Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4935

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
02-821197-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte, tot 2016 werkzaam als buschauffeur bij busmaatschappij Arriva, heeft in 2017 in twee maanden tijd tot drie keer toe brand gesticht. Twee keer heeft hij brand gesticht op de busremise van busmaatschappij Arriva te Tilburg. Bij de eerste brand zijn vijf bussen volledig uitgebrand en bij de tweede brand in een kantoorunit is een computer met toebehoren verbrand. Hierna heeft verdachte in de nabijheid van het ziekenhuis te Tilburg opnieuw brand gesticht in een bus toebehorend aan Arriva. Deze bus had hij enkele uren eerder gestolen van de busremise. De rechtbank veroordeelt verdachte voor deze feiten tot drie jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/821197-17

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de PI Vught

raadsman: mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 augustus 2018, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

feit 1

hij op of omstreeks 16 september 2017 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met het interieur (bekleding) en/of exterieur van (een) bus(sen), toebehorende aan [bedrijf 1] , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan 5 bussen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor deze en/of twee andere bussen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

feit 2

hij op of omstreeks 29 september 2017 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een kantoorunit, in elk geval met een bedrijfspand, toebehorende aan [bedrijf 1] , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan die kantoorunit, in elk geval dat bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor belendende bedrijfspanden en/of geparkeerde bussen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

feit 3

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (het interieur en/of exterieur van) een bus, toebehorende aan [bedrijf 1] althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan die bus geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor bomen/beplanting, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een bus, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte (door brandstichting) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

feit 4

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bus, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

feit 5

hij op of omstreeks 28 oktober 2017 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een container, in elk geval enig goed dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan: [bedrijf 2] toebehoort, (door brandstichting) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de feiten 1 tot en met 4 bewezen kunnen worden, waarbij hij er allereerst op heeft gewezen dat verdachte een motief had voor het plegen van deze feiten, te weten het koesteren van wrok jegens [bedrijf 1] vanwege zijn ontslag.

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 heeft de officier van justitie als bewijsmiddelen aangedragen de camerabeelden van [bedrijf 1] in combinatie bezien met het uiterlijk van verdachte op 28 oktober 2017 en 3 en 8 november 2017. Bij deze feiten was volgens de officier van justitie sprake van eenzelfde modus operandi.

Hij heeft voorts ten aanzien van de feiten 1 en 2 aangedragen de verklaring van getuige [getuige 1] en de zendmastgegevens van 16 en 29 september 2017.

Bij feit 1 heeft de officier van justitie zich tevens gebaseerd op de belastende verklaring van getuige [getuige 2] , die volgens hem in het bijzonder wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 3] .

Met betrekking tot de feiten 3 en 4 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte door getuige [getuige 4] is herkend op de beelden van het [bedrijf 3] van 12 november 2017, waarbij hij heeft gewezen op de verklaring van die getuige, de tap- en opname vertrouwelijke communicatie (OVC)-gesprekken en op het proces-verbaal van bevindingen over het specifieke loopje van de persoon die is te zien op de beelden van 29 september, 12 november en 28 oktober 2017.

Feit 5 kan worden bewezen op grond van de camerabeelden van 28 oktober 2017, op welke beelden verdachte is herkend door [getuige 4] en [getuige 5] . Duidelijk is dat verdachte brand heeft gesticht in de container en het is een feit van algemene bekendheid dat dit tot schade leidt, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van alles wat is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken. Verdachte is geen op wraak zinnende ex-werknemer; hij en [bedrijf 1] zijn met wederzijds goedvinden uit elkaar gegaan. De ten laste gelegde feiten worden uitdrukkelijk door hem ontkend en wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Daartoe heeft de verdediging betoogd dat de belastende verklaring van getuige [getuige 2] en de zendmastgegevens niet betrouwbaar zijn en dus niet gebruikt mogen worden voor het bewijs. De verdediging meent verder dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim ten aanzien van de OVC-gesprekken omdat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zij stelt zich hiermee op het standpunt dat de OVC-gesprekken uitgesloten moeten worden van het bewijs.

Ten aanzien van de herkenning van verdachte op de beelden door getuige [getuige 4] heeft de verdediging betoogd dat deze herkenning geen overtuigend bewijs oplevert, nu sprake is van een tunnelvisie bij die getuige en zij bovendien twijfelt. De noodzakelijke overtuiging ontbreekt volgens de verdediging eveneens bij getuige [getuige 5] .

Zij heeft voorts – onder verwijzing naar jurisprudentie – benadrukt dat feitenrechters kritisch moeten zijn ten aanzien van herkenningen. In dit licht dienen ook de Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA)-meldingen te worden beoordeeld, aldus de verdediging. In de visie van de verdediging leveren de verklaringen van de getuigen [getuige 6] , [getuige 1] , [getuige 7] en [getuige 8] evenmin overtuigend bewijs op, nu bij deze getuigen slechts sprake is van vermoedens en speculaties, en heeft ook het Facebookbericht geen bewijswaarde.

De verdediging meent dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 5; alleen uit de verklaring van getuige [getuige 9] blijkt van een mogelijke betrokkenheid van verdachte, wat onvoldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte dit feit heeft gepleegd, waarbij de verdediging wederom wijst op de door haar aangehaalde jurisprudentie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De brandstichting op 16 september 2017 (feit 1)

Op 16 september 2017 is aangifte gedaan namens [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) van brandstichting aan de [adres 1] te Tilburg, ten gevolge waarvan vijf bussen zijn uitgebrand en twee bussen beschadigd. Van de brandstichting bleken beelden te bestaan, die door [bedrijf 1] zijn afgestaan aan de politie.1

De betreffende beelden zijn uitgekeken door de politie. Zij heeft het volgende waargenomen:2

  • -

    omstreeks 03:08 uur loopt een persoon het terrein van de busremise van [bedrijf 1] op door de geopende toegangspoort. Direct hierna gaat deze persoon rechts tussen de kantoorunits en het hek, waarna hij uit beeld verdwijnt. Net daarvoor wordt bij de persoon een lichtgevend venster gezien;

  • -

    kort na 03:09 uur wordt gezien dat een persoon tussen de bussen doorloopt. Deze persoon heeft hetzelfde kledingsignalement als de persoon die is gezien om 03:08 uur. De persoon verdwijnt uit beeld. Kort hierna wordt een lichtbron gezien tussen de bussen welke lichtbron steeds groter wordt;

  • -

    omstreeks 03:14 komt een persoon, gelijkend op de persoon die omstreeks 03:08 uur het terrein op kwam gelopen, tussen de eerder genoemde kantoorunits en het hek uit gelopen. Deze persoon verlaat snel het terrein van de busremise via de toegangspoort.

Diezelfde dag is de plaats delict forensisch onderzocht. Geconstateerd werd dat het zeer waarschijnlijk is dat sprake is van brandstichting door het bijbrengen of achterlaten van open vuur, of de gelegenheid creëren dat er brand kan ontstaan. Daarnaast werd geconcludeerd dat ten gevolge van de brand gemeen gevaar voor goederen was ontstaan.3

Getuige [getuige 3] , werkzaam als buschauffeur, was op 16 september 2017 vanaf ongeveer 02:50 uur aanwezig op het terrein van de busremise. Toen hij rondliep over het terrein zag hij op enig moment bij één van de bussen iets flikkeren. Hij zag dat het vuur was en dat het als een klein brandje begon bij de stoel van de chauffeur.4

De brandstichting op 29 september 2017 (feit 2)

Op 29 september 2017 is namens [bedrijf 1] aangifte gedaan van brandstichting aan de [adres 1] te Tilburg; volgens aangever was getracht een werkcontainer in brand te zetten.5

Van dit incident heeft de politie camerabeelden van [bedrijf 1] uitgekeken. Op die beelden heeft de politie het volgende waargenomen:6

  • -

    omstreeks 03:07 uur loopt een persoon in donkere kleding via de toegangspoort het terrein van de busremise op. Direct hierna gaat deze persoon rechts tussen de kantoorunits en het hek. Bij het hek wordt een lichtschijnsel gezien ter hoogte van de persoon, waarna hij uit beeld verdwijnt.

  • -

    Omstreeks 03:11 uur komt eerdergenoemde persoon weer in beeld vanuit de kant van de kantoorunits waar hij eerder uit het zicht verdween. Hij rent hard. Te zien is dat deze persoon een voorwerp in zijn handen heeft dat oplicht. Hij verlaat via de toegangspoort het terrein.

Diezelfde dag is de plaats delict forensisch onderzocht. Geconstateerd werd dat de portacabin schade had in de vorm van een beperkte brandhaard. De brand was beperkt gebleven tot de bureautafel met daarop de computer met bijbehorende apparatuur. Op het toetsenbord lag een aanmaakblokje dat deels had gebrand. Geconcludeerd werd dat de brand was ontstaan door het opzettelijk bijbrengen van open vuur, vergezeld van een aanmaakblok. Daarnaast werd geconcludeerd dat gemeen gevaar voor goederen – het aangrenzende bedrijfspand en de aangrenzende geparkeerde bussen – te duchten was geweest.7

De brandstichting op 12 november 2017 (feit 4)

Namens [bedrijf 1] is aangifte gedaan van brandstichting gepleegd op 12 november 2017, ten gevolge waarvan een aan haar toebehorende bus geheel is uitgebrand. De bus werd aangetroffen op de Leyweg te Tilburg, gelegen in de buurt van het [bedrijf 3] .

Op camerabeelden van [bedrijf 1] van 12 november 2017 is gezien dat de betreffende bus wordt weggenomen. Om de bus te kunnen starten moeten er specifieke handelingen verricht worden en ook het openen van de deur vergt kennis. De persoon die de bus heeft weggenomen, is daar duidelijk bekend mee, aldus aangever.8

Genoemde camerabeelden van [bedrijf 1] zijn uitgekeken door de politie. Zij heeft daarbij het volgende waargenomen:9

  • -

    omstreeks 18:29 uur komt een persoon in donkere kleding met een witte tas het terrein van de busremise opgelopen via de toegangspoort en loopt in de richting van de T-splitsing, waarna de persoon wederom uit beeld verdwijnt. Hierna wordt waargenomen dat genoemde persoon in de richting van de bussen loopt en vervolgens bij de geparkeerde bussen uit beeld verdwijnt;

  • -

    omstreeks 18:31 uur wordt de rijverlichting ontstoken van één van de bussen;

  • -

    omstreeks 18:33 uur rijdt de bus weg en hierna verlaat de bus het terrein van de busremise.

De politie heeft voorts in een proces-verbaal van latere datum gerelateerd dat de persoon die op de beelden is te zien eerst achter de kantoorunits langs loopt en enige tijd later weer in beeld komt, waarna hij voorbij de kantoorunits verder het terrein op loopt. Hierover merkt de politie op dat de doorgang achter de kantoorunits door [bedrijf 1] inmiddels was geblokkeerd met een houten hekwerk.10

Tevens heeft de politie beelden van 12 november 2017 uitgekeken van het [bedrijf 3] . Zij heeft daarbij het volgende waargenomen:11

- omstreeks 23:42 uur nadert een voertuig de Leyweg, welk voertuig in de lengterichting over diverse parkeervakken gaat staan;

- omstreeks 23:46 uur wordt een persoon gezien aan de overzijde van de Hilvarenbeekseweg die in de richting rent van de hoofdingang van het ziekenhuis.
Deze persoon draagt een lichtkleurige jas of trui;

- omstreeks 23:48 uur rent op diezelfde locatie een tweede persoon voorbij. Deze persoon draagt donkere kleding.

- omstreeks 23:48 uur worden twee personen, hierna aangeduid als P1 en P2, gezien in de fietstunnel gelegen onder de toegangsweg naar de hoofdingang van het ziekenhuis. P1 draagt een donkerkleurig vest met capuchon en heeft een witte tas bij zich. P2 draagt een lichtkleurig vest met capuchon en een zwarte rugzak. Eerst komt P2 in beeld, kort daarna volgt P1;

- omstreeks 23:54 uur staat er achter het ziekenhuis iets in brand.

Een dag na het incident is een forensisch onderzoek ingesteld op de Leyweg aan de bus, die dwars geparkeerd stond op de parkeervakken. Geconstateerd werd dat de bus geheel uitgebrand was. Gelet op het brandbeeld is de brand van binnenuit ontstaan.12 Uit foto’s genomen terwijl de bus nog brandt, blijkt dat de bus direct naast en deels onder bomen geparkeerd was, waaruit de rechtbank afleidt dat er gemeen gevaar voor bomen/beplanting te duchten was.13

Op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de bus omstreeks 18:33 uur is weggenomen van het terrein van de busremise door P1.

De rechtbank stelt vast dat het signalement van de persoon op de beelden van [bedrijf 1] overeenkomt met het signalement van P1 die in de fietstunnel wordt gezien. Gelet hierop en op de gehele gang van zaken zoals hierboven omschreven, concludeert de rechtbank dat P1 omstreeks 18.33 uur de bus heeft weggenomen van het terrein van [bedrijf 1] en vervolgens als heer en meester over die bus heeft beschikt, waarna hij de bus omstreeks 23:42 uur heeft geparkeerd op de Leyweg en in brand heeft gezet. Dit betekent dat P1 zich schuldig heeft gemaakt aan zowel diefstal als brandstichting.

Modus operandi

De rechtbank stelt vast dat bij de drie hierboven omschreven incidenten steeds sprake is geweest van eenzelfde modus operandi; de dader loopt via de toegangspoort het terrein van de busremise op wanneer het terrein verlaten is. Op 16 en 29 september 2017 neemt de dader exact dezelfde looproute over het terrein. Op 12 november 2017 lijkt de dader dezelfde looproute te willen nemen, maar wordt daar klaarblijkelijk in gehinderd. De persoon loopt vervolgens via een andere weg richting de bussen van [bedrijf 1] .

Tussenconclusie

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat sprake is van één dader, die bekend is met het terrein van de busremise, terwijl dit een niet voor publiek toegankelijk terrein betreft. Daar komt bij dat de dader kennelijk kennis heeft van het openen, starten en besturen van bussen, over welke kennis een persoon doorgaans niet beschikt. De dader lijkt echter geen geregelde bezoeker van het terrein (meer) te zijn. Hij wil op 12 november 2017 immers opnieuw de doorgang achter de kantoorunits nemen, terwijl deze doorgang na de brandstichting op 29 september 2017 is geblokkeerd door middel van een hekwerk.

De vervolgvraag waar de rechtbank zich thans voor ziet gesteld, is of verdachte de persoon/P1 is die op de hierboven omschreven beelden is te zien.

Brandstichting 28 oktober 2017 (feit 5)

Op 28 oktober 2017 is brand gesticht in een container op het Hendrikhof in Tilburg. Bij het onderzoek naar deze brandstichting kwam de politie op het spoor van verdachte terecht; op 3 november 2017 werd hij op beelden van cameratoezicht door een verbalisant herkend als zijnde de dader van de brandstichting op 28 oktober 2017. De politie heeft hem op 3 november 2017 meegenomen naar het politiebureau voor een identiteitscontrole, waar foto’s van verdachte zijn gemaakt.14

Op 8 november 2017 vond wederom een politiecontrole plaats op het Hendrikhof te Tilburg naar aanleiding van een overlastmelding. Een van de gecontroleerde personen betrof verdachte. Op de camerabeelden van cameratoezicht is verdachte door verbalisanten herkend.15

Signalementsvergelijking dader en verdachte

Door het onderzoeksteam is een signalementsvergelijking gemaakt tussen de camerabeelden van de dader van de strafbare feiten van 16 september, 29 september, 28 oktober en 12 november 2017 enerzijds en de (camera)beelden van verdachte van 3 en 8 november 2017 anderzijds.16

De rechtbank heeft ter zitting met betrekking tot genoemde signalementsvergelijking het volgende geconstateerd:17

  • -

    Op pagina 917 is een foto van verdachte opgenomen die is gemaakt op 3 november 2017. Daarop draagt verdachte donkere kleding en een zwarte pet met een rood/wit logo op de voorkant. De klep wordt naar voren gedragen. Verdachte draagt een donkerkleurige jas tot op de heup. De jas heeft een capuchon en achterop de capuchon zit een metalen knipje. Aan de voorkant van de jas is onderaan een metalen drukknopje te zien. Verder draagt verdachte donkere schoenen met lichte veters en een lichte zool.

  • -

    Op pagina 918 zijn meerdere foto’s van verdachte te zien, waarop de politie met hem in gesprek is op het Hendrikhof op 8 november 2017. Op die foto’s draagt verdachte hetzelfde als op 3 november 2018.

  • -

    Op pagina 922 is een afbeelding van incident 1 te zien; de brandstichting op 16 september 2017. Een persoon komt door het hek het terrein van de busremise opgelopen. Daarnaast staat een vergroting van de persoon; deze persoon draagt een petje.

- Op pagina 925 wordt referentiemateriaal van 8 november 2017 vergeleken met afbeeldingen van de brandstichting in de container op het Hendrikhof. De persoon op deze drie afbeeldingen draagt een zwart petje, waarover een capuchon wordt gedragen. De jas wordt dicht gedragen en onder de kin staat het kraagje een beetje uit. Op het referentiemateriaal is een drukknoop te zien bij verdachte. De persoon bij de container heeft eenzelfde soort drukknoop. Verdachte heeft een metalen clipje bovenop zijn capuchon en op een foto van het incident is een uitstulping zichtbaar bovenop de capuchon.

- Op pagina 928 staan foto’s van verdachte van 8 november 2017 naast een foto van de dader van de containerbrand op het Hendrikhof. Op deze afbeeldingen zijn dezelfde schoenen te zien en hetzelfde magere gezichtsprofiel.

- Op pagina 930 staan foto’s van het incident van 12 november 2017. Op de foto’s is een persoon te zien die zich bevindt in de fietstunnel bij het [bedrijf 3] . Het gezicht is niet te zien. Wel is te zien dat deze persoon donkere kleding draagt en een petje met een capuchon eroverheen.

De rechtbank stelt vast dat het uiterlijk van verdachte, zoals dat te zien is op het referentiemateriaal en zoals dat ter zitting was, erg veel lijkt op het signalement van de dader van de containerbrand op 28 oktober 2017 en de diefstal en de brandstichting op 12 november 2017. Verder stelt zij vast dat het uiterlijk van verdachte niet sterk afwijkt van het signalement van de dader van de brandstichting op 16 september 2017.

Voormalig dienstverband tussen [bedrijf 1] en verdachte

Verdachte is voorheen werkzaam geweest als buschauffeur bij [bedrijf 1] in Tilburg, aan welk dienstverband in 2016 een einde is gekomen.18 De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte kennis heeft van het ontgrendelen en besturen van bussen en ook het terrein van de [bedrijf 1] aan de Fatimastraat in Tilburg kent. Van wijzigingen op dat terrein na 2016, zoals de blokkade van de doorgang achter de kantoorunits waarvan de dader van de diefstal en de brandstichting op 12 november 2017 klaarblijkelijk niet op de hoogte was, kon (ook) verdachte niet op de hoogte zijn, althans niet meer uit hoofde van zijn dienstverband.

Belastende verklaring [getuige 2]

Getuige [getuige 2] , een ex-collega van verdachte, heeft verklaard dat zij verdachte heeft horen vertellen dat hij de brand bij [bedrijf 1] heeft veroorzaakt; verdachte was het terrein van [bedrijf 1] opgegaan, was op een gemakkelijke manier in de bus gekomen en heeft meerdere aanmaakblokjes op de stoelen gelegd.19

Dit verhaal bevat naar het oordeel van de rechtbank daderwetenschap over de plaats van de brand en het mogelijke gebruik van een aanmaakblokje, gezien de verklaring van getuige [getuige 3] die de brand zag ontstaan op de stoel van de chauffeur en het onderzoek naar de brand. Daarnaast heeft [getuige 2] geen tweede verklaring willen afleggen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank geen begrijpelijke keuze is als [getuige 2] daadwerkelijk uit zou zijn geweest op geldelijk gewin, zoals de verdediging heeft betoogd. Het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging wordt verworpen.

Zendmastgegevens

Verdachte heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] .20

Genoemd telefoonnummer heeft op 16 september 2017 om 03:09 uur aangestraald op de zendmast aan de Sint Josephstraat in Tilburg. De zendrichting van de telefoonmast is in de richting van de busremise aan de Fatimastraat.21

Op 29 september 2017 heeft het telefoonnummer opnieuw aangestraald op de zendmast aan de Sint Josephstraat te Tilburg en wel om 03:11 uur, met dezelfde zendrichting als op 16 september 2017. De melding van de brandstichting aan de [adres 1] kwam om 03:17 uur binnen.22 (bevraagde periode 15 mei 2017 tot en met 15 november 2017)

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat genoemde zendmastgegevens als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, nu de politie dat uitdrukkelijk heeft geconcludeerd op basis van nader verricht onderzoek (pagina’s 439 en 440 van het eindproces-verbaal).

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte zich op 16 en 29 september 2017 bevond in de nabijheid van de Fatimastraat te Tilburg, waar tevens de busremise van [bedrijf 1] is gelegen. Zij stelt verder vast dat de tijdstippen waarop verdachte in de buurt was van de plaats delict bijna exact overeenkomen met de tijdstippen waarop op de beelden van 16 en 29 september 2017 de dader van de brandstichting wordt gezien met een lichtgevend venster.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat verdachte mogelijk bij zijn tante verbleef van wie de woning eveneens zou liggen binnen het bereik van de zendmast (hetgeen de officier van justitie ter zitting overigens heeft weersproken), acht de rechtbank niet aannemelijk nu uit het dossier naar voren komt dat verdachte in de maand september 2017 werd vermist door zijn familie en hij geen contact had met zijn tante. Hierbij neemt de rechtbank tevens in ogenschouw dat het telefoonnummer van verdachte in een lange periode alleen op de genoemde tijdstippen op de pleegdata aanstraalt op de zendmast aan de Sint Josephstraat en buiten de tijdstippen van de brandstichting steeds op de zendmast aan het [adres 2] in Tilburg.

Specifiek loopje

De politie heeft waargenomen dat op de beelden van 29 september, 28 oktober en 12 november 2017 een specifiek loopje is te zien; in al deze gevallen zwaait de linkerarm van de dader breed en de dader zet lange passen. Zij heeft geconstateerd dat deze beweeglijke manier van lopen sterk overeenkomt met de manier van lopen door verdachte, zoals is te zien op beelden van cameratoezicht van december 2017.23

De herkenning van verdachte op de beelden van 12 november 2017

Op 30 januari 2018 wordt door [getuige 4] (tante van verdachte) en [getuige 5] (de vader van verdachte) een telefoongesprek gevoerd waarin het volgende wordt gezegd door [getuige 4] : “ik heb dat filmpke nou daarstraks gezien…en ik heb onze [verdachte] daarin herkent…Hij loopt en hij kijkt dan om en de manier waarop…zo doet hij ook altijd. En hij keek en toen begon hij hard te lopen…hij het ook die kleur jas aan en hij het een donkere broek aan en dat heeft hij ook”.24

Op 31 januari 2018, een dag later, wordt in de ontvangstruimte van het politiebureau wederom een gesprek gevoerd tussen [getuige 5] en [getuige 4] (A), bij welk gesprek tevens aanwezig zijn een onbekend gebleven man en vrouw (NNM en NNV). In dit gesprek wordt het volgende gezegd:

A Hij is het gewoon.

NNM Kun je dat eruit halen?

A Ja, dat kun je er uit halen…Hij is het gewoon. Met die andere, die met die (WITTE) (lichte) vest aan. Die is er ook de hele tijd bij.

A Ik weet het echt niet. Maar ik dènk dat ‘ie het is’.

NNV ja, maar denken, of zeker weten, da’s iets anders..

A …Maar je wilt hem niet verraden…Ik ga niet zeggen van: “Ik weet dat ‘ie het is.’

NNM Jij bent eh 100 procent zeker, dan?

NNM Dus jij zegt van wel? Hij is het?

A Ja.25

Getuige [getuige 4] heeft tijdens haar eerste verhoor op 31 januari 2018 verklaard: “Ik herken hem wel op sommige punten. Bijvoorbeeld op zijn manier van lopen….als ik zijn loop zie, dan herken ik hem wel. Ik zie ook die arm zo aan de zijkant van zijn lichaam…die andere arm is breed. Dat heeft [verdachte] ook”26.

Tijdens haar tweede verhoor op 14 februari 2018 is [getuige 4] geconfronteerd met het hierboven aangehaalde tap- en OVC-gesprek. Zij heeft hierop verklaard “Ik herken [verdachte] inderdaad wel van de camerabeelden uit dat tunneltje daar…op die beelden herken ik hem gewoon”.27

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer dat de OVC-gesprekken niet gebruikt mogen worden voor het bewijs. Zij is van oordeel dat wel is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit; bij geen van de aan verdachte verweten feiten was sprake van een heterdaadsituatie en er waren geen andere mogelijkheden beschikbaar om de gewenste informatie boven water te krijgen. De inzet van deze opsporingsmethode was naar het oordeel van de rechtbank daarom geboden.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenning van personen door getuigen. In dat verband wordt overwogen dat [getuige 4] op vier verschillende momenten te kennen geeft dat zij verdachte herkent op de beelden van 12 november 2017, waarbij wordt opgemerkt dat het tap-gesprek en het OVC-gesprek beide authentiek van aard zijn. Daarnaast leidt de rechtbank uit de gehele context van de gesprekken af dat [getuige 4] voorzichtig is in haar herkenning; zij bespreekt met haar gesprekspartner ook de minder overtuigende aspecten, maar is er uiteindelijk zeker van dat het verdachte is. Zij vertelt ook dat zij tegen de politie niet zegt dat zij zeker weet dat het verdachte is, omdat zij verdachte niet wil verraden. Wanneer dit alles wordt bezien in combinatie met het gegeven dat zij verdachte niet heeft herkend op de beelden van de andere incidenten (de herkenning is dus niet ingegeven door zogeheten tunnelvisie) en zij verdachte herkent op meerdere punten – het loopje, het omkijken en de kleding – terwijl zij verdachte daarnaast door en door kent, maakt dit alles dat haar herkenning als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Het ter zake gevoerde verweer van de verdediging wordt dan ook door de rechtbank terzijde geschoven.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat de door de verdediging gemaakte vergelijking met andere strafzaken niet opgaat nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van gelijksoortige situaties. Daartoe wordt overwogen dat in deze zaak de herkenning niet op zichzelf staat, maar wordt ondersteund door meerdere (substantiële) bewijsmiddelen. Gezichtsherkenning is voorts in deze zaak niet aan de orde en niet valt in te zien waarom sprake zou zijn van ‘besmetting’ (pagina 13 en 14 van de pleitnota). Daarnaast is in deze zaak sprake van herkenning door een familielid in plaats van een herkenning door verbalisanten.

Verdachte [naam]

Gedurende het opsporingsonderzoek kwam een tweede persoon als potentiële verdachte bij de politie in beeld. Dit betrof de persoon [naam] . De politie heeft verder onderzoek gedaan naar [naam] , bij welk onderzoek naar voren kwam dat [naam] een ander postuur heeft dan de dader die is te zien op de camerabeelden en dat zijn telefoonnummer niet voorkwam in de opgevraagde mastgegevens. Gelet op voormelde bevindingen en op de inhoud van het volledige dossier zoals dat thans voorligt, acht de rechtbank het begrijpelijk dat de politie heeft besloten om niet verder te rechercheren op [naam] .

Slotconclusie

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4

Wanneer alle hierboven aangehaalde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang worden bezien, staat voor de rechtbank vast dat verdachte de persoon/P1 is die op de beelden van [bedrijf 1] en het [bedrijf 3] is te zien en dat hij verantwoordelijk is voor de brandstichtingen op 16 en 29 september 2017 én de diefstal en de brandstichting op 12 november 2017. De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.

Ten aanzien van feit 5

Hoewel de rechtbank er geen twijfel over heeft dat verdachte tevens verantwoordelijk is voor de brandstichting in een container op 28 oktober 2017 – mede gelet op het feit dat verdachte tegen verbalisanten heeft verteld dat het mogelijk wel zou kunnen dat hij het is geweest en dat het alleen kattenkwaad was (pagina 511 van het eindproces-verbaal) – acht de rechtbank voor dit feit 5 zoals het ten laste is gelegd onvoldoende bewijs aanwezig. Er is vernieling van een container of enig goed als bedoeld in artikel 350 Sr ten laste gelegd. De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de container of enig ander goed ten gevolge van de brandstichting is vernield, beschadigd of onbruikbaar is gemaakt. Er lijkt sprake te zijn van het tegendeel; uit het dossier komt juist naar voren dat de eigenaar van de container géén schade heeft geleden28. Van de ten laste gelegde vernieling, feit 5, wordt verdachte dus vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

hij op of omstreeks 16 september 2017 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met het interieur (bekleding) en/of exterieur van (een) bus(sen), toebehorende aan [bedrijf 1] , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan 5 bussen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor deze en/of twee andere bussen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

feit 2

hij op of omstreeks 29 september 2017 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een kantoorunit, in elk geval met een bedrijfspand, toebehorende aan [bedrijf 1] , althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan in een die kantoorunit, in elk geval dat bedrijfspand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor belendende bedrijfspanden en/of geparkeerde bussen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

feit 3

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Tilburg opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (het interieur en/of exterieur van) een bus, toebehorende aan [bedrijf 1] , althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan een die bus geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor bomen/beplanting, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

feit 4

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bus, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, waarop de periode van voorarrest in mindering moet worden gebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

In geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van een of meerdere feiten, heeft de verdediging de rechtbank verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met het gegeven strafadvies door de reclassering en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich tot drie keer toe schuldig gemaakt aan brandstichting in nog geen twee maanden tijd. In september 2017 heeft hij op twee verschillende dagen brand gesticht op de busremise van busmaatschappij [bedrijf 1] gelegen te Tilburg. Bij de eerste brand zijn vijf bussen volledig uitgebrand en bij de tweede brand in een kantoorunit is een computer met toebehoren verbrand. Hierna heeft verdachte in november 2017 in de nabijheid van het ziekenhuis te Tilburg opnieuw brand gesticht in een bus toebehorend aan [bedrijf 1] . Deze bus had hij enkele uren eerder gestolen van de busremise. Verdachte heeft zich dus tevens schuldig gemaakt aan diefstal.

Als gevolg van de branden is telkens gemeen gevaar voor goederen ontstaan. Door oplettendheid van anderen is de brandweer steeds snel ter plaatse gekomen. Verdachte heeft iedere keer kort na de brandstichtingen de plaats delict verlaten. Deze manier van handelen getuigt ervan dat verdachte geen rekening hield met de mogelijk ernstige gevolgen van zijn daden. Dit terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat het verloop van een brand en de gevolgen daarvan onvoorspelbaar zijn en fataal kunnen zijn.

De gevaarzetting is dan ook groot. In deze zaak heeft [bedrijf 1] ten gevolge van de brandstichtingen enorme materiële schade opgelopen. Het spreekt verder voor zich dat deze feiten gevoelens van onveiligheid en onzekerheid teweeg hebben gebracht bij de personen die werkzaam waren/zijn bij [bedrijf 1] . Daarnaast hebben de brandstichtingen tevens een behoorlijke maatschappelijke impact gehad. De rechtbank hoopt dat verdachte inmiddels doordrongen is van de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten.

Aan het plegen van diefstal tilt de rechtbank eveneens zwaar.

Bij de bepaling van de strafmaat slaat de rechtbank acht op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. In het nadeel van verdachte wordt meegewogen dat hij meerdere keren brand heeft gesticht waarbij hij gaandeweg meer ruchtbaarheid aan zijn daden heeft gegeven; de eerste twee branden vonden plaats op de omheinde busremise – een plek die in beginsel niet toegankelijk is voor publiek – terwijl de derde brand plaatsvond aan een openbare weg.

Voorts houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden; hij heeft immers op geen enkele manier berouw getoond.

De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verdachte is immers op 26 maart 2018 veroordeeld voor bedreiging met brandstichting in een andere strafzaak, waarbij de onderhavige feiten meegenomen hadden kunnen worden, hetgeen niet is gebeurd.

In het rapport van het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 20 maart 2018 is te lezen dat verdachte slechts ten dele medewerking heeft verleend aan het onderzoek; na het eerste gesprek heeft hij zijn deelname aan het onderzoek gestaakt. De onderzoeker heeft geconcludeerd dat er naar alle waarschijnlijkheid sprake is van verslavingsproblematiek bij verdachte en dat er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek, maar dit kon niet nader worden geobjectiveerd. Meer in algemene zin verdient het aanbeveling dat verdachte in behandeling gaat voor zijn verslavingsproblematiek, waarbij een klinische opname waarschijnlijk noodzakelijk is, aldus de deskundige. Ten gevolge van de weigerachtige houding van verdachte na het eerste gesprek met onderzoeker heeft de rechtbank weinig inzicht gekregen in de persoon van verdachte. Zij kan om die reden geen rekening houden met eventuele bijzonderheden op dat punt. Wel is duidelijk geworden dat het niet goed ging met verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. Ter zitting heeft verdachte aangegeven tijdens zijn voorarrest geen verdovende middelen te hebben gebruikt en dat dat hem goed bevalt.

Over verdachte is voorts een Reclasseringsadvies d.d. 14 mei 2018 opgemaakt, waarin de rechtbank wordt geadviseerd om verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden waaronder een verplichting tot ambulante behandeling bij Novadic-Kentron. Daarnaast wordt oplegging van een werkstraf geadviseerd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar passend en geboden is. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de aanbeveling van de psycholoog en het advies van de reclassering. In dit verband wijst de rechtbank nogmaals op de ernst van de feiten, de enorme materiële schade, de maatschappelijke impact die de feiten hebben gehad en op het gegeven dat verdachte niet heeft willen meewerken aan persoonlijkheidsonderzoek en niet de verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn daden. Gelet op dit alles is een (deels) voorwaardelijke straf niet aan de orde.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf 1] (hierna: ‘ [bedrijf 1] ’) vordert een schadevergoeding van € 209.313,60 voor de feiten 1 tot en met 4.

[bedrijf 1] heeft op voorhand haar vordering onderbouwd door toezending van diverse stukken. De verdediging heeft ter zitting gemotiveerd weersproken dat de ingediende stukken de vordering onderbouwen, hetgeen tot vragen heeft geleid bij de rechtbank. Zij is van oordeel dat een nadere toelichting door [bedrijf 1] op de vordering noodzakelijk is, teneinde een weloverwogen beslissing daarop te kunnen nemen. Een dergelijke toelichting kon echter niet worden gegeven omdat er niemand namens [bedrijf 1] ter zitting aanwezig was. Daarmee is het partijdebat niet volledig gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren om het onderzoek ter zitting te heropenen zodat [bedrijf 1] alsdan vragen zou kunnen beantwoorden en het partijdebat zou kunnen worden afgerond. Om die reden zal de rechtbank [bedrijf 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. [bedrijf 1] kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 63, 157 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 5 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders ten laste is gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    ten aanzien van feit 1: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
    ten aanzien van feit 2: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
    ten aanzien van feit 3: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
    ten aanzien van feit 4: Diefstal;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

  • -

    verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [bedrijf 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. Goossens en mr. Van Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 augustus 2018.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB4R017083 (onderzoek Broholmer) van politie Zeeland-West Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1072. Het proces-verbaal aangifte, p. 275-277

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 348-352; het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden, p. 357, 368-370, 373.

3 Het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, 328, 331 en 332

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 305-306

5 Het proces-verbaal aangifte, p. 447

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 467, 468, 472 en 474; het proces-verbaal van bevindingen, p. 499-506

7 Het proces-verbaal brandonderzoek, p. 463-465

8 Het proces-verbaal aangifte, p. 557 en 558; het proces-verbaal verhoor aangever, p. 561

9 Het proces-verbaal van bevindingen. p. 611, 618-626, 630, 632, 633

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 913

11 Het proces-verbaal van bevindingen inclusief foto’s, p. 694-698, 711, 719-728

12 Het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, p. 603

13 De foto’s op pagina’s 551-553 van het eindproces-verbaal

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , p. 517-519; het proces-verbaal van bevindingen, p. 510-513

15 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 402-403

16 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 910-932

17 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 917, 918, 922, 925, 928, 930; de waarneming van de rechtbank gedaan tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 8 augustus 2018

18 Het proces-verbaal aangifte, p. 558

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 750

20 Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting op 8 augustus 2018

21 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 428

22 Het proces-verbaal van bevindingen telefoonmast St. Josephstraat 29-09, p. 479-480

23 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 934 en 935

24 Het tapgesprek, sessienummer 3401, p. 816

25 Het OVC-gesprek, p. 840, 845-846

26 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 851 (1e verhoor)

27 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] p. 858 en 859

28 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 508