Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4919

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
C/02/347011 / KG ZA 18-435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

inhoudsindicatie volgt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/347011 / KG ZA 18-435

Vonnis in kort geding van 21 augustus 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , aan de [adres] ,

eiser,

advocaat: mr. G. Kaya te [woonplaats] ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , aan de [adres 2] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 juli 2018, met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de door mr. Kaya nagezonden producties 11 tot en met 15, ontvangen op 30 juli 2018;

  • -

    de door mr. Kaya nagezonden producties 16 tot en met 20, ontvangen op 3 augustus 2018;

  • -

    het door [gedaagde] toegezonden stuk ontvangen op 6 augustus 2018;

  • -

    de door [gedaagde] toegezonden stukken ontvangen op 7 augustus 2018;

  • -

    de mondelinge behandeling van 7 augustus 2018;

  • -

    de door [gedaagde] ter zitting overgelegde producties.

1.2.

Onderhavige zaak is ter zitting van 7 augustus 2018 gelijktijdig behandeld met de (parallel)zaak met zaaknummer C/02/347012 / KG ZA 18-436.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] en de moeder van [eiser] , mevrouw [persoon] (eiseres in de zaak met zaaknummer C/02/347012 / KG ZA 18-436) hebben in 2013 de zorginstelling stichting Quadrant Z&MO opgericht. [eiser] heeft tussen 2014 en 2016 de salarisadministratie voor de stichting verzorgd. In 2016 is de stichting failliet gegaan. Daarop is een strafrechtelijk onderzoek gestart wegens vermoeden van (faillissements)fraude. Hierbij zijn [persoon] en [gedaagde] als verdachten aangemerkt. Tegen [persoon] is vervolgens sepot verleend.

2.2.

Bij proces-verbaal van 28 juli 2018 heeft het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant aan [gedaagde] een gedragsaanwijzing opgelegd “ter beëindiging van ernstige overlast”. Daarin is bepaald dat [gedaagde] zich in zijn geheel dient te onthouden van contact met [persoon] en [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te verbieden zich in [woonplaats] binnen een straal van 500 meter in de omgeving van de woning van [eiser] , de wijk en het dichtstbijzijnde winkelcentrum en winkelstraat te bevinden;

II. te bepalen dat [eiser] [gedaagde] bij overtreding van het verbod met behulp van de sterke arm uit het gebied kan laten verwijderen;

III. [gedaagde] te verbieden [eiser] , alle instanties, bedrijven en zorginstellingen aan te spreken, hetzij direct, hetzij telefonisch, of op enig andere wijze contact met hen te zoeken;

IV. te bepalen dat [gedaagde] een dwangsom van € 1.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, verschuldigd is voor elke overtreding van één of meer geboden en/of verboden;

V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt – kort gezegd – aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem handelt. [gedaagde] valt [eiser] sinds het faillissement van de stichting Quadrant Z&MO op een stelselmatige wijze lastig en maakt op een ontoelaatbare wijze inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat [eiser] ten onrechte een toevoeging verleend heeft gekregen om onderhavige procedure aanhangig te maken. Volgens [gedaagde] is [eiser] namelijk niet zo min-/of onvermogend als hij zich voordoet. [eiser] heeft diverse onroerende zaken in Turkije in zijn bezit, althans heeft hij daarin een aandeel. Die omstandigheid heeft de Raad voor de Rechtsbijstand ten onrechte niet in haar beoordeling betrokken, aldus [gedaagde] .

4.2.

De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Allereerst is het de voorzieningenrechter niet bekend dat in onderhavige procedure aan [eiser] een toevoeging is verleend. Bovendien is het niet aan de voorzieningenrechter, maar aan de Raad voor de Rechtsbijstand om een beslissing te nemen over een al dan niet te verlenen toevoeging. De voorzieningenrechter heeft hierin geen controlerende en/of toezichthoudende taak. De voorzieningenrechter zal dan ook uitgaan van de juistheid van een door de Raad voor de Rechtsbijstand genomen beslissing. Overigens, voor het geval al vast zou komen te staan dat een partij ten onrechte een toevoeging zou hebben verkregen, heeft dit niet de niet-ontvankelijkheid van die partij in zijn vordering tot gevolg.

4.3.

[gedaagde] voert vervolgens het verweer dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Voor de periode van 28 juli 2018 tot en met 26 oktober 2018 is immers reeds een voorziening aanwezig in de vorm van een gedragsaanwijzing van de officier van justitie, aldus [gedaagde] .

4.4.

Ook aan dit verweer gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het feit dat de officier van justitie strafrechtelijk reeds een gedragsaanwijzing heeft opgelegd, brengt niet met zich dat de voorzieningenrechter niet (tevens) een civielrechtelijke ordemaatregel kan treffen. Het spoedeisend belang van de door [eiser] verzochte voorziening blijkt bovendien uit de aard van zijn vordering en de door [eiser] aangevoerde stellingen.

4.5.

Een straat- en contact verbod, zoals [eiser] vordert, vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen respectievelijk het recht om vrijelijk contact op te nemen met een ander. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen. Aannemelijk moet zijn dat er een reële dreiging van toekomstig handelen door [gedaagde] jegens [eiser] bestaat en dat het gevorderde verbod noodzakelijk is ter afwending van die dreiging.

4.6.

[eiser] stelt dat [gedaagde] hem lastigvalt door (onder meer) het voortdurend versturen van e-mailberichten aan zowel [eiser] persoonlijk als aan derden. [gedaagde] zet [eiser] continu in een kwaad daglicht door te stellen dat het faillissement van de stichting Quadrant Z&MO door frauduleus handelen van [eiser] en [persoon] is veroorzaakt. Zo heeft [gedaagde] onder andere contact opgenomen met de werkgever van [eiser] , collega’s, klanten, familie, vrienden, de Belastingdienst, de ABN AMRO-bank, gemeenten, het OM, diverse advocaten, het CIZ, het Zorgkantoor en diverse zorginstellingen. Naast het versturen van

e-mailberichten valt [gedaagde] tevens (de familie van) [eiser] fysiek lastig. Er hebben diverse confrontaties plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [persoon] . Ook heeft [gedaagde] de jongere broer van [eiser] , [persoon 2] [eiser] , mishandeld, aldus [eiser] .

4.7.

[gedaagde] heeft de door [eiser] gestelde gedragingen in het geheel niet betwist. Reeds om die reden is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] [eiser] lastigvalt. [gedaagde] heeft enkel een andere lezing gegeven over de mishandeling tegen [persoon 2] [eiser] . Wat de juiste lezing ook moge zijn, vaststaat dat tussen partijen een confrontatie heeft plaatsgevonden. Gezien de processtukken en de houding van partijen ter zitting – waarbij de voorzieningenrechter heeft waargenomen dat partijen bij elkaar agressie opwekken – bestaat er bovendien een reële dreiging van vergelijkbaar (onrechtmatig) handelen in de toekomst.

4.8.

Gelet op bovenstaande is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een stelselmatige, ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] door [gedaagde] , welke inbreuk zodanig ernstig is dat deze in beginsel een beperking van [gedaagde] in zijn bewegingsvrijheid rechtvaardigt. Het door [eiser] gevorderde straat- en contactverbod zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat de omvang in tijd en ruimte van deze verboden proportioneel dient te zijn.

4.9.

Gevorderd is een straatverbod in een straal van 500 meter rondom de woning van [eiser] , rondom de wijk, rondom het dichtstbijzijnde winkelcentrum en rondom de dichtstbijzijnde winkelstraat. Een dergelijke omvang van het straatverbod acht de voorzieningenrechter echter te ruim en onvoldoende afgebakend. In verband met het proportionaliteitsvereiste zal het gebied waarvoor het straatverbod geldt, worden beperkt tot de wijk waarin [eiser] woonachtig is, en waarin tevens het winkelcentrum is gelegen, zoals aangegeven middels de arcering op onderstaande kaart:

4.10.

Het contactverbod zal worden beperkt in die zin dat het [gedaagde] verboden is (op welke wijze dan ook) direct of indirect contact op te nemen met [eiser] . Onder dit verbod valt eveneens het versturen van e-mailberichten door [gedaagde] aan derden waarin [eiser] in de ‘cc’ of ‘bcc’ staat opgenomen. De voorzieningenrechter acht echter een verbod voor [gedaagde] om contact op te nemen met “alle instanties, bedrijven en zorginstellingen”, zoals [eiser] vordert, te algemeen en vergaand. Zo heeft [eiser] niet afgebakend om welke instanties, bedrijven en zorginstellingen (in Nederland en/of in het buitenland) het gaat. Daarnaast heeft [eiser] onvoldoende feitelijk onderbouwd wat zijn belang is bij dit ruim geformuleerde verbod, afgewogen tegen de verstrekkende gevolgen die dit verbod voor [gedaagde] kunnen meebrengen. Niet kan worden verboden dat [gedaagde] contact opneemt met de in de stukken genoemde instanties (al dan niet wegens privéaangelegenheden). Het is [gedaagde] echter verboden [eiser] (direct of indirect) in dit contact te betrekken. Dat een instantie naar aanleiding van het contact met [gedaagde] vervolgens [eiser] contacteert, kan niet worden voorkomen.

4.11.

De voorzieningenrechter zal het straat- en contactverbod opleggen voor de duur van zes maanden na betekening van het vonnis. Hoewel [eiser] geen termijn aan zijn gevorderde straat- en contactverbod heeft verbonden, is in het kader van deze kortgedingprocedure niet gebleken dat het (in eerste instantie) noodzakelijk is om de verboden voor een langere termijn dan zes maanden op te leggen. Na verloop van deze termijn kan [eiser] desgewenst aan de voorzieningenrechter voorleggen of het straat- en contactverbod kan worden verlengd.

4.12.

De gevorderde machtiging om de naleving van het straatverbod zo nodig af te dwingen met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden afgewezen. In een in executoriale vorm gegeven rechterlijke uitspraak (na betekening daarvan aan de wederpartij) ligt immers aan de openbare macht de opdracht besloten om desgevraagd de uitspraak ten uitvoer te leggen of bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging. De machtiging door de rechter om de uitspraak zo nodig met de sterke arm ten uitvoer te leggen is dan ook overbodig. [eiser] heeft – buiten de stelling dat een dergelijke machtiging ‘wenselijk’ is – geen nadere toelichting en geen wettelijke grondslag gegeven die leiden tot een ander oordeel.

4.13.

De gevraagde dwangsommen zullen worden beperkt en gemaximeerd zoals in het dictum vermeld.

4.14.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] , met inachtneming van het volgende.

4.15.

Ten aanzien van de explootkosten heeft te gelden dat [gedaagde] enkel de kosten voor het betekenen van de dagvaarding (ad € 99,91) dient te vergoeden. De kosten voor het betekenen van de (nagezonden) producties (ad € 82,98) komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze producties hadden immers gelijktijdig met de dagvaarding betekend kunnen worden. Nu dit niet is gebeurd, dienen de extra gemaakte kosten voor rekening van [eiser] te blijven.

4.16.

Ten aanzien van het griffierecht heeft te gelden dat de dagvaarding in onderhavige zaak en de dagvaarding in de parallelzaak met zaaknummer C/02/347012 / KG ZA 18-436 separaat zijn uitgebracht, waardoor [eiser] en [persoon] in beide zaken een bedrag van € 291,00 aan griffierecht hebben betaald. Indien [eiser] en [persoon] gezamenlijk één dagvaarding zouden hebben uitgebracht – wat in onderhavig geval mogelijk was – was slechts eenmalig griffierecht (ad € 291,00) verschuldigd geweest. Nu [eiser] en [persoon] door het uitbrengen van de separate dagvaardingen nodeloze kosten hebben gemaakt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om slechts de helft van het door [eiser] betaalde griffierecht ten laste van [gedaagde] te laten komen.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat, hoewel [eiser] bovenaan zijn dagvaarding heeft vermeld: “toevoeging aangevraagd bij de Raad voor de Rechtsbijstand”, hij niet uiterlijk ter zitting een afschrift van deze aanvraag of een afschrift van de verleende toevoeging heeft ingediend. Ingevolge artikel 8.3 van het ‘Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie’ wordt daarom het volledige griffierecht in rekening gebracht.

4.17.

Ten aanzien van het advocatensalaris heeft te gelden dat de inhoud van de dagvaarding in de zaak van [eiser] en de dagvaarding in de zaak van [persoon] vrijwel gelijkluidend is. Bovendien zijn beide zaken gelijktijdig ter zitting zijn behandeld. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om de salariskosten (ad € 960,00) te halveren.

4.18.

De proceskosten worden derhalve in totaal begroot op:

- dagvaarding € 99,91

- griffierecht € 145,50

- salaris advocaat € 480,00

Totaal € 725,41

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt [gedaagde] om zich gedurende een periode van zes maanden na betekening van dit vonnis te bevinden in het op de kaart onder rechtsoverweging 4.9. gearceerde gebied, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat [gedaagde] zich niet aan voornoemd straatverbod houdt, met een maximum van € 5.000,00,

5.2.

verbiedt [gedaagde] gedurende zes maanden na betekening van dit vonnis persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met [eiser] , met inachtneming van hetgeen onder rechtsoverweging 4.10. is overwogen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat hij zich niet aan voornoemd verbod houdt, met een maximum van € 5.000,00,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 725,41,

5.4.

verklaart dit vonnis – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018 in tegenwoordigheid van mr. Hartman als griffier.