Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5061

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
12-715362-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering verlenging TBS-maatregel. Proportionaliteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 12/715362-08

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 30 augustus 2018

op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van

[Betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950,

thans verblijvende te [adres]

1 Destukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:

- de vordering van de officier van justitie d.d. 12 juli 2018, ingediend op 13 juli 2018, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling (hierna TBS) met één jaar;

- het rapport van de reclassering d.d. 31 mei 2018, waarin wordt ingegaan op de naleving van de voorwaarden;

- een advies d.d. 25 april 2018 van psychiater I. Maksimovic.

2 Deprocesgang

Bij arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 31 juli 2009 is betrokkene, in verband met een poging tot zware mishandeling en handelen in strijd met de artikelen 26 en 27 van de Wet wapens en munitie, ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een psychische stoornis en is aan hem TBS met verpleging van overheidswege opgelegd.

De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De TBS is op 15 augustus 2009 aangevangen. De dwangverpleging van betrokkene is met ingang van 26 februari 2016 voorwaardelijk beëindigd. De TBS met voorwaardelijk beëindigde verpleging is laatstelijk bij beslissing van 1 september 2017 verlengd voor een termijn van één jaar. De rechtbank heeft bij die beslissing, evenals bij beslissing van 1 september 2016, de officier van justitie de opdracht gegeven om, door tussenkomst van de reclassering of een gedragsdeskundige, voorafgaand aan de volgende verlengingszitting de mogelijkheden voor een overgang naar een civielrechtelijke maatregel in kaart te brengen.

Tijdens het onderzoek in de openbare raadkamer van de rechtbank van 16 augustus 2018 is de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen.

Voorts is N. Wanjon, reclasseringswerker, als deskundige gehoord.

3 Het advies van de reclassering

De reclassering heeft in het rapport d.d. 31 mei 2018 verslag gedaan over de voortgang van de maatregel. Uit dit verslag is gebleken dat betrokkene de bij hem gestelde diagnose van schizofrenie van het paranoïde type zelf ten stelligste ontkent en in zijn denkwijze daarvoor ook geen medicamenteuze behandeling nodig heeft. Hij neemt die medicatie, omdat anderen in het kader van de TBS-maatregel zeggen dat dit moet. Zodra dat kader wegvalt zal hij stoppen met de medicatie, waarna verwacht mag worden dat hij zal ontregelen en uiteindelijk decompenseren. Op korte termijn zal betrokkene worden overgeplaatst naar een reguliere beschermde woonvoorziening. De reclassering wil toewerken naar een rechterlijke machtiging (BOPZ). Qua risicomanagement blijft het namelijk noodzakelijk dat betrokkene intensieve zorg/begeleiding krijgt, waarbij (levenslang) toezicht is op het innemen van de medicatie. Aangezien deze verhuizing nog moet plaatsvinden en er nog geen borging/inbedding is geweest, kan de TBS-maatregel nog niet beëindigd worden.

De reclassering adviseert de TBS-maatregel te verlengen voor de duur van één jaar onder dezelfde bijzondere voorwaarden als die eerder zijn gesteld.

Ter zitting heeft de deskundige namens de reclassering daaraan nog het volgende toegevoegd.

De verlenging van de TBS met één 1 jaar is nodig om te kijken hoe de overstap naar regulier beschermd wonen gaat. Momenteel valt de woonvoorziening van betrokkene nog onder forensisch beschermd wonen. Hij staat op de wachtlijst voor een reguliere woonvoorziening. Wanneer zo’n woonvoorziening beschikbaar komt, is niet te voorzien. Het plan van de reclassering is om in het aankomende jaar de doorstroming naar een reguliere beschermde woonvorm mogelijk te maken en te kijken hoe betrokkene reageert op een nieuwe plek en voorts te kijken wat de mogelijkheden zijn om een machtiging op grond van de wet BOPZ te realiseren. Als betrokkene eenmaal verhuisd is en de reclassering constateert na een aantal maanden dat hij functioneert zoals nu, kan aan het einde van dat traject toegewerkt worden naar een machtiging op grond van de wet BOPZ. Met het realiseren van zo’n machtiging is minimaal een periode van zes weken gemoeid. De reclassering blijft bij het advies tot verlenging van de TBS-maatregel met één jaar, met name gelet op de gediagnostiseerde problematiek, de noodzaak van medicatie en het gebrek aan ziekte-inzicht.

4 Het advies van de externe gedragsdeskundige

Uit het rapport van psychiater Maksimovic d.d. 25 april 2018 blijkt dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie, onafgebroken, met wanen. In het verleden was er sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol, die al jaren in remissie is. Het recidiverisico vloeit voort uit betrokkenes schizofrenie en houdt verband met de zogenaamde ‘threat control’: de ervaren behoefte/noodzaak om zich tegen het gevaar dat door een ander wordt veroorzaakt te verdedigen. Dat gevaar heeft psychotische gronden. Betrokkene heeft geen ziektebesef of -inzicht. Onder de omstandigheden van externe dwang en drang conformeert hij zich aan de behandeling. Voor het optimale functioneren is betrokkene afhankelijk van dagelijkse begeleiding vanuit een beschermde woonvoorziening, inzake het toedienen van de medicatie, beoordeling van het toestandsbeeld en ondersteuning waar nodig. De klinische inschatting van het recidiverisico is dat het afhankelijk is van betrokkenes toestandsbeeld. Als betrokkene goed ingesteld is op medicatie en hij voldoende ondersteuning waar nodig krijgt, dan is het recidiverisico laag. De kans dat betrokkene zich zonder een extern dwangmiddel aan behandeling onttrekt wordt als hoog ingeschat, omdat hij geen ziektebesef en -inzicht heeft. Onder omstandigheden van een externe dwangmaatregel houdt hij zich aan behandelvoorschriften. Onder omstandigheden dat het kader van de TBS zou wegvallen, is de inschatting dat het recidiverisico in eerste instantie laag zal blijven. Alleen op den duur zou de waan zich op iemand kunnen richten met een matige verhoging van het recidiverisico als gevolg. Gelet op het feit dat betrokkene nooit eerder veroordeeld was en dat hij lange tijd psychotisch was voordat hij overging tot het indexdelict, wordt de kans op herhaling als matig ingeschat, en niet als hoog. Gelet op het stabiele beeld van betrokkene rijst de vraag of de tijd nu rijp is voor de beëindiging van de maatregel. Voor het optimale risicomanagement is het noodzakelijk dat betrokkene goed ingebed raakt in de beschermde woonomgeving waar hij lang zou kunnen blijven wonen. Een overgang is altijd een kwetsbare fase in de behandeling en begeleiding. Geadviseerd wordt om het huidige kader te handhaven totdat betrokkene goed geland is in de nieuwe omgeving, omdat het huidige kader, inclusief het toezicht door de reclassering, zorgt voor continuïteit, wat van cruciaal belang is voor het risicomanagement. Ook kan de reclassering zorgen dat de huidige lijn wordt gehandhaafd en inspelen op eventuele tegenslagen. Wanneer betrokkene goed ingebed is in de nieuwe setting is de tijd rijp om de TBS-maatregel te beëindigen, wel onder de voorwaarde dat een voorwaardelijke machtiging, een BOPZ-maatregel, tot stand is gebracht. Alleen op deze manier kan de continuering van de medicatie en zorg worden gewaarborgd. De voortzetting van het huidige risicomanagement wordt aanbevolen. Er wordt geadviseerd om de TBS-maatregel te verlengen met één jaar en om de voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging te continueren onder de gestelde voorwaarden.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is ter zitting bij de vordering de TBS met één jaar te verlengen en de voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging te continueren gebleven.

6 Het standpunt van de verdediging

Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Wel valt de medicatie hem zwaar. Betrokkene is van mening dat hij het punt heeft bereikt dat de TBS beëindigd kan worden en hij kan stoppen met de medicatie.

De verdediging heeft betoogd dat het begint te klemmen dat de TBS-maatregel maar steeds wordt verlengd. De vraag of er wel moet worden verlengd, wordt steeds schrijnender. Jaar in jaar uit is te zien dat betrokkene zich stabiel en rustig in de samenleving begeeft. Er is progressie te zien. Betrokkene vindt dat er geen noodzaak meer is om de TBS te verlengen en het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau is gereduceerd. Hij vindt dat het genoeg is geweest. Tegelijkertijd benoemt hij dat hij veel heeft geleerd en is gestabiliseerd. Betrokkene is nooit eerder veroordeeld geweest. Hij is lange tijd psychotisch geweest en toch heeft het lange tijd geduurd voordat hij het indexdelict heeft gepleegd. Dit delict heeft een lange aanloop gekend. Een knelpunt is wel volgens de psychiater dat betrokkene zijn ziekte onderschat en geen ziekte-inzicht heeft. Betrokkene weet zeker dat hij nu veel beter spanning onderkent en hiermee omgaat. Wel staat hij open voor begeleiding op vrijwillige basis. Er wordt niet voldaan aan het gevaarscriterium van artikel 38d, tweede lid Wetboek van Strafrecht. Betrokkene zou hoogstens op de langere termijn kunnen wegglijden en psychotisch kunnen worden. Daar kan in de huidige wetgeving, in het bijzonder door middel van de BOPZ, effectief op worden gereageerd. Er kan te allen tijde snel worden ingegrepen als betrokkene toch ontregelt. Nu al anticiperen op de BOPZ is prematuur, omdat niet vaststaat dat betrokkene daarvoor in aanmerking komt. Gelet op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is de verdediging van mening dat de TBS-maatregel lang genoeg heeft geduurd. Gezien alle omstandigheden, de aard van het indexdelict en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene is het onnodig en onredelijk dat de TBS wordt verlengd. De verdediging verzoekt de vordering tot verlenging van de TBS-maatregel af te wijzen.

7 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd om van de vordering kennis te nemen, omdat zij in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de TBS is gelast.

De vordering is tijdig, dat wil zeggen niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de TBS door tijdsverloop zal eindigen, ingediend. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vordering.

De rechtbank concludeert op grond van het rapport van de psychiater dat bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk schizofrenie.

Uit de rapporten van de psychiater en de reclassering en het verhandelde ter zitting blijkt dat de deskundigen het recidivegevaar op dit moment als laag inschatten. Wanneer de TBS-maatregel wordt beëindigd dan is de inschatting van de psychiater dat de kans op herhaling in eerste instantie laag zal blijven en op den duur sprake zou kunnen zijn van een matige verhoging van die kans. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank aan het gevaarscriterium voldaan.

Bij de beantwoording van de vraag of de TBS-maatregel moet worden verlengd moeten voorts de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit worden betrokken. De veiligheidsbelangen van de maatschappij moeten worden afgewogen tegen de belangen van betrokkene, waarbij de belangen van betrokkene steeds zwaarder gaan wegen naarmate de TBS langer voortduurt.

In dit verband is het volgende van betekenis.

De TBS-maatregel is opgelegd in verband met een poging zware mishandeling en twee overtredingen van de Wet Wapens en Munitie. Betrokkene heeft van dichtbij met een brandende vloeistof in de richting van het slachtoffer gespoten en was kort achter hem aangerend. Verder was hij in het bezit van een spuitbusje pepperspray en een plantenspuit met wasbenzine (in combinatie met een gasbrander). Dit zijn feiten van relatief beperkte ernst in vergelijking met de delicten waarbij een TBS-maatregel pleegt te worden opgelegd.

De TBS-maatregel duurt inmiddels negen jaar. De TBS-maatregel is op 15 augustus 2009 aangevangen.

De dwangverpleging van betrokkene is met ingang van 26 februari 2016 voorwaardelijk beëindigd. Betrokkene is al langere tijd stabiel en de psychiater heeft in zijn rapport van

25 april 2018, gelet op het stabiele beeld van betrokkene, overwogen of de tijd inmiddels rijp is voor beëindiging van de maatregel. De kans op herhaling wordt bij beëindiging van de TBS-maatregel ingeschat als laag, op de langere termijn mogelijk als matig.

Er wordt al jaren toegewerkt naar een overplaatsing van betrokkene naar een reguliere beschermde woonvorm en in aansluiting daarop naar een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet BOPZ. De rechtbank heeft in haar beslissing van 1 september 2016 aanleiding gezien opdracht te geven om voorafgaand aan de volgende verlengingszitting de mogelijkheden voor een overgang naar een civielrechtelijke maatregel op grond van de Wet BOPZ (hierna: BOPZ-maatregel) in kaart te brengen. Aan deze opdracht is geen gevolg gegeven en in de laatste verlengingsbeslissing van 1 september 2017 heeft de rechtbank aanleiding gezien deze opdracht opnieuw te geven. Uit de ontvangen rapporten blijkt dat een overgang naar een BOPZ-maatregel vooralsnog niet realiseerbaar wordt geacht. Betrokkene staat nog steeds op de wachtlijst voor overplaatsing naar een beschermde woonvorm in een regulier kader in plaats van een forensisch kader, waarna door de deskundigen nog een periode van inbedding nodig wordt geacht alvorens er een BOPZ-maatregel tot stand zou moeten worden gebracht en de TBS-maatregel vervolgens zou kunnen worden beëindigd. Op wat voor termijn de overplaatsing zal plaatsvinden en daarmee een beoordeling of betrokkene in aanmerking komt voor een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet BOPZ, is onduidelijk.

Gelet op de duur van de maatregel, de relatief beperkte ernst van de indexdelicten, de beperkte kans op herhaling die bovendien dusdanig is dat betrokkene al jaren niet meer in een forensische setting hoeft te verblijven en de situatie dat verlenging van de TBS-maatregel feitelijk steeds wordt gevorderd omdat er geen zicht is op een plaats voor betrokkene buiten de forensische setting, maakt dat verlenging van de TBS-maatregel onder deze omstandigheden niet langer proportioneel is. De beperkte kans op herhaling als genoemd rechtvaardigt in dit specifieke geval niet meer het telkens verlengen van de TBS-maatregel omdat betrokkene steeds niet kan worden overgeplaatst naar een beschermde woonvorm in een reguliere setting en het ongewis blijft wanneer die overplaatsing kan worden gerealiseerd. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat, mede gelet op de inschatting van het recidivegevaar, niet reeds nu kan worden vooruitgelopen op toewijzing van een verzoek tot voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet BOPZ na plaatsing van betrokkene in een reguliere vorm van beschermd wonen. Er kan, mede gelet op de opvattingen van de psychiater over de kans op herhaling in eerste instantie en op den duur, niet zonder meer van worden uitgegaan dat betrokkene dan zal voldoen aan de wettelijke vereisten voor een machtiging op grond van de Wet BOPZ. In die zin is het kader op termijn dat voor betrokkene door de deskundigen wordt geschetst ook onzeker. Het perspectief voor betrokkene is daarmee zodanig onvoldoende concreet dat hieraan bij de beoordeling van de vraag of bij een verlenging van de TBS-maatregel is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit relevante betekenis toekomt.

De conclusie is dat de TBS-maatregel moet worden beëindigd. De vordering van de officier van justitie zal dan ook worden afgewezen.

8 De beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.E. Goedegebuur, voorzitter, mr. G.H. Nomes en

mr. J.A. van Voorthuizen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 augustus 2018.