Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4996

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
02-812580-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

“uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling met een jaar, omdat veroordeelde niet wil meewerken aan noodzakelijke behandeling in FPK” ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-812580-09

v.i.-nummer: 99-000389-37

beslissing op de vordering tot achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof te

’s-Hertogenbosch van 4 februari 2014 onder parketnummer 20-004412-12 is:

[Veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard, Op de Geer 1,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van 21 juni 2009 is gestart.

De voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidstelling was aanvankelijk gesteld op 16 februari 2018. Bij beslissing van deze rechtbank van 23 maart 2018 is de voorwaardelijke invrijheidstelling met 120 dagen uitgesteld tot 15 juni 2018.

1 De stukken

Het dossier bevat de volgende stukken:

- de vordering van de officier van justitie van 14 mei 2018 tot achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: VI);

- reclasseringsadvies “v.i.-advies” van 24 maart 2018;

- v.i.-advies van de (plaatsvervangend) vestigingsdirecteur [naam 1] van de penitentiaire inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst van 24 maart 2018;

- de risicotaxatie van FPK Transfore van 20 februari 2017;

- alle overige stukken.

2 De procesgang

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 21 juni 2018 zijn de officier van justitie, mr. Van Aalst, veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Holthuis, advocaat te Den Haag, en de deskundige, reclasseringswerker [naam 2] , gehoord.

3 Het standpunt van de reclassering

De reclassering schat in dat er geen sprake is van een intrinsieke behandelmotivatie bij veroordeelde en merkt niet dat de eerdere behandeling zijn denkwijze echt heeft veranderd. Gelet op het aanzienlijke recidiverisico vindt de reclassering een klinische behandeling noodzakelijk. Veroordeelde is daartoe al aangemeld bij de NIFP Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) en geschikt bevonden voor een klinische behandeling binnen de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) te Assen. De noodzakelijke behandeling dient in eerste instantie in FPK Assen plaats te vinden. Alleen in FPK Assen kan veroordeelde behandeld worden voor zijn zedenproblematiek, de andere klinieken zijn daarvoor niet aangewezen. Ter zitting heeft de [naam 2] toegelicht dat De Woenselse Poort niet geschikt is gelet op de aard van stoornissen die aldaar behandeld worden. Veroordeelde kan, nadat hij de behandeling in de FPK Assen naar behoren heeft ondergaan, doorstromen naar een FPA in de buurt van zijn sociaal netwerk.

De reclassering adviseert daarom opname in FPK Assen en medewerking aan een klinische behandeling aldaar als bijzondere voorwaarde aan de VI te verbinden. Daarnaast worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht, een behandelverplichting (ambulante behandeling), en andere voorwaarden het gedrag betreffend, inhoudende, indien geïndiceerd, medewerking verlenen aan begeleid wonen, elektronische controle, controle op het middelengebruik en een contactverbod met slachtoffers.

Als veroordeelde blijft bij zijn weigering om mee te werken aan opname in de FPK Assen, adviseert de reclassering uitstel/afstel van de VI.

4 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het rapport van de reclassering onvoldoende onderbouwd is voor het achterwege laten van een voorwaardelijke invrijheidstelling. Er is geen (recente) diagnostiek en risicoanalyse gemaakt ten aanzien van veroordeelde en evenmin blijkt uit de stukken waarom alleen de FPK Assen veroordeelde zou kunnen behandelen. Onduidelijk is waarop het plaatsingsbureau haar beslissing dat enkel de FPK Assen geschikt zou zijn voor veroordeelde, heeft gebaseerd. Er is geen afweging gemaakt waarom de FPA klinieken de Woenselse Poort of de Kijvelanden niet geschikt zouden zijn. Voor de resocialisatie van veroordeelde zou het beter zijn om een kliniek niet te ver buiten zijn sociaal netwerk aan te wijzen.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak aan te houden om het plaatsingsbureau te vragen naar een onderbouwing voor de keuze voor de FPK Assen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris voor het laten opmaken van een NIFP-rapportage door een psychiater. Tot slot verzoekt de raadsman om de VI voor een kortere periode achterwege te laten.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling omdat het recidiverisico te groot is, nu veroordeelde zich niet wil laten behandelen bij de FPK Assen.

In het belang van veroordeelde en de maatschappij is behandeling van veroordeelde voor zijn zedenstoornis noodzakelijk. Er is immers door de FPK Transfore een zedenstoornis bij veroordeelde vastgesteld waarvoor hij behandeld dient te worden. De conclusie van de reclassering is goed onderbouwd. Na de risicotaxatie van 20 februari 2017 is er nog het een en ander voorgevallen, wat heeft geleid tot zijn ontslag uit de FPA. Vast staat dat sprake is van een hoog recidiverisico. Bij het plaatsingsbureau is gevraagd naar de mogelijkheden; zij hebben hier zorgvuldig naar gekeken. Als veroordeelde uitbehandeld is bij de FPK Assen voor zijn zedenstoornis, kan hij naar een FPA in de buurt van zijn sociaal netwerk.

Subsidiair wil de officier van justitie de zaak aanhouden om een nadere onderbouwing van de beslissing van het plaatsingsbureau op te vragen. Het verzoek van de raadsman om verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris om een nadere NIFP-rapportage, heeft volgens de officier van justitie geen toegevoegde waarde, aangezien veroordeelde niet wil meewerken aan een onderzoek.

6 Het oordeel van de rechtbank

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering, nu deze op 14 mei 2018 is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden of door te verwijzen naar de rechter-commissaris voor een nadere NIFP-rapportage. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht door de reclassering en de overige stukken. Daarnaast heeft de raadsman ter zitting nog een uitgebreide risicotaxatie van de FPK Transfore overgelegd van 20 februari 2017. Hieruit blijkt een risicotaxatie van “matig-hoog”, wat volgens de taxatie een hoog recidiverisico inhoudt voor nieuwe zedendelicten.

Op de in de artikel 15d, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht genoemde gronden kan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden uitgesteld of achterwege worden gelaten. In artikel 15d, eerste lid, onder d, van het Wetboek van Strafrecht is als grond het recidiverisico opgenomen. Als door het stellen van voorwaarden het recidiverisico onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven, dan kan de VI worden uitgesteld of achterwege worden gelaten.

Op basis van de stukken, waaronder voormelde risicotaxatie, en het advies van de reclassering staat voor de rechtbank vast dat het recidiverisico hoog is en dat het daarom noodzakelijk is dat veroordeelde zich laat behandelen voor zijn zedenstoornis. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de reclassering (in navolging van het NIFP-IFZ) dat alleen de FPK Assen de voor veroordeelde noodzakelijke behandeling kan bieden. Nu veroordeelde weigert om mee te werken aan behandeling in de FPK Assen is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een grond als bedoeld in artikel 15d, eerste lid, onder d, van het Wetboek van Strafrecht voor uitstel dan wel afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, nog geen aanleiding om de VI geheel achterwege te laten, met name omdat het van groot belang is dat veroordeelde niet zonder behandeling vrij komt. De rechtbank zal de VI met een jaar uitstellen, zodat veroordeelde nog een (laatste) kans krijgt om te laten zien dat hij alsnog gemotiveerd is om zich te laten behandelen bij de FPK Assen, waardoor het recidiverisico ten aanzien van nieuwe zedendelicten kan worden ingeperkt. Veroordeelde moet zich realiseren dat een behandeling noodzakelijk is en dat deze dient te starten in de kliniek te Assen. Andere opties zijn er niet. Zoals gezegd, kan veroordeelde zodra hij is uitbehandeld bij de FPK Assen, naar een vervolgbehandeling bij een FPA in de buurt van zijn sociaal netwerk. Zo lang veroordeelde dit niet inziet, is voorwaardelijke invrijheidstelling onverantwoord.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De beslissing berust op de artikelen 15d en 15f van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af;

- bepaalt de duur waarmee de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld op een periode van 365 dagen, te rekenen vanaf 15 juni 2018.

Deze beslissing is gegeven door mr. Veldhuizen, voorzitter, mr. Breeman en mr. Fontein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Heel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 juli 2018.

mr. Fontein is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.