Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4618

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
02-800461-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Uitvoer van een hoeveelheid MDMA pillen. Vrijspraak van uitvoer van ketamine zonder registratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800461-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 april 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. K.S. Kort, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 maart 2018, waarbij de officier van justitie, mr. J. Zondervan, en de verdediging, verdachte bijgestaan door mr. K.S. Kort, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 21 juni 2017 te Hazeldonk, gemeente Breda, althans in

Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

ongeveer 1548 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

MDMA zijnde MDMA, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 21 juni 2017 te Hazeldonk, gemeente Breda, althans in

Nederland, zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 353 gram ketamine,

in elk geval een werkzame stof, heeft bereid en/of ingevoerd en/of afgeleverd

en/of uitgevoerd en/of verhandeld;

art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer van 1548 gram MDMA en de uitvoer zonder registratie van 353 gram ketamine buiten het grondgebied van Nederland. Hij baseert zich daarbij onder meer op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, waarin hij heeft aangegeven dat hij het vermoeden had dat er drugs in de in zijn auto aanwezige tas zaten. Volgens de officier van justitie wist verdachte daarom dat hij drugs aanwezig had. Aangezien verdachte heeft verklaard dat hij onderweg was naar Frankrijk en hij op de snelweg ter hoogte van Hazeldonk te Breda en in de richting van Antwerpen reed, op het moment dat de drugs bij hem werden aangetroffen, is er voldoende bewijs voorhanden voor de uitvoer van de MDMA en ketamine.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen specifieke bewijsverweren gevoerd. De verdediging heeft gesteld dat verdachte heeft verklaard dat hij met een drietal vrienden naar Nederland is gekomen voor het kopen van drugs. Hij was echter enkel de bestuurder. Hij heeft de drugs niet gekocht en is ten tijde van de overdracht in de auto achtergebleven. Verdachte had wel gezien dat zijn vrienden een blauwe tas overhandigd hadden gekregen. Hij vermoedde derhalve dat hier drugs in zat. Zijn vrienden zijn achtergebleven in Nederland en hebben de tas in de auto van verdachte achtergelaten. Omdat verdachte moest werken is hij alleen teruggereden richting Frankrijk.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 21 juni 2017 is verdachte door de politie staande gehouden op de rijksweg A16 ter hoogte van het knooppunt Galder op de parkeerplaats Hazeldonk te Breda. Omdat hij geen geldig identiteitsbewijs aan de politie kon tonen, werd hem gevraagd de inhoud van de tas, die de politie in de auto voor de voorstoel had zien liggen, te tonen. Verbalisant [naam verbalisant] zag bij het openen van de tas direct een aantal pillen, gelijkend op XTC. Hierop werden de in de tas aanwezige verdovende middelen in beslag genomen en werd verdachte aangehouden.1

Onder verdachte zijn de volgende verdovende middelen in beslag genomen:

  • -

    Twee zakken geelgouden 6-kantige pillen met de opdruk van een doodshoofd (skull);

  • -

    Eén zak roze 3-kantige pillen met indruk “Thunderdome”;

  • -

    Eén zak wit materiaal poedervormig;

  • -

    Eén zak wit materiaal kristalachtig.

Middels een indicatieve test en na weging is gebleken dat het om 1548 gram MDMA en 353,7 gram ketamine gaat.2

Door het NFI is bevestigd dat het om de stoffen MDMA en ketamine gaat.3

Verdachte heeft verklaard dat hij met een drietal vrienden naar Nederland is gekomen voor het kopen van drugs. Het betrof een adres in de buurt van Utrecht. Verdachte was de bestuurder. Verdachte heeft gezien dat zijn vrienden in de vroege ochtend op straat een blauwe tas overhandigd hadden gekregen. Hij vermoedde dat hier drugs in zat. Zijn vrienden zijn achtergebleven in Nederland en hebben de tas in de auto van verdachte achtergelaten. Omdat verdachte moest werken is hij alleen teruggereden richting Frankrijk, waar hij woonachtig en werkzaam is.4

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 21 juni 2017 te Hazeldonk 1548 gram MDMA en 353 gram ketamine in zijn auto aanwezig had. Verdachte is aangehouden bij de grensovergang naar België en was op dat moment op de terugweg naar zijn woonplaats in Frankrijk. De rechtbank concludeert daaruit dan ook dat verdachte doende was voornoemde stoffen Nederland uit te voeren.

Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij enkel de chauffeur was en de drugs van zijn vrienden waren, die het bij hem in de auto hadden achtergelaten, is de rechtbank toch van oordeel dat hij opzettelijk en op actieve wijze betrokken is geweest bij het buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid MDMA pillen. Verdachte wist dat het doel van de reis naar Nederland het kopen van drugs was, hij heeft gezien dat zijn vrienden na de transactie een blauwe tas overhandigd hadden gekregen, waarvan hij vermoedde dat hierin drugs zat, en hij heeft desondanks de keuze gemaakt om – met deze tas in zijn auto aanwezig – de terugreis naar Frankrijk te maken. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem tenlastegelegde feit 1, te weten de uitvoer, in de zin van artikel 1 lid 5 van de Opiumwet (verlengde uitvoer), van voornoemde hoeveelheid MDMA pillen.

Anders dan de officier van justitie van oordeel is, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zonder registratie ketamine heeft uitgevoerd. Aan de hand van de inhoud van het dossier is niet gebleken dat daarnaar onderzoek is gedaan. Of verdachte daarvoor al dan niet een registratie heeft en daarmee aan dit bestanddeel is voldaan, is dan ook niet vast komen te staan. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde feit 2.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 21 juni 2017 te Hazeldonk, gemeente Breda, althans in

Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

ongeveer 1548 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

MDMA zijnde MDMA, een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Hoewel de verdediging heeft aangevoerd dat detentie een negatieve uitwerking zal hebben op de gezondheid van verdachte, is de officier van justitie van oordeel dat niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat verdachte detentieongeschikt is. Nu uit het dossier blijkt dat verdachte met zijn medicatie normaal functioneert, zou de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf geen probleem moeten zijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte kampt met psychische problemen. Hij is een zeer kwetsbaar persoon, van wie men misbruik heeft gemaakt. Deze omstandigheden dienen een aanzienlijk matigende invloed te hebben op de op te leggen straf. Verdachte heeft van de gebeurtenis geleerd en hij wil er alles aan doen om detentie in de toekomst te voorkomen. De verdediging stelt voor om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan de het reeds ondergane voorarrest, aangezien nieuwe detentie een negatieve uitwerking zal hebben op zijn gezondheid en ertoe zou kunnen leiden dat verdachte zijn baan verliest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid MDMA. Door de uitvoer van harddrugs naar het buitenland wordt de handel in verdovende middelen in het buitenland in stand gehouden en kunnen de uitvoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in- en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is voorts van belang dat MDMA een stof is die verslavend werkt, schadelijk kan zijn voor de gezondheid en waarvan het gebruik vanwege de randverschijnselen schade voor de samenleving in Nederland en in het buitenland oplevert.

Verdachte heeft hieraan een bijdrage geleverd en de rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte first offender is op het gebied van de Opiumwet.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de ter zitting door de raadsvrouw van verdachte overgelegde stukken, waaruit blijkt dat verdachte vanwege zijn handicap tussen de 50 en 79% is afgekeurd, verdachte parttime werkzaam is en hij aanvullend een uitkering ontvangt. Ook blijkt uit deze stukken dat verdachte in Frankrijk onbekend is in de justitiële registers.

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) tot uitgangspunt. Daarbij geldt als uitgangspunt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een lichtere straf. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte, ondanks zijn psychische gesteldheid, volgens zijn eigen verklaring zelf de keuze heeft gemaakt als chauffeur op te treden, terwijl hij wist dat de bedoeling was om drugs te gaan kopen. Daarnaast heeft hij ook zelf de keuze gemaakt om alleen, zonder zijn vrienden, terug naar Frankrijk te rijden en de tas met drugs mee te nemen. Dat een gevangenisstraf mogelijk nadelige gevolgen kan hebben voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte legt onvoldoende gewicht in de schaal om daarvan af te wijken. Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit 2 komt zij wel tot een lagere straf dan door de officier geëist.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13, 14 van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het hem tenlastegelegde feit 2;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven

verbod

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Peters, voorzitter, mr. F.P.J. Schoonen en

mr. R.J.H. van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.I.F. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 april 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het proces-verbaal van de politie Zeeland-West-Brabant uit het dossier met proces-verbaalnummer PL2000—2017146439 opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 84, hierna het eindproces-verbaal. Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal p. 4-5; Het proces-verbaal van bevindingen, eindproces-verbaal p. 6-7.

2 Het proces-verbaal verdovende middelen, eindproces-verbaal p. 10-11.

3 Het rapport identificatie van veelvoorkomende drugs van het NFI d.d. 9 november 2017, eindproces-verbaal p. 81-82; Het rapport identificatie van drugs en precursoren van het NFI d.d. 10 november 2017, eindproces-verbaal p. 81-82.

4 De ter terechtzitting van 28 maart 2018 afgelegde verklaring van verdachte.