zeventig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van € 1.590,14 (vijftienduizendnegentig euro en veertien cent) en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. M.L. Weerkamp en

mr. H.E. Goedegebuur, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Politie Eenheid Zeeland – West-Brabant, nummer PL2000-2016024812. De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting op 22 augustus 2018.

2 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 17 mei 2016, pagina 3 tot en met 6 van het dossier.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 29 januari 2016, pagina 37, vijfde alinea, van het dossier.

4 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 17 mei 2016, pagina 6, vierde alinea, van het dossier.

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter zitting op 22 augustus 2018.

6 Proces-verbaal van aangifte van [naam 3] namens [naam 1] van 5 februari 2016, pagina 16 en 18, met foto’s op pagina 20 en 21 en met notitie op pagina 22 en 23, van het dossier.