Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5084

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4680
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:2138, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:62, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:2, 7:4 en 8:42 Awb

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag successierecht opgelegd omdat hij volgens de inspecteur gerechtigd is tot door erflaatster in het buitenland aangehouden vermogen. De inspecteur baseert dit op een becijfering van de IB-inspecteur. Aan die becijfering liggen volgens de inspecteur gegevens ten grondslag die hij niet maar de IB-inspecteur wel heeft en die zijn verstrekt door familieleden van belanghebbende. De becijfering is wel overgelegd; de onderliggende gegevens niet. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet verplicht is tot overlegging van gegevens die hij niet heeft. Met de ingebrachte gegevens is de inspecteur echter niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat en tot welk bedrag erflaatster op de overlijdensdatum banksaldi in het buitenland aanhield. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslag. Tot diezelfde beslissing komt de rechtbank indien de onderliggende gegevens wel ingebracht hadden moeten worden nu belanghebbende de rechtbank heeft verzocht dan zelf in de zaak te voorzien.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:4
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-02-2019
V-N Vandaag 2019/458
FutD 2019-0638 met annotatie van Fiscaal up to Date
ERF-Updates.nl 2019-0073
V-N 2019/17.2.7
NTFR 2019/654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/4680

uitspraak van 30 augustus 2018

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [Woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 8 juni 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslag in het recht van successie wegens een verkrijging in het jaar 2002 (aanslagnummer [aanslagnummer] ) (hierna: de navorderingsaanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde] , verbonden aan [zaaknaam gemachtigde] te Rotterdam, en namens de inspecteur [verweerder] en [verweerder] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Op [datum overlijden zus] 2002 is een zus van belanghebbende overleden. Zij heeft bij uiterste wil over haar nalatenschap beschikt en belanghebbende en zijn drie andere zussen als erfgenamen benoemd. Aan belanghebbende is in verband met zijn verkrijging een aanslag successierecht opgelegd van € 102.879.

2.2.

De moeder van belanghebbende (hierna: de moeder) is reeds eerder, op [datum overlijden moeder] 1995, overleden. Tot het vermogen, en dus tot de nalatenschap van de moeder behoorde een bankrekening die werd aangehouden in Zwitserland. Alle vijf de kinderen waren erfgenamen in de nalatenschap van de moeder.

2.3.

De zussen van belanghebbende hebben, na het overlijden van de in 2.1 bedoelde zus, gebruik gemaakt van de zogenoemde inkeerregeling. Deze inkeer was voor de inspecteur aanleiding om te constateren dat de nalatenschap van de overleden zus (hierna: erflaatster) hoger moet zijn geweest. Daarop heeft hij de navorderingsaanslag opgelegd.

2.4.

In de bezwaarfase heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Nadat er diverse malen uitvoerig contact is geweest tussen (de gemachtigde van) belanghebbende en de inspecteur(s) heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

2.5.

Tussen partijen is onder meer in geschil of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de in 2.1 bedoelde aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

2.6.

De inspecteur stelt van wel en verwijst daartoe naar becijferingen die hij naar zijn zeggen heeft ontvangen van een collega die de aanslagen inkomstenbelasting van de zussen van belanghebbende heeft vastgesteld (hierna: de IB-inspecteur). Bij die becijferingen is het in 1995 door erflaatster verkregen aandeel in het tot de nalatenschap van de moeder behorende Zwitserse vermogen na aftrek van de verschuldigde belasting over die verkrijging, aangemerkt als onderdeel van de nalatenschap van erflaatster.

2.7.

Belanghebbende betwist dat in de aangifte successierecht verzuimd is om het vermogen van erflaatster in aanmerking te nemen. Hij betwist dat zij op de sterfdatum vermogen in het buitenland aanhield.

2.8.

De inspecteur heeft verklaard dat de gegevens ter zake van de in 2.3 vermelde inkeer zijn verstrekt aan de IB-inspecteur en dat hij niet over die gegevens beschikt. Hij heeft belanghebbende inzage van die stukken geweigerd. Naar de rechtbank begrijpt doet de inspecteur een beroep op hetgeen aan de orde is in rechtsoverweging 3.4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. Daarin staat:

“Het hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.4 overwogene brengt niet mee dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb verplicht is buiten de hem reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken, alsnog nadere gegevens te vergaren en over te leggen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling door de rechter van het aan hem voorgelegde geschil (vgl. HR 8 april 2005, nr. 40052, ECLI:NL:HR:2005:AT3409, BNB 2005/185, rechtsoverweging 3.1, en HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29, BNB 2013/226, rechtsoverweging 3.3.1.3).”

2.9.

Ervan uitgaande dat de inspecteur omtrent de aanwezigheid en omvang van het in het buitenland aangehouden vermogen geen andere stukken ter beschikking staan of hebben gestaan dan de hiervoor vermelde becijferingen van de IB-inspecteur, overweegt de rechtbank dat de inspecteur in zoverre gelijk heeft dat geen sprake is van schending van de artikelen 7:2, 7:4 en 8:42 van de Awb.

2.10.

De vraag rijst dan of de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk heeft gemaakt dat bij het vaststellen van de primitieve aanslag successierecht is uitgegaan van een te laag bedrag aan nalatenschap. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De ingebrachte becijferingen en de verklaring dat de IB-inspecteur deze becijferingen heeft gebaseerd op gegevens die deze inspecteur zijn aangereikt in het kader van een inkeer door de zussen van belanghebbende, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat en tot welk bedrag erflaatster op de overlijdensdatum banksaldi in het buitenland aanhield. Zo is hetgeen dat ten grondslag ligt aan die analyse van de IB-inspecteur op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt en te toetsen door belanghebbende en de rechtbank.

De enkele omstandigheid dat door de zussen (ook) is ingekeerd voor het recht van successie is eveneens onvoldoende voor de vaststelling dat de aan belanghebbende opgelegde aanslag te laag is geweest. Zoals de inspecteur ook ter zitting heeft erkend, zou inkeer voor het recht van successie door de zussen ook aan de orde zijn bij schenking van het buitenlandse vermogen door erflaatster bij leven aan haar zussen, waar belanghebbende van uitgaat op basis van de ingebrachte stukken, waaronder het feit dat het vermogen is verdeeld onder enkel de zussen en niet mede onder belanghebbende. De rechtbank is daarom van oordeel dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd.

2.11.

Voor het geval ervan uit moet worden gegaan dat de onderliggende bescheiden van de becijferingen van de IB-inspecteur in deze zaak behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, voor zover daarin informatie met betrekking tot de fiscale positie van belanghebbende is opgenomen, is sprake van schending van artikel 7:4 van de Awb (en indirect daarmee van artikel 7:2 van de Awb) en van artikel 8:42 van de Awb. Ook in dat geval komt de rechtbank tot het oordeel dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Belanghebbende heeft voor dat geval verzocht om de zaak niet terug te wijzen naar de inspecteur. De rechtbank volgt belanghebbende hierin nu belanghebbende daardoor niet in zijn belangen wordt geschaad en de inspecteur ook ter zitting heeft volhard in het ontbreken van het belang van de aan de becijferingen van de IB-inspecteur ten grondslag liggende stukken. De inspecteur heeft voldoende mogelijkheden gehad om de relevante stukken te overleggen. Door zelf in de zaak te voorzien stelt de rechtbank de inspecteur in de gelegenheid het andersluidende oordeel van de rechtbank over het belang van de aan de becijferingen ten grondslag liggende stukken ter toetsing aan een hogere rechter voor te leggen. De rechtbank zal derhalve van terugwijzing afzien en met toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Awb zelf in de zaak voorzien. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen onder rechtsoverweging 2.10 is overwogen.

2.12.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.13.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hoewel de houding en de bejegening van de zijde van de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet steeds gepast is geweest, acht de rechtbank dit onvoldoende om een hogere vergoeding toe te kennen dan een forfaitaire vergoeding. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de inspecteur niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij een uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden en dat belanghebbende zelf de mogelijkheid had om eerder met de gesprekken te stoppen, mede omdat op enig moment reeds duidelijk was dat verder overleg partijen niet nader tot elkaar zou brengen.

2.14.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.500 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 30 augustus 2018 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.