Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:5033

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
02-700162-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beslissing raadkamer gevangenhouding. Motivering ernstige bezwaren en recidivegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht, locatie Middelburg

BEVEL TOT GEVANGENHOUDING EN DE NADERE VORDERING EX ARTIKEL 67B VAN HET

WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Beschikking op de vordering van de Officier van Justitie in dit arrondissement

van 23 augustus 2018 strekkende tot het bevelen van de gevangenhouding van:

parketnummer 02/700162-18

naam : [verdachte]

voornamen: [verdachte]

geboren : [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

wonende : [woonplaats]

adres : [adres]

thans verblijvende: PI Middelburg- locatie Torentijd te Middelburg;

1.De overwegingen.

Tegen verdachte is op 20 augustus 2018 een bevel tot bewaring verleend.

De rechtbank heeft op de vordering tot gevangenhouding de officier van justitie

en de verdachte gehoord.

De rechtbank is na onderzoek gebleken dat hetgeen in het bevel tot bewaring is

overwogen omtrent de verdenking, bezwaren en gronden die tot dat bevel hebben

geleid, ook thans nog geldt, hetzelfde geldt voor hetgeen zoals vermeld in de

nadere vordering ex artikel 67b van het Wetboek van Strafvordering.

Bij de beoordeling van de beslissing ter zake de voorlopige hechtenis geldt als

uitgangspunt het in artikel 5 van het Europees Verdrag van de Rechten van de

Mens vastgelegde recht op vrijheid en veiligheid.

Op basis van de zich in het dossier van verdachte bevindende stukken en de

behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat er ernstige bezwaren

bestaan tegen verdachte ten aanzien van de/ het in de vordering omschreven

feit/feiten en dat er sprake is van het bestaan van grond / gronden, zoals

vermeld op het aan deze beslissing gehechte stuk, waarvan de inhoud als hier

herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

De ernstige bezwaren voor feit 1 vinden grondslag in de aangifte, de

letselverklaring en de verklaringen van verdachte dat hij tegen aangever

geweld heeft gebruikt. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario,

inhoudende dat aangever in de woning een pistool trok en dit op verdachte

richtte, wordt door de rechtbank op basis van de voorliggende stukken

vooralsnog niet als geloofwaardig beoordeeld. Dit komt doordat verdachte in

eerste instantie niet over een pistool heeft gesproken en verklaard (zie de

eerste verklaring van verdachte en het proces-verbaal van bevindingen van 13

augustus 2018 (pagina 152)) en ditzelfde geldt voor de in de woning aanwezige

[naam 1] en [naam 2] . Ook zij verklaren in eerste instantie niet over een

pistool. Als het is gegaan zoals verdachte stelt dan had voor de hand gelegen

dat direct bij binnenkomst van de politie in de woning melding zou zijn

gemaakt van het gebruik van een pistool door aangever en dan had eveneens

verwacht mogen worden dat het pistool direct aan de politie zou zijn

overhandigd. In plaats van dit laatste is het pistool op verzoek van verdachte

door [naam 1] in een schuurtje weggelegd. De ernstige bezwaren voor de feiten

2, 3 en 4 volgen uit het dossier.

De grond voor herhaling is gelegen in het strafblad van verdachte waaruit

blijkt dat hij bij vonnis van 22 maart 2018 is veroordeeld voor

medeplichtigheid aan een geweldsfeit, bij vonnis van 27 juni 2018 is

veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en aan hem op 4 mei 2017 een

strafbeschikking is opgelegd ter zake overtreding van de Wet wapens en

munitie. Daarbij komt dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij de

-------------------------------------------------------------------------------

afgelopen periode in softdrugs heeft gehandeld. Het is een feit van algemene

bekendheid dat dit een vorm van criminaliteit is waarin financiële belangen

van betekenis zijn en geweld niet zelden wordt geschuwd. Dit draagt ook bij

aan het bestaan van de herhalingsgrond.

Gelet op de aard en ernst van de verdenking van de feiten 1 tot en met 4

weegt het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing van de voorlopige

hechtenis minder zwaar dat het strafvorderlijk belang dat de voorlopige

hechtenis voortduurt.

2. De beslissing.

De rechtbank beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van

90 ( negentig) dagen ingaande op het ogenblik van de tenuitvoerlegging; bepaalt

dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een huis van bewaring.

Wijst af het schorsingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven op 28 augustus 2018 door

mr. G.H. Nomes , voorzitter,

mr. E.J. Zuijdweg ,rechter,

mr. M.L. Weerkamp ,rechter,

in tegenwoordigheid van I.A. Walhout , griffier.