Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4610

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
02-800925-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vrijspraak van medeplegen poging moord/doodslag. Veroordeling tot zes weken gevangenisstraf voor eenvoudige mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800925-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 augustus 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988, te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 3] , [woonplaats]

raadsman mr. M.J. Crombach, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juli 2018, waarbij de officier van justitie, mr. Huizenga, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer ] , (waarbij die [slachtoffer ] in zijn rug is geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

één of meerdere medeverdachte(n) op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, na kalm en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer ] , (waarbij die [slachtoffer ] in zijn rug is geraakt),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door informatie over de verblijfplaats van die [slachtoffer ] (telefonisch) ter beschikking te stellen aan een of meerdere medeverdachte(n) en/of (vervolgens) met zijn/hun auto('s) de auto van die [slachtoffer ] klem te rijden en/of (vervolgens) met zijn/hun auto('s) de auto van die [slachtoffer ] te achtervolgen, ten behoeve van de uitvoering van de voorgenomen moord en/of doodslag en/of zware mishandeling op die [slachtoffer ] .

2.

hij op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet tegen/in de zij, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] heeft getrapt/geschopt en/of meermalen, althans eenmaal, tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet tegen/in de zij, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] te trappen/schoppen en/of meermalen, althans eenmaal, tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] te slaan en/of stompen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer ] ). Zij baseert zich daarbij op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) die verklaart te hebben geschoten, de verklaring van verdachte dat hij afgesproken had [medeverdachte] te bellen als hij het slachtoffer zag, de omstandigheid dat [slachtoffer ] door drie auto’s is klemgereden en het feit dat verdachte achter het slachtoffer is aangereden en hem heeft mishandeld nadat er was geschoten. Verdachte heeft volgens de officier van justitie bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Weliswaar heeft hij niet zelf geschoten, maar verdachte heeft wel samen met [medeverdachte] opgetrokken bij het plegen van dit feit. Ieder had hierbij een eigen rol. De officier van justitie acht de voorbedachte raad niet bewezen, nu niet kan worden vastgesteld dat het concrete doel of plan was om het slachtoffer van het leven te beroven.

Ook feit 2, subsidiair, de mishandeling, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1. Verdachte heeft niet geschoten, was tijdens het incident slechts aanwezig en is daarna achter het slachtoffer aangereden. Daarin schuilt geen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Ook is er geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Verdachte heeft slechts een telefoontje gepleegd. Het was niet zijn bedoeling dat er op het slachtoffer zou worden geschoten. Hij wist ook niet dat medeverdachte in het bezit was van een vuurwapen. Uit geen van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er bij verdachte sprake was van enig opzet op de dood, dan wel van enig opzet op behulpzaamheid ten behoeve van de medeverdachte. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken voor feit 1.

Bij feit 2 kan volgens de verdediging de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 5 december 2017 was verbalisant [verbalisant 1] op weg naar een melding van een bedreiging met een vuurwapen aan de [adres 2] te Roosendaal. Bij vertrek vanaf het politiebureau reed zij vanuit de Nieuwstraat naar de kruising met de Burgemeester Prinsensingel. Vanaf links zag zij een rode bestelbus aankomen met hoge snelheid. De bestuurder stopte de bus bij verbalisant, deed zijn ruit omlaag en zei dat hij in zijn rug geschoten was. Verbalisant herkende de bestuurder als [slachtoffer 1] . Verbalisant zag dat [slachtoffer ] een gaatje in het rugpand van zijn trainingsjack ter hoogte van zijn rechterschouder had en dat er bloed omheen zat. Een ter plaatse gekomen ambulancemedewerker gaf aan dat de ronde verwonding ter hoogte van de rechterschouder van [slachtoffer ] vermoedelijk een inschotverwonding was.

Verbalisant [verbalisant 4] reed met het slachtoffer mee in de ambulance naar het ziekenhuis. Na de behandeling ontving verbalisant van de arts een koker met daarin een projectiel dat uit het lichaam van [slachtoffer ] kwam.

De BoRent bus is onderzocht, waarbij er 4 schootsbeschadigingen zijn gevonden, te weten twee in het zijpaneel aan de bestuurderszijde, één in de bestuurdersstoel en één in het dak. Hieruit konden twee schootslijnen worden afgeleid, waarbij er één vanuit het zijpaneel door de scheidingswand tussen de laadruimte en het bestuurderscompartiment en door de bestuurdersstoel ging. Deze kogel eindigde in de rug van het slachtoffer.

Nader onderzoek wees uit dat er bij de woning aan de [adres 1] te Roosendaal een camerasysteem aanwezig was, dat een deel van de Diamantdijk in beeld bracht. Verbalisant [verbalisant 2] zag op de beelden dat een zwarte Fiat Bravo die aan de linkerachterzijde een rode BoRent bus volgde, van achteren tegen de BoRent bus aanreed. Ook reed er een grijze Renault Megane aan de rechterzijde de bus voorbij. Aan de bestuurderszijde van de Fiat Bravo werd een zilverkleurig voorwerp uit de raamopening naar buiten gehouden. Op enig moment bewoog dit voorwerp naar achteren, waarna het voorwerp weer verdween in het voertuig. De verbalisant stelt vast dat de schutter in de Fiat Bravo op het moment van schieten linksachter was gepositioneerd ten opzichte van de bus.

[verdachte] (hierna: [verdachte] ) heeft verklaard dat [slachtoffer ] hem en zijn familie bedreigde. Toen hij op 5 december 2017 in een grijze Renault Megane over de Diamantdijk reed zag hij de BoRent bus staan ter hoogte van nummer 53. Hij belde om zijn broer [medeverdachte] te laten weten dat [slachtoffer ] daar was en dat ze hem een paar klappen konden geven. [medeverdachte] kwam met zijn zwarte Fiat aanrijden, waarna [verdachte] zag dat [medeverdachte] vanuit de Fiat op de BoRent bus schoot. [verdachte] is achter [slachtoffer ] aangereden.

[medeverdachte] heeft verklaard dat zijn familie in de maanden voorafgaand aan het incident bedreigd werd door [slachtoffer ] . Op 5 december 2017 ontving hij een telefoontje van de vrouw van [verdachte] , die hem vertelde dat [verdachte] in de straat van ‘die klootzak’ was en in de problemen zat. [medeverdachte] stapte direct in zijn auto, een zwarte Fiat Bravo, en reed ernaartoe. [medeverdachte] zag [slachtoffer ] in de BoRent bus stappen. In een flits had hij een vuurwapen vast en schoot hij op de bus. Het wapen had [medeverdachte] 4 of 5 weken daarvoor van iemand geleend vanwege de bedreigingen die [slachtoffer ] uitte.

Opzet op de dood

Om tot een bewezenverklaring voor een poging tot moord of doodslag te kunnen komen, is noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat [medeverdachte] opzet had op de dood van [slachtoffer ] . In dat kader overweegt de rechtbank dat er sprake was van een conflict tussen [slachtoffer ] en de familie [medeverdachte] . Op het moment dat [verdachte] [medeverdachte] op de hoogte stelt van de aanwezigheid van [slachtoffer ] , reageert [medeverdachte] onmiddellijk. Hij stapt in zijn auto, rijdt erheen en neemt een vuurwapen mee. Dit vuurwapen had hij, juist vanwege het conflict met [slachtoffer ] , eerder al geregeld. Op de Diamantdijk ziet [medeverdachte] dat [slachtoffer ] als bestuurder in de bus stapt, waarna hij op de bestuurderszijde van de bus schiet. Vast staat dat er in ieder geval twee schootslijnen in de bus zijn gevonden, waarbij er één schootslijn eindigde in de rug van [slachtoffer ] . Gezien de ingangspositie en richting van de schootslijnen en de positie van de Fiat Bravo ten tijde van het schieten, staat voor de rechtbank vast dat deze schootslijnen zijn veroorzaakt door het schieten van [medeverdachte] . De rechtbank gaat er daarom ook van uit dat [medeverdachte] ten minste tweemaal heeft geschoten. Op basis van de schootslijnen stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] gericht op [slachtoffer ] heeft geschoten. Hij heeft [slachtoffer ] daarbij ook daadwerkelijk geraakt in zijn rug, ter hoogte van zijn rechterschouder, wat niet ver is verwijderd van vitale delen in het lichaam. De rechtbank kan uit de handelwijze van [medeverdachte] niet anders concluderen dan dat [medeverdachte] op het moment van het schieten opzet had om [slachtoffer ] te doden.

Medeplegen

De rechtbank ziet zich echter voor de vraag gesteld of [verdachte] als medepleger van dit schietincident kan worden aangemerkt.

Door [slachtoffer ] is verklaard dat [verdachte] ook op hem heeft geschoten, maar de rechtbank constateert dat er voor deze verklaring geen steunbewijs in het dossier is gevonden. Het schiethandenonderzoek bij [verdachte] heeft slechts één deeltje dat karakteristiek is voor schotresten opgeleverd. Een deskundige heeft daar desgevraagd over verklaard dat hij zonder nader onderzoek geen uitspraken kan doen over de waarschijnlijkheid dat dit deeltje op de handen van verdachte terecht is gekomen doordat verdachte geschoten heeft of door bijvoorbeeld secundaire overdracht. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat [verdachte] op [slachtoffer ] heeft geschoten.

Indien er op andere wijze een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] , gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het schietincident kan worden vastgesteld, zou er ook sprake kunnen zijn van medeplegen. De rechtbank kan uit de bewijsmiddelen echter niet afleiden dat er sprake was van een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking gericht op het schietincident. [verdachte] heeft [medeverdachte] enkel laten weten waar [slachtoffer ] zich ophield. [medeverdachte] heeft hier op gereageerd door daarnaartoe te rijden. Volgens [verdachte] was het de bedoeling om [slachtoffer ] een paar klappen te geven. Dat dat zijn intentie was, vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het feit dat hij de daad ook bij het woord heeft gevoegd, vlak voor zijn aanhouding. Uit niets blijkt echter dat [verdachte] op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte] in het bezit was van een vuurwapen en dat [medeverdachte] mogelijk op [slachtoffer ] zou schieten. In het laten weten waar [slachtoffer ] was aan [medeverdachte] en het achternarijden en mishandelen van [slachtoffer ] na het schietincident ziet de rechtbank geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood of de zware mishandeling van [slachtoffer ] . [verdachte] kon en behoefde, naar het oordeel van de rechtbank, niet te voorzien dat zijn handelen tot het afvuren van een vuurwapen zou leiden. Dit brengt met zich dat er geen sprake kan zijn van het medeplegen van een poging tot moord, doodslag dan wel zware mishandeling door [verdachte] .

Medeplichtigheid

Nu er ook bij de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan poging tot moord, doodslag dan wel zware mishandeling moet worden vastgesteld dat er enig opzet op het gronddelict aanwezig was, en hier niet van is gebleken, zal de rechtbank verdachte ook hiervan vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Feit 2

Na het schietincident is [slachtoffer ] in een soort dollemansrit naar het politiebureau gereden, waarbij hij diverse geparkeerde auto’s heeft beschadigd, terwijl [verdachte] achter hem aan reed. Daar speelde zich vervolgens het tweede feit af.

Op 5 december 2017 zag verbalisant [verbalisant 1] in Roosendaal een rode bestelbus aankomen met hoge snelheid. Er reed een grijze Renault Megane op hoge snelheid achter de bus aan. De bus keerde en de Renault volgde. Ter hoogte van het politiebureau kwam de bus tot stilstand. De bestuurder van de Renault stapte uit en rende in de richting van de rode bus. De bus probeerde weg te rijden, maar dit lukte niet. Daarop sprong de bestuurder van de bus, die verbalisant herkende als [slachtoffer 1] , uit de bus en rende weg. De man uit de Renault, [verdachte] , rende achter hem aan. [slachtoffer ] struikelde en viel op zijn rug. [verdachte] schopte [slachtoffer ] , dook vervolgens op [slachtoffer ] en begon hem op zijn lijf te slaan. Verbalisant riep dat beide mannen op hun buik moesten gaan liggen. [verdachte] stopte niet met slaan, totdat verbalisant [verbalisant 3] hem van [slachtoffer ] af trok.1

Verbalisant [verbalisant 3] heeft gezien dat de man uit de Megane [slachtoffer ] een trap in zijn zij gaf, voordat hij hem begon te slaan.2

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij [slachtoffer ] heeft geslagen en getrapt.3

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte het opzet had om [slachtoffer ] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De mate van het toegepaste geweld, het slaan en een enkele maal trappen tegen het lichaam van [slachtoffer ] , is onvoldoende om tot opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin te komen. Er is ook geen geneeskundige verklaring die spreekt over verwondingen van [slachtoffer ] die door het door [verdachte] toegepaste geweld zijn ontstaan. De rechtbank zal verdachte daarom voor de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling vrij spreken.

Wel acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2, subsidiair.

hij op of omstreeks 05 december 2017 te Roosendaal, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal met geschoeide voet tegen/in de zij, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] te trappen/schoppen en/of meermalen, althans eenmaal, tegen/in het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer ] te slaan en/of stompen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, gelet op de verzochte vrijspraak voor feit 1, een fors lagere straf op te leggen. Daarbij zou het eenvoudig zijn een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, maar dit zou een te groot gewicht geven aan de ernst van het feit. De verdediging vraagt om oplegging van een werkstraf, met aftrek van voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, door het slachtoffer te slaan en te trappen. Hoewel mishandeling op zichzelf al een naar feit is, zijn er in dit geval nog een aantal omstandigheden te noemen die het extra kwalijk maken. Zo heeft verdachte het slachtoffer achtervolgd met zijn auto, terwijl hij wist dat het slachtoffer daarvoor was beschoten en is verdachte, toen het slachtoffer op de grond viel, bovenop hem gedoken. Het geheel moet voor het slachtoffer, maar ook voor alle omstanders, zeer beangstigend zijn geweest. Verdachte stopte niet toen een verbalisant riep dat hij op zijn buik moest gaan liggen. Een verbalisant heeft hem uiteindelijk van het slachtoffer af moeten trekken. Verdachte was er duidelijk op uit om het slachtoffer geweld aan te doen en heeft zich door niets tegen willen laten houden. Deze omstandigheden neemt de rechtbank als strafverzwarend mee.

De rechtbank houdt ook in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij in het verleden vaker is veroordeeld voor geweldsfeiten.

De rechtbank is van oordeel dat deze strafverzwarende omstandigheden maken dat een werkstraf niet passend is.

Wel houdt de rechtbank rekening met de verhouding tussen verdachte en het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zich allerminst onbetuigd gelaten en heeft, door grove beledigingen en ernstige bedreigingen aan het adres van verdachte en zijn familie, een duidelijk eigen aandeel in het conflict gehad. Dit rechtvaardigt weliswaar niet het gedrag van verdachte, maar is wel reden om de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen.

Een gevangenisstraf van zes weken acht de rechtbank, alles afwegend, passend en geboden. Omdat verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten, hoeft hij dus niet meer terug in detentie.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 135.130,- voor feit 1.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer ] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer ] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Collombon en mr. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 augustus 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB2R017132 van de districtsrecherche De Markiezaten, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 379. Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pag. 21-22

2 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pag. 25

3 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 23 juli 2018