Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4675

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
02-665780-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Drie jaar lang seksueel misbruik van zoon (12-14 jaar oud) van partner. Grote impact, mede door syndroom van Aperger. 3 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met verplichte behandeling en contactverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665780-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres]

raadsman mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 mei 2018 waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot 13 januari 2009 te Tilburg en/of Renesse, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1993), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

- de penis van die [slachtoffer] in zijn mond heeft genomen en/of zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of

- die [slachtoffer] heeft afgetrokken en/of zich door die [slachtoffer] heeft laten aftrekken en/of

- de penis van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] heeft gebracht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van het feit en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 mei 2018,1

- de aangifte van [slachtoffer] .2

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot 13 januari 2009 te Tilburg en/of Renesse, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1993), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

- de penis van die [slachtoffer] in zijn mond heeft genomen en/of zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht en/of

- die [slachtoffer] heeft afgetrokken en/of zich door die [slachtoffer] heeft laten aftrekken en/of

- de penis van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] heeft gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat er bij de hoogte van de straf rekening gehouden dient te worden met het tijdsverloop, het feit dat verdachte direct bekend heeft en dat verdachte zelf het misbruik naar buiten heeft gebracht. De raadsman is, anders dan de reclassering, van oordeel dat ambulante behandeling in het kader van de strafbare feiten niet meer zinvol is, gelet op het tijdsverloop. Een ambulante behandeling in verband met het alcoholgebruik van verdachte acht de raadsman wel zinvol. Tot slot heeft de raadsman verzocht geen gevangenisstraf doch een taakstraf op te leggen, zodat dit niet koste gaat van de onderneming van verdachte en zijn partner.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft de zoon van zijn partner drie jaar lang, frequent en op zeer indringende wijze seksueel misbruikt. De jongen was destijds 12 tot 14 jaar oud. Er was sprake van diverse seksuele handelingen, waaronder pijpen, aftrekken en ook anale penetratie. De jongen werd drie jaar lang om het weekend en in de vakanties, als hij bij zijn vader was in het kader van de omgangsregeling, hiermee geconfronteerd. Het misbruik is een periode onderbroken geweest, omdat de jongen geen omgang meer wilde met zijn vader, maar verdachte is na het herstel van de omgangsregeling, weer doorgegaan met het misbruik van zijn “stiefzoon”.

Verdachte heeft hiermee een bijzonder ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een normale seksuele ontwikkeling, waar iedere jongere recht op heeft, is door verdachte onmogelijk gemaakt. Verdachte heeft echter louter en alleen oog gehad voor zijn eigen directe behoeftebevrediging en heeft zich niet bekommerd om de gevoelens van het slachtoffer. De jongen bevond zich gedurende de periode van het misbruik in een zeer kwetsbare fase van zijn ontwikkeling: het begin van de puberteit. Bovendien was eerder bij hem het syndroom van Asperger vastgesteld.

Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van kinderen, vooral als zij zich in de puberteit bevinden. Dat de feiten een grote impact hebben gehad, blijkt ook uit zijn slachtofferverklaring, waarin hij vermeldt dat hij in de periode dat hij misbruikt werd suïcidale neigingen had en dat hij een jeugd heeft gehad vol met depressies, een laag zelfbeeld en veel GGZ-behandelingen. Hij heeft hierdoor niet kunnen studeren en zijn jeugd is, anders dan bij andere jongeren, niet de beste periode uit zijn leven, maar de aller slechtste bladzijde uit zijn leven. Hij blijkt hieraan tevens PTSS te hebben overgehouden, waarvoor hij thans nog behandeld wordt. Daarnaast heeft hij door dit misbruik geen contact meer met zijn vader, die nog immer een relatie heeft met verdachte, en met zijn opa en oma.

De effecten van het misbruik door verdachte op met name de geestelijke ontwikkeling van het slachtoffer zijn groot. Het is slechts te hopen dat hij er geen blijvende psychische schade aan overhoudt.


Het misbruik is des te ernstiger nu verdachte, als de jongen bij zijn vader verbleef, mede de zorg voor hem droeg én hij wist dat hij autistisch was. Het vertrouwen dat de jongen in hem had moeten kunnen hebben is op een buitengewoon ernstige wijze beschaamd.

Dit geldt ook voor het vertrouwen van de moeder van het slachtoffer, die, toen hij destijds niet meer naar zijn vader wilde, er alles aan heeft gedaan om de omgang te herstellen. Het moet voor haar verschrikkelijk zijn om achteraf te beseffen dat daardoor het seksuele misbruik door is kunnen gaan.

Daarnaast veroorzaken feiten als deze sterke gevoelens van afschuw en verontwaardiging in de samenleving.

Gelet op de aard en de ernst van het feit, in het bijzonder de duur en de frequentie van het misbruik, is naar het oordeel van de rechtbank alleen een forse gevangenisstraf passend.

Bij de hoogte van die straf zal de rechtbank ook rekening houden met het feit dat verdachte zelf met het misbruik naar buiten is gekomen en bij de politie direct bekend heeft, dat hij ter zitting verklaard heeft dat hij er heel veel spijt van heeft en berouw heeft getoond en dat hij nadien geen strafbare feiten heeft gepleegd. Verder zal de rechtbank rekening houden met het advies van de reclassering, die reclasseringstoezicht en ambulante behandeling voorstelt, waarbij verdachte zich dient te laten behandelen door een forensisch psychiatrische polikliniek voor zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag, waarbij ook aandacht dient te zijn voor zijn psychosociale situatie en gebrekkige coping vaardigheden. Bij die ambulante behandeling kan ook aandacht worden besteed aan zijn alcoholmisbruik. Tot slot zal de rechtbank het verzoek van het slachtoffer om een contactverbod honoreren, maar voor het opleggen van een locatieverbod ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 11.426,18 bestaande uit € 1.426,18 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verzocht deze vordering toe te wijzen. De raadsman heeft verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag tussen de € 2.000,- en € 5.000,-. Voorts kan volgens de raadsman niet het hele bedrag van materiële schade worden toegerekend aan dit feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk is voor die schade. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevraagde wettelijke rente.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf 1 jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich binnen 4 werkdagen na afloop van zijn detentie meldt bij Reclassering Nederland op het adres Alleenhouderstraat 25, 5041 LC in Tilburg, en daarna zo vaak en zo lang de reclassering dit nodig acht;

* dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van de forensische psychiatrische polikliniek Fivoor, of een soortgelijke zorgverlener, voor zolang de instelling, in overleg met de reclassering, dit nodig acht, en zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 11.426,18, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 13 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 11.426,18, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 13 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 92 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Goossens en mr. De Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Heel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 mei 2018.

1 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 3 mei 2018

2 Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer] , pagina 36 van het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2016149391 van de politie Zeeland-West-Brabant.