Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4611

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
C/02/347177/ HA RK 18-142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Breda

procedurenummer C/02/347177/ HA RK 18-142

Beschikking van 1 augustus 2018

inzake het wrakingsverzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

tegen

1. [gewraakte rechter] in haar hoedanigheid van kantonrechter bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [locatie] , in de procedure waarin verzoeker als eisende partij is betrokken onder zaak-/rolnummer [zaaknummer] ,

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] en [gewraakte rechter] .

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 25 april 2018 gewezen tussenvonnis in de zaak tussen [verzoeker] als eisende partij en [gedaagde] als gedaagde partij (verder: [gedaagde] ) met zaak-/rolnummer [zaaknummer] ;

  • -

    het wrakingsverzoek, met een drietal producties, zijdens [verzoeker] van 29 juni 2018;

  • -

    het verweerschrift zijdens [gewraakte rechter] van 9 juli 2018;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank op 25 juli 2018, waarbij [verzoeker] in persoon is verschenen en pleitnotities heeft overgelegd. [gewraakte rechter] is, met bericht van verhindering, niet in persoon verschenen.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van [gewraakte rechter] in haar hoedanigheid van kantonrechter bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [locatie] , in de onder punt 1. genoemde procedure. [gewraakte rechter] , hierna tevens aangeduid als de kantonrechter, berust niet in het verzoek tot haar wraking.

3 De feiten

3.1.

De volgende feiten staan in rechte vast:

a. [verzoeker] heeft als eisende partij [gedaagde] als gedaagde partij in rechte betrokken in de onder punt 1. genoemde procedure;

b. In voornoemde procedure vordert [verzoeker] - verkort weergegeven - een bedrag van € 3.325,07 wegens voor [gedaagde] verrichte juridische werkzaamheden.

c. Op 25 april 2018 heeft [gewraakte rechter] in haar hoedanigheid van kantonrechter een tussenvonnis gewezen in voornoemde zaak waarbij een comparitie van partijen is gelast op donderdag 14 juni 2018.

d. In het tussenvonnis van 25 april 2018 is - voor zover thans van belang - het volgende overwogen:

“(…).

2.1

Gelet op de omstandigheden van het geval komt het de kantonrechter wenselijk voor om tijdens een mondelinge behandeling van het geschil ter terechtzitting nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen. Verder zal getracht worden een minnelijke regeling van (een deel van) het geschil te bereiken en/of tot procedurele afspraken te komen.

2.2

De uitnodiging om ter zitting te verschijnen is niet vrijblijvend. Aan een eventuele niet-verschijning kunnen de gevolgen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.

(…).”

e. In dit vonnis staat voorts vermeld dat binnen 10 dagen bezwaar kan worden gemaakt

tegen de dagbepaling. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt waarna de comparitie nader is bepaald op 2 juli 2018 om 09:30 uur.

f. Op 26 juni 2018 is op de griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [locatie] , een brief ontvangen van [verzoeker] , gedateerd 25 juni 2018, waarin wordt verzocht de comparitie niet te laten doorgaan en de zaak verder schriftelijk af te doen. [gewraakte rechter] heeft in haar hoedanigheid van kantonrechter hierop beslist dat de comparitie toch doorgang zal vinden. Deze beslissing is telefonisch aan [verzoeker] kenbaar gemaakt.

g. Op vrijdag 29 juni 2018 is om 18:57 uur in de e-mailbox van de griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [locatie] , het schriftelijke wrakingsverzoek ontvangen van [verzoeker] .

h. Aan [gedaagde] en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , is medegedeeld dat de comparitie geen doorgang zal vinden wegens het wrakingsverzoek zijdens [verzoeker] .

4 De gronden voor het wrakingsverzoek

4.1.

[verzoeker] baseert zijn wrakingsverzoek - verkort weergegeven - op de volgende gronden:

1) [verzoeker] meent dat [gedaagde] zich schuldig maakt aan smaad, hetgeen de reden is dat hij een comparitie niet zinvol acht. [verzoeker] stelt daartoe, dat [gedaagde] bij zijn conclusie van antwoord een productie heeft overgelegd betreffende een krantenartikel, waarvan de inhoud volgens [verzoeker] niet strookt met de werkelijkheid. Het overleggen van dat krantenartikel mist in de visie van [verzoeker] relevantie en is uitsluitend bedoeld om hem schade te berokkenen. De overweging in het tussenvonnis: “De uitnodiging om ter zitting te verschijnen is niet vrijblijvend” wekt zijns inziens de schijn op van gemis aan onafhankelijkheid en/of onpartijdigheid.

2) Bij brief van 25 juni 2018 aan de griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft [verzoeker] verzocht de comparitie niet door te laten gaan, maar de zaak verder schriftelijk af te doen. Volgens [verzoeker] zou een comparitie van partijen niet kunnen leiden tot het bereiken van enig doel, aangezien [gedaagde] hem enkel wil beschadigen. De kantonrechter heeft zijns inziens geen rekening gehouden met het geschilopwekkend gedrag van [gedaagde] . De griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 28 juni 2018 telefonisch aan hem laten weten dat de comparitie doorgang vindt, zonder opgaaf van redenen, aldus [verzoeker] . Naar de mening van [verzoeker] passeert de kantonrechter ten onrechte het gegeven dat het overgelegde krantenartikel en de houding van [gedaagde] van invloed zullen zijn op (de sfeer van) de comparitie. [verzoeker] geeft aan hierdoor bevreesd te zijn dat de noodzakelijke onpartijdigheid ontbreekt, waardoor hij geen vertrouwen heeft in de behandeling van de zaak door deze kantonrechter.

Het standpunt van de kantonrechter

4.2.

De kantonrechter voert aan - samengevat - dat artikel 131 Rv bepaalt dat nadat gedaagde voor antwoord heeft geconcludeerd, de rechter een comparitie beveelt, tenzij hij oordeelt dat de zaak daarvoor niet geschikt is. Conform deze hoofdregel is ook in deze zaak een comparitie bevolen, nu zij in de stukken van partijen geen aanleiding zag voor het oordeel dat de zaak niet geschikt zou zijn voor comparitie. De kantonrechter geeft aan, dat het bericht dat [verzoeker] daar anders over denkt, haar pas heeft bereikt door middel van zijn brief van 25 juni 2018, die op 26 juni 2018 ter griffie is ontvangen. Het verzoek om de comparitie geen doorgang te laten vinden heeft de kantonrechter afgewezen omdat enerzijds voornoemde brief slechts een paar dagen voor de dagbepaling van de comparitie is ontvangen, en anderzijds omdat bij het laten doorgaan van de comparitie zij ter zitting zelf zou kunnen beoordelen of de aversie van [verzoeker] hem zou belemmeren om zijn standpunt goed te verwoorden. Als die belemmering er niet was, dan had de comparitie het doel kunnen bereiken van in elk geval informatievoorziening, alsmede eventueel een minnelijke oplossing, aldus de kantonrechter. Als [verzoeker] echter wel te zeer belemmerd zou zijn geweest tijdens de zitting, dan zou er volgens de kantonrechter op grond van artikel 132 lid 2 Rv alsnog de mogelijkheid zijn geweest om te re- en dupliceren. Zij geeft voorts aan dat het overlegde krantenbericht zich in het publieke domein bevindt en dat [verzoeker] ter comparitie had kunnen toelichten wat zijns inziens onjuist was aan de inhoud daarvan. Het enkele overleggen van een mogelijk onjuist krantenartikel maakt niet dat een comparitie niet zou kunnen plaatsvinden, aldus de kantonrechter. Verder vloeit de zinsnede in het tussenvonnis van 25 april 2018 dat “de uitnodiging om ter zitting te verschijnen niet vrijblijvend is”, voort uit artikel 88 lid 4 Rv. De beslissing op het verzoek in de brief van 25 juni 2018 van [verzoeker] , is telefonisch aan hem medegedeeld en behoefde op grond van de wet niet gemotiveerd te worden, aldus de kantonrechter. In de visie van de kantonrechter dient het wrakingsverzoek dan ook te worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv geldt als uitgangspunt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Naast persoonlijke vooringenomenheid, kan van een gebrek aan onpartijdigheid - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van een rechter - ook sprake zijn, indien bepaalde feiten of omstandigheden de objectief gerechtvaardigde vrees doen ontstaan dat de schijn van partijdigheid is gewekt.

5.3.

Het verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven, zich hebben voorgedaan en aan verzoeker bekend zijn geworden. [verzoeker] heeft echter aan het wrakingsverzoek feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd die zich hebben voorgedaan ruim vóór het indienen van het wrakingsverzoek. Immers, reeds middels het tussenvonnis van 25 april 2018 was [verzoeker] bekend geworden met het feit dat de kantonrechter een comparitie van partijen heeft gelast. Reeds voorafgaand aan dit tussenvonnis, was [verzoeker] eveneens bekend met de door [gedaagde] ingediende conclusie van antwoord en het daarbij overgelegde krantenbericht. Deze feiten en omstandigheden - die de grondslag vormen van het wrakingsverzoek - dateren derhalve van (uiterlijk) 25 april 2018, terwijl het wrakingsverzoek pas is ingediend op 29 juni 2018, zijnde ruim twee maanden later. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer aan [verzoeker] gevraagd dit tijdsverloop toe te lichten. Daarop heeft [verzoeker] aangegeven dat hij heeft geaarzeld omtrent het indienen van het wrakingsverzoek en dat hij daarover overleg heeft gevoerd met een adviseur. Zulks komt naar het oordeel van de wrakingskamer echter voor rekening en risico van [verzoeker] en maakt niet dat het ruim 2 maanden later indienen van het wrakingsverzoek verschoonbaar is. Ook hetgeen overigens door [verzoeker] is aangevoerd, noopt niet tot een andersluidend oordeel. De conclusie luidt dan ook, dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend, zodat [verzoeker] niet kan worden ontvangen in zijn wrakingsverzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingverzoek wordt dan ook niet toegekomen.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;

- bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaak-/rolnummer [zaaknummer] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van het wrakingsverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. Poerink, mr. van Voorthuizen en mr. Hopmans en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.