Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4717

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
6671392 CV EXPL 18-934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 15 WAM; 7:952 BW; 6:238 lid 2 BW. Verzekeringszaak. Uitleg begrip ‘opzettelijk veroorzaakte schade’ in polisvoorwaarden. Voorwaardelijk opzet. Roekeloosheid niet van dekking uitgesloten. Regres op verzekerde faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2018/148 met annotatie van mr. J.S. Overes
PS-Updates.nl 2018-0647
VR 2019/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 6671392 CV EXPL 18-934

vonnis d.d. 15 augustus 2018

inzake

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. H.C. Struijk, advocaat te Goes,

tegen

[gedaagde] ,

wonende aan de [adres] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. drs. Th.C.P.M. van Boekel, advocaat te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding

Het verdere verloop va de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 11 april 2018 en de daarin genoemde processtukken;

b. de brief van de zijde van [eiseres] ontvangen op 24 april 2018 met de daarbij gevoegde producties;

c. de akte inhoudende reactie ingebrachte producties van de zijde van [gedaagde] van 3 mei 2018;

d. de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 3 mei 2018.

2 Het geschil

2.1

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en de nakosten.

2.2

[gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vordering, met, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en in de nakosten en subsidiair tot matiging van de (incasso)kosten.

3 De beoordeling

3.1

In deze procedure staan de volgende feiten vast:

  1. De auto van [gedaagde] , met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), was op 23 juni 2014 ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen (hierna: WAM) verzekerd bij [eiseres] .

  2. Op deze verzekering waren de “Voorwaarden Personenautoverzekering 2014” (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing. In de polisvoorwaarden staat onder meer het volgende:

Wat gebeurt er bij opzettelijk veroorzaakte schade?

Niet verzekerd is schade die de verzekerde opzettelijk heeft veroorzaakt of verergerd. Dit geldt ook als de schade met toestemming van de verzekerde is veroorzaakt of verergerd.

In welke andere gevallen biedt de verzekering geen dekking?

De verzekering biedt geen dekking als:

[…]”

en

Hoe regelen wij de schade?

Wij regelen de schade en stellen die vast. Wij hebben het recht om de schade rechtstreeks met de benadeelde af te handelen. Wij houden daarbij zoveel mogelijk rekening met het belang van de verzekerde.

Wanneer verhalen wij de schade op de verzekerde?

Wij verhalen de schade op de verzekerde als hij volgens deze voorwaarden niet verzekerd is en wij toch een bedrag moeten betalen. Wij kunnen ook de rente en andere kosten verhalen op de verzekerde.”

3. Op 23 juni 2014 was [gedaagde] als bestuurder van de auto betrokken bij een aanrijding met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Naar aanleiding van die aanrijding heeft [naam 1] bij de politie aangifte gedaan jegens [gedaagde] . In de aangifte staat onder meer het volgende:

“Vandaag, 23 juni 2014, was ik stage aan het lopen als toezichthouder bij de Rooi Pannen aan de Dr. Ahausstraat 1 te Tilburg.

Ik liep samen met toezichthouders [naam 2] over het terrein en [naam 3] kwam er ook bij. Omstreeks 14.55 uur kwam een docent naar buiten rennen, welke riep “Hou hem tegen”. Ik zag dat er een jongen voorbij kwam rennen. Het was een dunne jongen die wegrende. Ik zag dat de jongen in een rode auto stapte, een klein model, mogelijk een Opel.

Ik rende via het voetpad naar de Reitse Hoevenstraat. Ik zag dat de jongen over het parkeerterrein wegreed naar de Reitse Hoevenstraat.

Ik zag dat de jongen met de auto linksaf sloeg. Ik kwam voor de jongen en z’n auto uit. Ik gaf hem een stopteken met m’n beide handen.

Ik ben duidelijk gekleed in een zwarte broek en een rode jas van de Rooi Pannen met daarop ‘Toezicht’.

Ik hoorde en zag dat de jongen met de auto wat afremde en vervolgens op schakelde en vervolgens plankgas gaf.

Ik werd door zijn auto aangereden tegen mijn knieën en mijn benen. Door de klap schoof ik rechts van de motorkap af. Ik kwam ten val en de jongen met de auto reed door in de richting van de Wandelboslaan.”

4. In het proces-verbaal van het eerste verhoor van [gedaagde] staat onder meer het volgende:

“Ik zag hem achter me aanrennen en ik stapte snel in mijn auto. Ik zag dat [kantonrechter: de docent] het hek dicht wilde doen. Ik wilde wegrijden. Ik draaide links in. Ik keek nog om me heen. Ik zag een beveiliger aan de rechter zijkant van mijn auto staan. Hij sloeg nog met zijn vuist op de voorkant. Ik wilde hem sowieso geen pijn doen dus ik draaide een beetje naar links. Ik wilde hem een beetje afschudden. Hij stond aan de rechtervoorkant van mijn auto.

O: Verdachte geeft aan tijdens het lezen van het verhoor dat ‘afschudden’ een beetje raar klinkt en dat het gewoon de bedoeling was om om hem heen te rijden.

V: Heb je op enig moment gedacht om uit te stappen?

A: Ik dacht van het is nu al zover gekomen, ik wil nu gewoon naar huis. De politie komt toch wel naar mijn huis toe.

V: Heb je gemerkt dat je hem raakte?

A: Ik reed gewoon rustig, stapvoets uit die uitrit. Hij had zijn hand op mijn motorkap gezet aan de rechtervoorzijde en toen ben ik een beetje naar links gestuurd.

V: Maar heb jij die man geraakt die voor je auto stond?

A: Nee, ik heb hem volgens mij niet geraakt.”

5. [gedaagde] is strafrechtelijk vervolgd naar aanleiding van de aanrijding en op 20 juni 2017 door de politierechter te Breda veroordeeld voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, die op de tenlastelegging als volgt was omschreven:

“hij op of omstreeks 23 juni 2014 te Tilburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten A.O.S. [naam 1] ), met een (personen)auto met hoge/versnelde snelheid heeft aangereden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht).”

6. [eiseres] heeft aan [naam 1] een schadevergoeding uitgekeerd van in totaal € 35.213,05.

7. Bij brief van 13 september 2017 heeft [eiseres] [gedaagde] onder meer bericht dat [gedaagde] de schade opzettelijk heeft veroorzaakt, dat de schade derhalve niet verzekerd is en dat [eiseres] de schade op [gedaagde] verhaalt.

8. Bij brief van 29 september 2017 heeft (de gemachtigde van) [gedaagde] [eiseres] onder meer bericht dat er sprake was van voorwaardelijk opzet en dat voorwaardelijk opzet in de voorwaarden niet is genoemd als uitsluitingsvoorwaarde.

3.2

[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft de schade van [naam 1] als gevolg van de aanrijding vergoed tot een bedrag van € 35.213,05 en heeft voor dat bedrag regres op [gedaagde] . De opzetclausule in de polisvoorwaarden is van toepassing. [gedaagde] heeft de schade opzettelijk veroorzaakt. In dat geval is de schade niet verzekerd en kan [eiseres] de schade op [gedaagde] verhalen. [gedaagde] was ten tijde van het voorval meerderjarig en mag dus geacht worden de gevolgen van zijn handelen te hebben kunnen overzien. Hij heeft welbewust en bij volle verstand gehandeld. Daarmee is opzet, in ieder geval ten aanzien van het op de koop toe nemen dat hij [naam 1] zou aanrijden, gegeven. [gedaagde] is strafrechtelijk veroordeeld voor de opzettelijke mishandeling van [naam 1] . Dat onderstreept het opzettelijk handelen van [gedaagde] . De precieze gradatie van het opzet (oogmerk, zekerheidsbewustzijn of voorwaardelijk opzet) heeft voor de uitleg van de opzetclausule geen zelfstandige betekening. Deze gradatie betreft een juridische kwalificatie en is niet relevant voor de vraag hoe partijen het begrip opzet in de opzetclausule hebben mogen begrijpen. De vraag is of de schade, naar objectieve maatstaven, het te verwachten gevolg van de gedraging van [gedaagde] is.

3.3

Volgens [gedaagde] is er primair sprake van (on)bewuste schuld. Schade ten gevolge daarvan is in de voorwaarden niet uitgesloten. Subsidiair is er sprake van voorwaardelijk opzet. Schade ten gevolge van voorwaardelijk opzet is niet uitgesloten in de polisvoorwaarden. Slechts schade ten gevolge van één geval van voorwaardelijk opzet, namelijk het rijden onder invloed, is in de polisvoorwaarden van dekking uitgesloten. [gedaagde] is de overeenkomst als consument aangegaan. In een dergelijk geval moet bij de uitleg van de opzetclausule de maatstaven van het arrest DSM/Fox gelden. Bij twijfel over de uitleg van een beding prevaleert de voor de consument gunstigste uitleg. Grammaticale uitleg dient voorop te staan.

3.4

Op grond van artikel 15 WAM heeft de verzekeraar die ingevolge de WAM de schade van een benadeelde heeft vergoed, als de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering is gedekt, voor het bedrag van de schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. De polisvoorwaarden onder “Wanneer verhalen wij de schade op de verzekerde?” sluiten bij artikel 15 WAM aan. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de schade van [naam 1] door de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst is gedekt. Voor het antwoord op die vraag is van belang of er sprake was van opzettelijk door [gedaagde] veroorzaakte schade in de zin van de polisvoorwaarden (onder “Wat gebeurt er bij opzettelijk veroorzaakte schade?”, hierna: de opzetclausule).

3.5

De kantonrechter zal hierna eerst beoordelen of er sprake was van (on)bewuste schuld aan de zijde van [gedaagde] , zoals [gedaagde] primair stelt, of van voorwaardelijk opzet, zoals hij subsidiair stelt.

3.6

Naar het oordeel van de kantonrechter wist [gedaagde] , althans moet hij hebben geweten dat er een aanmerkelijke kans bestond dat hij (door niet te stoppen maar door te rijden) [naam 1] zou raken en dat [naam 1] daardoor letsel zou bekomen. Er was immers sprake van een situatie waarin [naam 1] , uit hoofde van zijn functie als beveiliger, wilde beletten dat [gedaagde] het terrein van de school zou verlaten. Uit de verklaring van [gedaagde] blijkt dat [naam 1] aan de rechter voorkant van de auto stond. Hij stond zo dicht bij de auto dat hij op de voorkant van de auto kon slaan. In een dergelijk geval zou doorrijden alleen verantwoord zijn geweest als dit uiterst voorzichtig, met minimale snelheid, was gebeurd. Uit de aangifte van [naam 1] blijkt echter dat [gedaagde] niet bijzonder voorzichtig is geweest. [naam 1] verklaart dat [gedaagde] eerst afremde maar “vervolgens plankgas gaf”. Onder die omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat [gedaagde] wist of moet hebben geweten dat hij [naam 1] kon raken toen hij besloot naar links sturend door te rijden. In geval van een aanrijding tussen een auto en een persoon is de kans op letsel bij de laatste aanmerkelijk.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] die kans op een aanrijding met letsel tot gevolg bewust aanvaard (op de koop toegenomen), zodat geen sprake is van (on)bewuste schuld, maar van voorwaardelijk opzet. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat [gedaagde] in antwoord op de vraag of hij op enig moment heeft gedacht om uit te stappen heeft verklaard dat hij dacht “ik wil nu gewoon naar huis”. De kantonrechter begrijpt deze verklaring, gelezen in de context van het verhoor, aldus dat [gedaagde] hiermee zijn gedachten vóór de aanrijding heeft verwoord. Dat duidt er niet op dat [gedaagde] er van uit ging dat hij [naam 1] niet zou raken, maar dat hij de kans daarop op de koop heeft toegenomen. De kantonrechter acht ook van belang dat [gedaagde] door de politierechter is veroordeeld voor mishandeling. Dat is een opzetdelict. Gesteld noch gebleken is dat het vonnis op tegenspraak is gewezen, zodat de veroordeling, gelet op artikel 161 Rv, in deze procedure geen dwingend bewijs van het (opzettelijk) mishandelen van [naam 1] en daarmee het opzettelijk veroorzaken van de schade oplevert, maar het oordeel van de politierechter daarover is niettemin een belangrijk feit dat de kantonrechter bij haar oordeel betrekt.

3.7

Vervolgens rijst de vraag of de schade die [gedaagde] met voorwaardelijk opzet heeft veroorzaakt van dekking is uitgesloten. Voor het antwoord op die vraag is van belang of [gedaagde] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst heeft moeten begrijpen dat door de opzetclausule van dekking werd uitgesloten schade als gevolg van een gedraging zoals die van [gedaagde] op 23 juni 2014, te weten het naar links sturend doorrijden op het moment dat [naam 1] aan de rechtervoorkant van zijn auto stond, zo dichtbij dat hij op de voorkant van de auto kon slaan. Of dat het geval is moet worden beoordeeld op basis van uitleg van de opzetclausule. Daarbij is niet van belang of [gedaagde] de opzetclausule bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst daadwerkelijk heeft gelezen.

3.8

De uitleg van een bepaling in de polisvoorwaarden als de onderhavige, waarover tussen partijen niet is onderhandeld, is met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en in het licht van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Voor de uitleg van een contractuele clausule waarmee wordt afgeweken van een wettelijke bepaling van regelend recht, zoals artikel 7:952 BW, kan ook van belang zijn wat die wettelijke bepaling inhoudt (HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601).

3.9

De taalkundige betekenis die de term opzettelijk in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken heeft, is dat met een bepaald voornemen, derhalve willens en wetens, is gehandeld. Een jurist vraagt zich in een dergelijk geval wellicht af of ook voorwaardelijk opzettelijk veroorzaakte schade (die derhalve niet willens en wetens is veroorzaakt) van dekking is uitgesloten, maar aannemelijk is dat de gemiddelde verzekeringnemer met die strafrechtelijke vorm van opzet niet eens bekend is. Wanneer alleen zou worden gekeken naar de taalkundige betekenis van de opzetclausule zou derhalve moeten worden geconcludeerd dat de opzetclausule in het onderhavige geval (van voorwaardelijk opzet) niet van toepassing is. De uitleg van de opzetclausule dient echter niet plaats te vinden op basis van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen van de opzetclausule. Die uitleg is wel van groot belang.

3.10

In het onderhavige geval ontbreekt een bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Een definitie van opzet of opzettelijk veroorzaakte schade is in de polisvoorwaarden ook niet opgenomen. [gedaagde] kon daar derhalve niet uit opmaken dat ook schade die hij niet heeft beoogd of gewild (maar wel op de koop heeft toegenomen) van dekking zou zijn uitgesloten. [gedaagde] had dat wel kunnen begrijpen als niet alleen opzettelijk veroorzaakte schade, maar ook schade die door roekeloosheid is veroorzaakt van dekking zou zijn uitgesloten, zoals artikel 7:952 BW bepaalt. De toevoeging van de term roekeloosheid in die wettelijke bepaling maakt namelijk duidelijk dat ook niet beoogde schade van dekking kan zijn uitgesloten en (voor verzekeringnemers die bekend zijn met de verschillende strafrechtelijke vormen van opzet) dat schade ten gevolge van het volledige scala van opzetvormen (tussen oogmerk als de zwaarste vorm van opzet en roekeloosheid als de zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm) van dekking is uitgesloten. Artikel 7:952 BW is echter van regelend recht. [eiseres] mag daar derhalve van afwijken. Dat heeft zij door middel van de opzetclausule gedaan. Schade die is veroorzaakt door roekeloosheid heeft zij niet van dekking uitgesloten. Door roekeloosheid in de opzetclausule niet te noemen en bovendien na te laten uit te leggen dat opzet meer is dan het willens en wetens veroorzaken van schade, heeft [eiseres] onduidelijkheid laten bestaan over welke schade zij met de opzetclausule van dekking beoogt uit te sluiten.

3.11

Tot slot is van belang dat tussen partijen niet in geschil is (de kantonrechter leest dit overigens niet in de polisvoorwaarden) dat schade ten gevolge van één specifiek geval van voorwaardelijk opzet, namelijk het rijden onder invloed, in de polisvoorwaarden, direct na de opzetclausule, onder “In welke andere gevallen biedt de verzekering geen dekking?” van dekking is uitgesloten. Ook dat is (voor degenen die bekend zijn met de verschillende strafrechtelijke vormen van opzet) een indicatie dat met de opzetclausule niet is beoogd alle vormen van voorwaardelijk opzet van dekking uit te sluiten.

3.12

De kantonrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat er redelijkerwijs sprake kan zijn van twijfel over de betekenis van de opzetclausule. In dat geval prevaleert, gelet op artikel 6:238 lid 2 BW en nu [gedaagde] de verzekeringsovereenkomst als consument heeft gesloten, de voor [gedaagde] meest gunstige uitleg (HR 16 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:83). Bij de voor [gedaagde] meest gunstige uitleg van de opzetclausule is voorwaardelijk opzettelijk veroorzaakte schade niet van dekking uitgesloten.

3.13

Nu de door [gedaagde] voorwaardelijk opzettelijk veroorzaakte schade niet van dekking is uitgesloten, bieden artikel 15 WAM noch de polisvoorwaarden onder “Wanneer verhalen wij de schade op de verzekerde?” grond voor verhaal door [eiseres] op [gedaagde] van de door [eiseres] aan [naam 1] uitgekeerde schadevergoeding. De vorderingen van [eiseres] zullen derhalve worden afgewezen.

3.14

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.000,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] (2,5 punten x € 400,00 per punt).

3.15

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover [eiseres] deze kosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [eiseres] , indien zij door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de kostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.

3.16

Nu [eiseres] in de proceskosten zal worden veroordeeld, is ook de vordering tot veroordeling van [eiseres] in de nakosten toewijsbaar. De gevorderde nakosten zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

3.17

De door [gedaagde] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal als onweersproken worden toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

4.2

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.000,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

4.3

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde;

4.4

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.L. Goofers, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2018.