Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4956

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-08-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
BRE 17_8039
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwet. Begeleiding individueel voor een 17-jarig meisje. Het college erkent dat eiseres jeugdhulp in de vorm van begeleiding individueel nodig heeft. Het college stelt zich echter op het standpunt dat de door moeder verstrekte hulp gebruikelijke hulp betreft waarvoor geen indicatie wordt verleend. Desondanks heeft het college eiseres een pgb toegekend voor 3 uur hulp per week. Dit is gebaseerd op het gevoel dat moeder meer hulp aan haar dochter verleent dan gebruikelijk is voor een 17-jarige. De rechtbank oordeelt dat het besluit innerlijk tegenstrijdig is. Het college heeft niet concreet gemaakt voor welke hulp de toegekende uren zijn bestemd. Verder heeft het college niet kunnen toelichten waarom de omvang van het toegekende pgb op 3 uur is gesteld. De rechtbank vernietigt het besluit omdat het onvoldoende is gemotiveerd. De gevraagde vergoeding voor inkomensderving van de moeder van eiseres wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/8039 JEUGDWET

uitspraak van 13 augustus 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser1] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. A.C.M. Martens,

wettelijk vertegenwoordiger: [naam wvt] (moeder),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] (college), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 2017 (bestreden besluit) van het college over het aan haar toegekende persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding op grond van de Jeugdwet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 juli 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar moeder en het college door [vertegenwoordiger1] .

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres, geboren op 5 juni 2000, is bekend met ADHD en depressieve klachten.

Op 8 mei 2017 is namens eiseres een aanvraag ingediend voor een pgb voor individuele begeleiding.

Bij besluit van 17 mei 2017 (primair besluit) heeft het college eiseres individuele begeleiding toegekend in de vorm van een pgb ter hoogte van € 466,18 per maand. Het college heeft het verleende pgb gebaseerd op gemiddeld 3 uur hulp per week.

Namens eiseres is bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Het bestreden besluit

Het college stelt zich op het standpunt dat geen indicatie is gesteld voor een klinische opname, wat betekent dat eiseres geen 24 uur toezicht per dag nodig heeft en angst voor terugval niet direct is te verwachten. Verder stelt het college dat een groot gedeelte van de hulp die moeder verleent, is aan te merken als gebruikelijke hulp. Omdat duidelijk is dat moeder meer hulp aan eiseres verleent dan gebruikelijk is voor een 17-jarige, heeft het college besloten een pgb voor 3 uur hulp per week toe te kennen. Het college heeft geweigerd een pgb te verstrekken voor de inzet van de coach, omdat er geen verwijzing is van een arts en er geen hulp is ingekocht bij de door het college gecontracteerde hulpaanbieders. Het college stelt voorts dat een pgb onder de Jeugdwet niet is bedoeld om het inkomen aan te vullen of een inkomensderving op te vangen, zodat om die reden geen vergoeding kan worden toegekend.

3. Beroepsgronden

Eiseres stelt zich op het standpunt dat met de toekenning van 3 uur hulp per week geen recht wordt gedaan aan haar zorgbehoefte. Verder stelt eiseres dat het onderzoek niet zorgvuldig was. Er is geen deugdelijk ondersteuningsplan opgesteld. Evenmin is advies gevraagd van een jeugdhulpdeskundige. Eiseres stelt dat het college de omvang van de benodigde hulp niet heeft vastgesteld en dat onduidelijk is op grond van welke criteria het college is gekomen tot het toekennen van 3 uur hulp per week. Bij eiseres is sprake van ernstige psychische problematiek. Zij volgt dagbehandeling bij Ithaka. Daarnaast is intensieve begeleiding thuis nodig, wat ook blijkt uit de informatie van de behandelend psychologe Wessel-de Boer. Deze begeleiding moet gericht zijn op activering, planning en organisatie en het voorkomen van het vervallen tot verleidingen als middelengebruik. Bovendien is bij eiseres sprake van automutilatie en suïcidale neigingen waardoor constant op haar gelet moet worden. Eiseres stelt dat zij op school 1,5 uur begeleiding nodig heeft en na schooltijd tot aan het naar bed gaan. In de weekenden en vakanties is meer hulp nodig. Eiseres wil deze begeleiding alleen van haar moeder ontvangen. Daarnaast is een coach ingeschakeld die eiseres gedurende 4 uur per week probeert te ondersteunen en activeren. Eiseres stelt dat daarmee 28 uur hulp per week nodig is. Eiseres vindt het onbegrijpelijk dat het college stelt dat sprake is van gebruikelijke hulp. Tenslotte verzoekt eiseres om een vergoeding voor inkomensderving nu eiseres de benodigde hulp van haar moeder wil ontvangen en deze daardoor minder uren kan werken.

4. Wettelijk kader

In artikel 2.3 Jeugdwet is het volgende bepaald: “Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.”

In artikel 8.1.1. derde lid, van de Jeugdwet is bepaald dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Dit betreft de Verordening jeugdhulp [woonplaats] 2017 (Verordening).

In artikel 1 is bepaald dat onder gebruikelijke zorg wordt verstaan de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten elkaar onderling geven.

In artikel 2, vierde lid, is bepaald dat gebruikelijke zorg niet valt onder de Jeugdwet.

In artikel 3, eerste lid, is bepaald dat jeugdigen en ouders een hulpvraag kunnen melden bij het college.

In artikel 4 is bepaald dat het college zorg draagt voor inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist, en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

In artikel 10, eerste lid, is bepaald dat het college een pgb verstrekt in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de wet.

In het vijfde lid is bepaald dat het college bij nadere regeling bepaalt onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Het oordeel van de rechtbank

5.1.

De rechtbank zal eerst ambtshalve beoordelen of sprake is van voldoende procesbelang is nu het gaat om een afgesloten periode in het verleden (van 1 januari 2017 tot en met 4 juni 2018). Eiseres is immers op 5 juni 2018 18 jaar geworden en valt vanaf die datum onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De rechtbank overweegt bij dat oordeel dat het college niet heeft bestreden dat in de betreffende periode daadwerkelijk hulp aan eiseres is verleend door haar moeder waarvoor betaling kan worden verlangd. Eiseres wil een hogere indicatie dan haar is toegekend. Nu de jeugdhulp aan eiseres in de vorm van een pgb is toegekend en het hierbij gaat om een financiële aanspraak, heeft eiseres (nog altijd) belang bij een oordeel over het bestreden besluit. De rechtbank acht het procesbelang daarom aanwezig.

5.2.

Zoals de rechtbank ter zitting heeft besproken, heeft het college in het bestreden besluit volstaan met het gegrond verklaren van het bezwaar voor wat betreft de ingangsdatum zonder dat daarvoor een nieuwe datum in de plaats is gesteld. In zoverre is sprake van niet afgeronde besluitvorming of heroverweging in de zin van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu de nieuwe ingangsdata in latere besluiten wel zijn genoemd en deze in de tijd niet ver uit elkaar liggen, zal de rechtbank het besluit van 31 oktober 2017 samen met de besluiten van 17 november 2017 en 8 december 2017 als de beslissing op bezwaar aanmerken. Tezamen worden die besluiten, zoals ook door partijen ter zitting is erkend, dan ook aangemerkt als het bestreden besluit.

5.3.

In het kader van de vaststelling van de hulpvraag heeft op 7 april 2017 een zogeheten vraagverhelderingsgesprek plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek is het verslag/gezinsplan besproken. Eiseres is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Het college heeft verder de brief van 8 mei 2017 van de behandelend klinisch psycholoog van Emergis gebruikt als deskundig oordeel. Dit betreft recente informatie van een behandelaar van eiseres die geacht wordt terzake deskundig te zijn. Verder heeft het college bij de vaststelling van de hulpvraag tot uitgangspunt genomen het lijstje dat haar moeder bij het college heeft ingeleverd. Op dit lijstje staat de volgende hulp vermeld:

Helpen opstaan;

Aansporen tot persoonlijke verzorging;

Toezicht op slikken van medicatie;

Ontbijt maken en begeleiding bij het opeten;

Ervoor zorgen dat eiseres in de taxi zit;

Begeleiden bij huiswerk/bij iets leuks doen;

Samen koken;

Erop toezien dat eiseres op tijd naar bed gaat;

Sporten met haar coach;

Het voeren van een gesprek met eiseres door de partner van moeder gedurende een uur per dag.

De rechtbank ziet in wat eiseres stelt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door het college verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest. De behandelend klinisch psycholoog kan als deskundig met betrekking tot de situatie van eiseres worden beschouwd. Dat het gezinsplan na het vraaggesprek is opgesteld en niet door eiseres is ondertekend, betekent niet dat het college de inhoud daarvan niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen, te meer nu de moeder van eiseres de gelegenheid is geboden daarop te reageren.

5.4.

Het college erkent dat eiseres jeugdhulp in de vorm van begeleiding individueel nodig heeft. Het college stelt zich echter op het standpunt dat de door moeder verstrekte hulp gebruikelijke hulp betreft waarvoor geen indicatie wordt verleend. Daarbij vindt het college dat enig toezicht op een 17-jarige normaal is en dat van moeder mag worden verwacht dat zij eiseres als haar dochter meer begeleidt dan wellicht het geval is bij een 17-jarige zonder psychische problematiek.

De rechtbank stelt vast dat in de Jeugdwet geen definitie is opgenomen van het begrip ‘boven gebruikelijke hulp’. Ook de Verordening geeft geen definitie of omschrijving. Het college heeft aansluiting gezocht bij het Protocol gebruikelijke zorg van het CIZ 2005, laatstelijk gewijzigd in 2013 (Protocol). De rechtbank overweegt dat de door moeder opgegeven hulp, die hierboven puntsgewijs is opgesomd, op grond van de bijlage bij het CIZ protocol in principe is aan te merken als gebruikelijke hulp. Moeder biedt namelijk vooral toezicht en begeleiding en stimulans bij huiswerk en ontwikkeling naar zelfstandigheid.

Desondanks heeft het college, zoals ter zitting is gebleken, uit coulance besloten om toch 3 uur hulp per week aan eiseres toe te kennen omdat moeder meer hulp aan haar dochter verleent dan gebruikelijk is voor een 17-jarige. Het besluit van het college is op dit punt evenwel innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds stelt het college dat sprake is van gebruikelijke hulp; anderzijds ligt aan de toekenning ten grondslag dat sprake is van bovengebruikelijke hulp zoals het college ter zitting ook heeft erkend. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit niet concreet heeft gemaakt voor welke hulp de toegekende uren zijn bestemd ondanks de omstandigheid dat de onderzoeksplicht welke jeugdhulp nodig is primair bij het college ligt. De toelichting van het college ter zitting dat toekenning heeft plaatsgevonden op basis van “een gevoel” vindt de rechtbank in dat kader onvoldoende.

Daarnaast kan het college desgevraagd niet nader toelichten waarom de omvang van het toegekende pgb op 3 uur is gesteld.

Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat de vraag, welke hulp naar aard en omvang nodig is, door het college onvoldoende is geconcretiseerd. Op grond daarvan is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb onvoldoende gemotiveerd.

5.5.

Met betrekking tot de kosten van de door moeder ingeschakelde coach heeft het college op juiste gronden besloten deze niet te vergoeden, omdat hij is ingeschakeld buiten medeweten van het college om, terwijl hij ook niet behoort tot de door het college gecontracteerde hulpverleners, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 4 van de Verordening.

5.6.

Namens eiseres wordt een vergoeding voor inkomensderving van moeder gevraagd, nu eiseres de benodigde hulp alleen van haar moeder wil ontvangen die daardoor minder uren als zelfstandige kan werken en voor die uren personeel moet inschakelen. De rechtbank overweegt dat het college een pgb heeft toegekend waarmee eiseres hulp kan inkopen bij haar moeder. De Jeugdwet voorziet niet in de mogelijkheid en is evenmin bedoeld om daarnaast gederfde inkomsten te vergoeden.

6. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het uiteindelijke resultaat van de door het college te verrichten heroverweging nog onvoldoende duidelijk is. Het college zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

8. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1).

In artikel 1 van het Bpb wordt een limitatieve opsomming gegeven van de kosten waarop een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb betrekking kan hebben.

Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c van het Bpb geldt voor reiskosten het tarief van het openbaar vervoer, of als openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is een kilometervergoeding van 28 cent. Eiseres heeft de reiskosten van haar moeder geclaimd op basis van gereden kilometers. Het is de rechtbank niet gebleken dat openbaar vervoer vanuit de woonplaats van eiseres niet mogelijk is. De rechtbank stelt daarom de vergoeding voor de reiskosten die in verband met het bijwonen van de zitting zijn gemaakt, vast op een totaalbedrag van € 40,10 (kosten openbaar vervoer, tweede klasse, van [woonplaats] naar Breda en vice versa). Op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Bpb wordt het bedrag van de verletkosten vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 7,- en € 81,- per uur bedraagt. Eiseres claimt de verletkosten van haar moeder tot een bedrag van € 300,- (4 uur x € 75,-). Het college heeft deze bedragen als zodanig niet betwist. De rechtbank stelt de te vergoeden verletkosten daarom vast op € 300,-. Het totale bedrag aan proceskosten bedraagt € 1.342,10.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.342,10.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.