Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4977

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
AWB 18_2767
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/2767 PW

uitspraak van 21 augustus 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. H. Weinans,

en

het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 maart 2018 (bestreden besluit) van Werkplein. Dit besluit gaat over de intrekking en terugvordering van haar bijstandsuitkering.

De zaak is behandeld in Breda op 15 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Werkplein is verschenen [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt sinds 2004 een uitkering op grond van de Participatiewet.

Werkplein heeft op een gegeven moment geconstateerd dat eiseres meerdere kentekens op haar naam heeft gehad. Werkplein heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar het recht van eiseres op een bijstandsuitkering. Zo heeft Werkplein onder meer aan eiseres gevraagd om bewijsstukken op te sturen over de kentekens die in de periode van 1 februari 2012 tot en met 4 augustus 2017 op haar naam hebben gestaan.

Op 22 augustus 2017 heeft Werkplein aan eiseres laten weten dat de uitkering ongewijzigd zal worden voortgezet. Verder is aan eiseres meegedeeld dat indien wordt besloten tot terugvordering van haar uitkering, zij daarover een afzonderlijk besluit ontvangt.

Werkplein heeft op 14 november 2017 de uitkering van eiseres ingetrokken over de volgende maanden:

  • -

    2012: februari tot en met mei, juli, september, november en december;

  • -

    2013: februari, april, mei en oktober;

  • -

    2014: juni en augustus;

  • -

    2015: februari, april en mei;

  • -

    2016: november.

Verder heeft Werkplein de als gevolg hiervan ten onrechte betaalde uitkering van eiseres teruggevorderd tot een bedrag van € 25.779,62.

Bij het bestreden besluit heeft Werkplein, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft de intrekking en terugvordering over de maanden februari 2015, mei 2015 en november 2016, en het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 22.086,06.

Standpunt eiseres

2. Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. In de afgelopen jaren hebben diverse kentekens op naam van eiseres gestaan. Dit gebeurde op verzoek van een bekende, de heer [naam bekende] . [naam bekende] kocht sloopauto’s, liet deze opknappen en verkocht ze weer door. Omdat [naam bekende] (vermoedelijk) zelf een bijstandsuitkering genoot, heeft hij meerdere stromannen gebruikt om die activiteiten te verhullen. Werkplein heeft onderzoek verricht naar het recht op bijstand. Eiseres mocht aan het besluit van 22 augustus 2017 het vertrouwen ontlenen dat dit onderzoek geen aanleiding vormde om haar uitkering in te trekken. Eiseres verwijst verder naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306). De zaak van eiseres vertoont enige gelijkenis met de zaak die bij de CRvB is behandeld, maar in het geval van eiseres heeft zij een aannemelijke verklaring gegeven waarom de betreffende motorvoertuigen veelal slechts korte tijd op haar naam hebben gestaan. Het is daarom niet aannemelijk dat er handelstransacties hebben plaatsgevonden. Dat [naam bekende] haar heeft gebruikt, blijkt ook uit het feit dat hij zijn schuld aan de ontstane situatie niet wil erkennen. Tot slot voert eiseres aan dat zij aannemelijk kan maken dat het [naam bekende] is geweest die handelsactiviteiten heeft verricht. Zij wil in een later stadium graag nog stukken overleggen om dit aan te tonen.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet, voor zover hier van belang, herziet het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit of trekt het in:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Op grond van het achtste lid kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Beoordeling rechtbank

4. De beroepsgrond dat eiseres aan het besluit van 22 augustus 2017 het vertrouwen mocht ontlenen dat haar uitkering niet zou worden ingetrokken, slaagt niet. In dit besluit wordt slechts meegedeeld dat de uitkering ongewijzigd wordt voortgezet (na blokkering van de uitkering). Dat betreft de toekomst en niet het verleden. Aan eiseres wordt meegedeeld dat zij een apart besluit ontvangt indien wordt besloten tot terugvordering. Die mogelijkheid wordt dan ook uitdrukkelijk opengelaten.

5. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor eiseres belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in dit geval aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op Werkplein rust.

6. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet heeft geschonden. Werkplein stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden nu zij de registraties niet heeft gemeld.

Met betrekking tot de motorvoertuigen overweegt de rechtbank dat uit gegevens van de RDW en het onderzoek is gebleken dat in de in geding zijnde periode diverse autokentekens (22 in totaal), veelal gedurende korte tijd, op naam van eiseres hebben gestaan. Zoals de CRvB in soortgelijke zaken heeft overwogen, volgt uit kentekenregistraties de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437).

Het gegeven dat een kentekenbewijs van een voertuig op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit voertuig een bestanddeel vormt van het vermogen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is (ECLI:NL:CRVB:2017:388).

7. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hierin niet is geslaagd. Eiseres stelt dat zij gebruikt is door de heer [naam bekende] , dat zij niet in auto’s heeft gehandeld en dat er ook geen transacties zijn te vinden op haar bankafschriften. De rechtbank overweegt ten eerste dat autohandel ook door middel van contante betalingen kan plaatsvinden, zodat er geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de omstandigheid dat er geen sprake is van girale transacties. Daarnaast mag van eiseres verwacht worden dat zij alles in het werk stelt om aannemelijk te maken dat zij niets met de autohandel van doen had. Weliswaar heeft zij aangeboden om nadere verklaringen in te brengen van betrokken sloopbedrijven, maar ter zitting is gebleken dat eiseres hiertoe geen pogingen heeft ondernomen. Daarnaast heeft eiseres ter zitting weinig openheid van zaken gegeven over de gang van zaken en haar contacten met [naam bekende] . Eiseres heeft dus geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht, waaruit kan worden geconcludeerd dat zij niet in auto’s heeft gehandeld.

De verklaring van mr. Weinans maakt het voorgaande niet anders. Die verklaring is weliswaar naar de vorm geloofwaardig maar naar de inhoud onvoldoende. Mr. Weinans heeft immers niet met [naam bekende] zelf gesproken maar met 2 onbekende personen die beweerden namens [naam bekende] te spreken.

Dit heeft tot gevolg dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld in de maanden waarop de handelstransacties betrekking hebben.

8. Op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet was het college verplicht de bijstand in te trekken. De rechtbank overweegt dat de intrekking van de bijstand tot 1 juli 2013 slechts een bevoegdheid was en geen verplichting tot intrekking van het recht op bijstand inhield. Op 1 juli 2013 is deze bepaling gewijzigd, maar daarbij is door de wetgever niet in overgangsrecht voorzien. Daarom geldt dat deze wijziging onmiddellijk in werking is getreden en dus ook van toepassing is op bestaande rechtsposities en -verhoudingen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952. Gelet op het voorgaande was het college verplicht de uitkering behoudens dringende redenen in te trekken over de in het bestreden besluit genoemde maanden. Niet gebleken is dat sprake is van dringende redenen.

9. Uit het voorgaande volgt dat het college verplicht was tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over de maanden waarin in de periode van 1 februari 2012 tot en met 30 november 2016 transacties hebben plaatsgevonden. Tegen de hoogte van het terugvorderingsbedrag heeft eiseres geen gronden aangevoerd. Eiseres dient in totaal € 22.086,06 terug te betalen. Niet gebleken is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

10. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.