Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4613

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
02-800952-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen bewijs voor vooropgezet plan om het slachtoffer van het leven te beroven, wel veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf voor een poging tot doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800952-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de PI Torentijd, Middelburg,

raadsman mr. E. Manders, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2018, waarbij de officier van justitie, mr. Huizenga, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer] , (waarbij die [slachtoffer] in zijn rug is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, nu uit geen van de bewijsmiddelen kan worden geconcludeerd dat er sprake was van een vooropgezet plan om [verdachte] (hierna: [slachtoffer] ) van het leven te beroven. De officier acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte verklaart zelf een vuurwapen te hebben meegenomen en degene te zijn geweest die de schoten heeft gelost. Dit wordt bevestigd door medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Dat de schoten doel getroffen hebben, blijkt uit de beschadigingen aan de bus waarin het slachtoffer reed en uit de kogel die uit de rug van verdachte werd gehaald. Volgens de officier van justitie is sprake van vol opzet op het om het leven brengen van het slachtoffer, omdat verdachte het slachtoffer in de rug heeft geraakt en meerdere keren heeft geschoten. Volgens de officier van justitie heeft verdachte de poging tot doodslag gepleegd tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , al kan niet worden bewezen dat [medeverdachte] zelf heeft geschoten. Gezien het feit dat [medeverdachte] verdachte heeft ingelicht over de verblijfplaats van [slachtoffer] , er eerder een afspraak was gemaakt, [slachtoffer] met drie auto’s klemgereden is en het feit dat [medeverdachte] [slachtoffer] heeft achtervolgd en mishandeld na het schietincident, was er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zake van de beoordeling van het bewijs geen verweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 5 december 2017 was verbalisant [verbalisant 1] op weg naar een melding van een bedreiging met een vuurwapen aan de [adres 1] te Roosendaal. Bij vertrek vanaf het politiebureau reed zij vanuit de Nieuwstraat naar de kruising met de Burgemeester Prinsensingel. Vanaf links zag zij een rode bestelbus aankomen met hoge snelheid. De bestuurder stopte de bus bij verbalisant, deed zijn ruit omlaag en zei dat hij in zijn rug geschoten was. Verbalisant herkende de bestuurder als [verdachte] . Verbalisant zag dat [slachtoffer] een gaatje in het rugpand van zijn trainingsjack ter hoogte van zijn rechterschouder had en dat er bloed omheen zat. Een ter plaatse gekomen ambulancemedewerker gaf aan dat de ronde verwonding ter hoogte van de rechterschouder van [slachtoffer] vermoedelijk een inschotverwonding was.1

Verbalisant [verbalisant 2] reed met het slachtoffer mee in de ambulance naar het ziekenhuis. Na de behandeling ontving verbalisant van de arts een koker met daarin een projectiel dat uit het lichaam van [slachtoffer] kwam.2

De BoRent bus is onderzocht, waarbij er 4 schootsbeschadigingen zijn gevonden, te weten twee in het zijpaneel aan de bestuurderszijde, één in de bestuurdersstoel en één in het dak. Hieruit konden twee schootslijnen worden afgeleid, waarbij er één vanuit het zijpaneel door de scheidingswand tussen de laadruimte en het bestuurderscompartiment en door de bestuurdersstoel ging. Deze kogel eindigde in de rug van het slachtoffer.3

Nader onderzoek wees uit dat er bij de woning aan de [adres 2] te Roosendaal een camerasysteem aanwezig was, dat een deel van de Diamantdijk in beeld bracht.4 Verbalisant [verbalisant 3] zag op de beelden dat een zwarte Fiat Bravo die aan de linkerachterzijde een rode BoRent bus volgde, van achteren tegen de BoRent bus aanreed. Ook reed er een grijze Renault Megane aan de rechterzijde de bus voorbij. Aan de bestuurderszijde van de Fiat Bravo werd een zilverkleurig voorwerp uit de raamopening naar buiten gehouden. Op enig moment bewoog dit voorwerp naar achteren, waarna het voorwerp weer verdween in het voertuig. De verbalisant stelt vast dat de schutter in de Fiat Bravo op het moment van schieten linksachter was gepositioneerd ten opzichte van de bus.5

[medeverdachte] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem en zijn familie bedreigde. Toen hij op 5 december 2017 in een grijze Renault Megane over de Diamantdijk reed zag hij de BoRent bus staan ter hoogte van [adres 2] . Hij belde om zijn broer, [verdachte] (hierna: [verdachte] ), te laten weten dat [slachtoffer] daar was en dat ze hem een paar klappen konden geven. [verdachte] kwam met zijn zwarte Fiat aanrijden, waarna [medeverdachte] zag dat [verdachte] vanuit de Fiat op de BoRent bus schoot. [medeverdachte] is achter [slachtoffer] aangereden.6

[verdachte] heeft verklaard dat zijn familie in de maanden voorafgaand aan het incident bedreigd werd door [slachtoffer] . Op 5 december 2017 ontving hij een telefoontje van de vrouw van [medeverdachte] , die hem vertelde dat [medeverdachte] in de straat van ‘die klootzak’ was en in de problemen zat. [verdachte] stapte direct in zijn auto, een zwarte Fiat Bravo, en reed ernaartoe. [verdachte] zag [slachtoffer] in de BoRent bus stappen. In een flits had hij een vuurwapen vast en schoot hij op de bus. Het wapen had [verdachte] 4 of 5 weken daarvoor van iemand geleend vanwege de bedreigingen die [slachtoffer] uitte.7

Opzet op de dood

Om tot een bewezenverklaring voor een poging tot moord of doodslag te kunnen komen, is noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat [verdachte] opzet had op de dood van [slachtoffer] . In dat kader overweegt de rechtbank dat er sprake was van een conflict tussen [slachtoffer] en de familie [medeverdachte] . Op het moment dat [medeverdachte] [verdachte] op de hoogte stelt van de aanwezigheid van [slachtoffer] , reageert [verdachte] onmiddellijk. Hij stapt in zijn auto, rijdt erheen en neemt een vuurwapen mee. Dit vuurwapen had hij, juist vanwege het conflict met [slachtoffer] , eerder al geregeld. Op de Diamantdijk ziet [verdachte] dat [slachtoffer] als bestuurder in de bus stapt, waarna hij op de bestuurderszijde van de bus schiet. Vast staat dat er in ieder geval twee schootslijnen in de bus zijn gevonden, waarbij er één schootslijn eindigde in de rug van [slachtoffer] . Gezien de ingangspositie en richting van de schootslijnen en de positie van de Fiat Bravo ten tijde van het schieten, staat voor de rechtbank vast dat deze schootslijnen zijn veroorzaakt door het schieten van [verdachte] . De rechtbank gaat er daarom ook van uit dat [verdachte] ten minste tweemaal heeft geschoten. Op basis van de schootslijnen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] gericht op [slachtoffer] heeft geschoten. Hij heeft [slachtoffer] daarbij ook daadwerkelijk geraakt in zijn rug, ter hoogte van zijn rechterschouder, wat niet ver is verwijderd van vitale delen in het lichaam. De rechtbank kan uit de handelwijze van [verdachte] niet anders concluderen dan dat [verdachte] op het moment van het schieten opzet had om [slachtoffer] te doden.

Voorbedachte raad

De rechtbank is, net zoals door de officier van justitie en de raadsman is aangevoerd, van oordeel dat niet kan worden gesproken van een poging tot moord. Om de daarvoor vereiste voorbedachte raad te kunnen bewijzen, moet vastgesteld worden dat [verdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Daarnaast moet worden uitgesloten dat [verdachte] heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Uit geen van de bewijsmiddelen valt te concluderen dat er een vooropgezet plan was om [slachtoffer] van het leven te beroven. Er kan geen moment worden aangewezen waarop dit besloten werd en evenmin kan worden vastgesteld of [verdachte] tijd heeft gehad om zich te kunnen beraden op het besluit. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat [verdachte] heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling op het moment dat hij [slachtoffer] zag, zoals hij zelf zegt. Dit brengt met zich dat vrijspraak voor de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord dient te volgen.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] dit feit niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd.

Door [slachtoffer] is verklaard dat [medeverdachte] ook op hem heeft geschoten, maar de rechtbank constateert dat er voor deze verklaring geen steunbewijs in het dossier is gevonden. Het schiethandenonderzoek bij [medeverdachte] heeft slechts één deeltje dat karakteristiek is voor schotresten opgeleverd. Een deskundige heeft daar desgevraagd over verklaard dat hij zonder nader onderzoek geen uitspraken kan doen over de waarschijnlijkheid dat dit deeltje op de handen van verdachte terecht is gekomen doordat verdachte geschoten heeft of door bijvoorbeeld secundaire overdracht. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat [medeverdachte] op [slachtoffer] heeft geschoten.

Of [medeverdachte] opzet had op de dood van [slachtoffer] , moet dan uit andere bewijsmiddelen worden afgeleid. Daarover overweegt de rechtbank dat het [medeverdachte] was die [verdachte] liet weten waar [slachtoffer] was, naar eigen zeggen om hem een paar klappen te geven. Dat dat zijn intentie was, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het feit dat hij de daad ook bij het woord heeft gevoegd, vlak voor zijn aanhouding. Uit niets blijkt echter dat [medeverdachte] op de hoogte was van het feit dat [verdachte] in het bezit was van een vuurwapenen en dat [verdachte] mogelijk op [slachtoffer] zou schieten. In het aan [verdachte] laten weten waar [slachtoffer] was en het achternarijden en mishandelen van [slachtoffer] kan de rechtbank geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] afleiden.

Conclusie

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, maar acht wettig en overtuigend bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer] , (waarbij die [slachtoffer] in zijn rug is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Psychische overmacht

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake was van psychische overmacht. Het slachtoffer was verdachte en zijn familie namelijk al maanden lastig aan het vallen en aan het bedreigen. Verdachte was al naar de politie gegaan, maar de politie zei niets te kunnen doen. Op het moment dat verdachte bericht kreeg dat [medeverdachte] het slachtoffer zag, trad er bij verdachte een zodanige bewustzijnsvernauwing op dat hij niet meer rationeel kon denken. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Aannemelijk is geworden dat er sprake was van een van buiten komende drang, te weten de ernstige bedreigingen die [slachtoffer] gedurende enige tijd heeft geuit aan het adres van verdachte en diens familie. Er was, naar het oordeel van de rechtbank, echter geen sprake van een situatie waarin verdachte geen weerstand kon én behoefde te bieden aan de drang om te handelen zoals hij heeft gehandeld. Zeker niet nu verdachte wist dat [medeverdachte] kort daarvoor al aangifte van de bedreigingen had gedaan en verdachte zelf ook een afspraak had gemaakt om zijn verhaal te doen bij de politie. Verdachte heeft er, op het moment dat hij gebeld werd, zelf voor gekozen om actie te ondernemen en met een vuurwapen richting [slachtoffer] te gaan. Hem komt dan ook geen beroep op psychische overmacht toe.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er, meer dan in de eis van de officier van justitie is gedaan, rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is vader van vier kinderen en heeft door dit voorval zijn baan verloren. Het strafblad van verdachte is zodanig oud, dat dit niet meer in zijn nadeel hoeft te werken. Tot slot moet ernstig rekening gehouden worden met de rol die het slachtoffer zelf heeft gespeeld. Gelet hierop is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest, inmiddels ruim zeven maanden, passend. Gelet op het zich nog voortslepende conflict is een forse voorwaardelijke gevangenisstraf nog wel op zijn plaats.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Het schaadt immers het meest elementaire mensenrecht, te weten het recht op leven. Ondanks dat het in dit geval bij een poging is gebleven, tilt de rechtbank zwaar aan dit feit. Het is immers niet aan verdachte te danken dat het bij een poging is gebleven, nu het slachtoffer wel door een kogel is geraakt. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft verdachte geen enkel respect getoond voor het leven van een ander. Daarnaast heeft de schietpartij zich midden op de dag, op de openbare weg, voorgedaan. Het is zeker niet ondenkbaar dat verdachte een willekeurige voorbijganger zou raken, bijvoorbeeld door een afgeketste kogel. Een dergelijk gewelddadig optreden op straat is bovendien zeer schokkend voor ooggetuigen en het versterkt de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid. Ook hier waren meerdere mensen getuige van het feit. Dat alles neemt de rechtbank hem ernstig kwalijk.

Het nemen van het leven van een ander, maar ook de poging daartoe, is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf rekening te houden met de verhouding tussen verdachte en het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zich allerminst onbetuigd gelaten en heeft, door grove beledigingen en ernstige bedreigingen, een duidelijk eigen aandeel in het conflict gehad. Dit rechtvaardigt weliswaar op geen enkele wijze het gedrag van verdachte, maar is wel reden om de op te leggen gevangenisstraf te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie een passende straf is. Zij zal dan ook aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 135.130,-. Ter terechtzitting is de vordering aangepast, in die zin dat de kosten voor de eigen auto en de door het slachtoffer beschadigde auto’s als pro memorie posten moeten worden gezien.

De rechtbank constateert dat de vordering niet is onderbouwd. De zaak zou aangehouden moeten worden voor een dergelijke onderbouwing. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van deze vordering in dat geval een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Hij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het impliciet primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Collombon en mr. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB2R017132 van de districtsrecherche De Markiezaten, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 379. Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pag. 21-22

2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 2] , pag. 40-41

3 Proces-verbaal forensisch onderzoek vervoermiddel, pag. 122-123

4 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 4] , pag. 86

5 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] , pag. 87

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , pag. 265

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pag. 305