Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4516

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
BRE 17/5850 , BRE 17/5871 , BRE 17/5875 en BRE 18/2057
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:3511, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het oprichten van een antennemast in Riel.

Niet gebleken dat het Antennebeleid in strijd is met een wettelijk voorschrift of met een algemeen rechtsbeginsel.

Alternatieve locaties zijn wat betreft resultaat niet gelijkwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/7969
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 17/5850 WABOM, BRE 17/5871 WABOM, BRE 17/5875 WABOM en BRE 18/2057 WABOM

uitspraak van 12 juli 2018 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser1A] , te [woonplaats] ,

[eiser1B] , te [woonplaats]

samen te noemen: eisers 1,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

[eiser2A] , te [woonplaats] ,

[eiser2B] , te [woonplaats] ,

[eiser2C] , te [woonplaats] ,

samen te noemen: eisers 2,

gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz,

[eiser3A] , te [woonplaats] ,

[eiser3B] , te [woonplaats] ,

[eiser3C] , te [woonplaats] ,

[eiser3D] en [eiser3E], te [woonplaats] ,

[eiser3F] en [eiser3G], te [woonplaats] ,

[eiser3H] , te [woonplaats] ,

samen te noemen: eisers 3,

gemachtigde: mr. P.R. Botman,

[eiser4A] en [eiser4B] , te [woonplaats] ,

samen te noemen: eisers 4,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende1] , te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: mr. M. Karluk-Pellikaan.

Procesverloop

Eisers 1 hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juli 2017 (bestreden besluit I) van het college inzake het ongegrond verklaren van hun bezwaren tegen het besluit van 30 november 2016 (primair besluit) tot verlening van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een antennemast. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 17/5850 WABOM.

Eisers 2 hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juli 2017 (bestreden besluit II) van het college inzake het ongegrond verklaren van hun bezwaren tegen het primaire besluit. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 17/5871 WABOM.

Eisers 3 hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juli 2017 (bestreden besluit III) van het college inzake het niet-ontvankelijk en ongegrond verklaren van hun bezwaren tegen het primaire besluit. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 17/5875 WABOM.

Eisers 4 hebben eveneens beroep ingesteld tegen bestreden besluit III inzake het ongegrond verklaren van hun bezwaren tegen het primaire besluit. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer BRE 18/2057 WABOM.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 juni 2018. Namens eisers 1 is [eiser1A] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens eisers 2 zijn [eiser2B] , [eiser2C] en de echtgenote van [eiser2A] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens eisers 3 zijn [eiser3A] , [eiser3B] , [eiser3C] , [eiser3D] en [eiser3H] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en [vertegenwoordiger1] . Namens eisers 4 is [eiser4A] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger2] . [belanghebbende1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [vertegenwoordiger3] .

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Op 25 juli 2016 heeft [belanghebbende1] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een antennemast voor mobiele telecommunicatie met een hoogte van 37,5 meter op het perceel kadastraal bekend als [naam perceel] . De antennemast is voorzien in een groenstrook gelegen achter de [naam locatie1] . Bij de aanvraag is onder meer een onderbouwing overgelegd.

Bij het primaire besluit heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt geen redenen zijn om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren, nu de voorziene antennemast past binnen het Antennebeleid. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’.

Eisers 1 tot en met 4 hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij de bestreden besluiten I en II zijn de bezwaren van eisers 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij bestreden besluit III is het bezwaar van [eiser3F] niet-ontvankelijk verklaard en de overige bezwaren van eisers 3 en 4 ongegrond verklaard.

De standpunten van eisers

2.1

Eisers 1 voeren, samengevat, aan dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij stellen allereerst dat inbreuk wordt gemaakt op het stelsel van vergunningverlening, nu het college actief betrokken was bij het maken van de keuze van de locatie waar de antennemast is voorzien. Daarnaast heeft het college volgens eisers 1 ten onrechte geen onderzoek verricht naar alternatieve locaties. Bovendien zijn eisers 1 niet betrokken bij het maken van de keuze voor de voorziene locatie, terwijl hen ook geen inspraak is geboden over de keuze van het college om bij het vaststellen van het Antennebeleid de zonering – ten nadele van eisers 1 – aan te passen. Als gevolg van deze aanpassing is de zonering dichterbij de woongebieden gesitueerd, wat volgens eisers 1 in strijd is met de tekst en de uitgangspunten van het Antennebeleid. Verder betwijfelen eisers 1 of de voorziene locatie is gelegen binnen de zonering van het Antennebeleid en stellen zij dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen.

2.2

Eisers 2 voeren, samengevat, aan dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij stellen allereerst dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het Antennebeleid, nu onder meer de locatie waar de antennemast is voorzien buiten de zonering van het Antennebeleid valt. Daarnaast stellen eisers 2 dat voor het oprichten van de antennemast alternatieve locaties bestaan met aanmerkelijk minder bezwaren. Zij wijzen daarbij onder meer op Dorpsstraat 56 te Riel (nabij het tennispark), het bedrijventerrein Veertels, de Oude Tilburgselaan te Riel (nabij sportpark De Krim) en de omgeving tussen het Bels Lijntje en de Zettenstraat (omgeving waterzuivering). Volgens eisers 2 heeft het college onvoldoende onderbouwd dat de alternatieve locaties geen gelijkwaardig resultaat opleveren wat betreft ruimtelijke inpassing en radiografische dekking. Ter onderbouwing van de gelijkwaardigheid van de alternatieve locaties wat betreft radiografische dekking verwijzen eisers 2 naar een door hen ingebracht advies van Schiphorst van BlueMark Innovations B.V. van 28 november 2017. Verder stellen zij zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de richtlijnen die in het Antennebeleid zijn opgenomen voor welstand. Ook heeft de Welstandscommissie volgens eisers 2 ten onrechte rekening gehouden met de door het college naar voren gebrachte omstandigheid dat geen alternatieve locaties voorhanden zijn.

2.3

Eisers 3 en 4 voeren, samengevat, eveneens aan dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij stellen zich allereerst op het standpunt dat het Antennebeleid onverbindend moet worden verklaard, nu dit beleid onder meer in strijd met artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen. Daarnaast stellen eisers 3 en 4 dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het Antennebeleid. Zo is volgens hen de voorziene locatie gelegen buiten de zonering van het Antennebeleid en wordt niet voldaan aan de algemene en locatiespecifieke uitgangspunten en de richtlijnen voor welstand. Bovendien berust volgens eisers 3 en 4 het advies van de Welstandscommissie op een onjuiste grondslag. Verder brengen eisers 3 en 4 naar voren dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar alternatieven, terwijl redelijke alternatieven voorhanden zijn waaronder sportpark De Krim, het bedrijventerrein Veertels, de omgeving nabij het tennispark en de omgeving nabij de waterzuivering. Ter onderbouwing van het voorgaande verwijzen zij naar de door hen ingebrachte contra-expertise van Pouderoyen en het hiervoor genoemde advies van Schiphorst. Eisers 3 en 4 stellen verder dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en wijzen zij op de gezondheidsrisico’s van de voorziene antennemast. Ook vrezen zij voor een waardedaling van hun woningen. Tot slot brengen eisers 3 naar voren dat het bezwaar van [eiser3F] door het college ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

Belanghebbendheid eisers

3.1

De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers 1 tot en met 4 als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb moet alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar worden gemaakt.

Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

3.2

Voor de beantwoording van de vraag of eisers 1 tot en met 4 als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt is van belang dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS, zie onder meer de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271) het uitgangspunt volgt dat degene die gevolgen van enige betekenis ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon- en leefsituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.

Het college heeft zich in de bestreden besluiten I tot en met III op het standpunt gesteld dat omwonenden die op een afstand van meer dan 400 meter van de voorziene antennemast wonen op een zodanig grote afstand wonen, dat, ondanks de hoogte en de ruimtelijke uitstraling van de antennemast, niet kan worden geoordeeld dat door de verleende omgevingsvergunning een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks wordt geraakt. Met inachtneming hiervan heeft het college bij bestreden besluit III het bezwaar van eisers 3, voor zover ingesteld door [eiser3F] , niet-ontvankelijk verklaard.

3.3

De rechtbank hanteert in dit geval als uitgangspunt dat eisers die binnen een afstand van 200 meter van de voorziene antennemast wonen doorgaans belanghebbende zijn bij de verleende omgevingsvergunning. Op die afstand acht de rechtbank het aannemelijk dat eisers gevolgen van enige betekenis ondervinden als gevolg van de komst van de antennemast. Op een afstand van meer dan 200 meter gaat de rechtbank er van uit dat de gevolgen van de antennemast in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college het bezwaar van [eiser3F] niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat [eiser3F] woonachtig was aan de [adres1] op een afstand van ongeveer 640 meter van de voorziene antennemast. Inmiddels is echter gebleken dat [eiser3F] op 23 februari 2017 – en dus voor het nemen van bestreden besluit III – is verhuisd en sinds die datum woonachtig is aan [adres2] op een afstand van ongeveer 90 meter van de voorziene antennemast. Gelet op deze afstand is de rechtbank van oordeel dat [eiser3F] belanghebbende is bij het bestreden besluit. De rechtbank ziet in hetgeen het college heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat [eiser3F] ter plaatse geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. Dit betekent dat het college het bezwaar van [eiser3F] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en bestreden besluit III in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit gebrek overigens niet aan het college worden toegerekend, nu het op de weg van [eiser3F] had gelegen om het college te informeren over de verhuizing. Het college is niet gehouden om, indien geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van een adres, een adres te controleren in de gemeentelijke basisregistratie.

Wat de overige eisers betreft blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat zij allen woonachtig zijn binnen een afstand van 200 meter van de voorziene antennemast, behoudens [eiser3H] . [eiser3H] is woonachtig aan het Hof van Tongerloo 30 te Riel op een afstand van ongeveer 225 meter van de voorziene antennemast. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan [eiser3H] toch gevolgen van enige betekenis ondervindt. Dit betekent dat [eiser3H] geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. Het college had het bezwaar van [eiser3H] dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep van eisers 3 moet daarom eveneens gegrond worden verklaard en bestreden besluit III komt ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Wettelijk kader

4.1

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit a) het bouwen van een bouwwerk en c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt – kort gezegd – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde activiteit niet voldoet aan (a) het Bouwbesluit, (b) de Bouwverordening en in strijd is met (c) het bestemmingsplan of (d) redelijke eisen van welstand.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Wabo geldt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

De hiervoor bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4, aanhef en vijfde lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komt: een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter.

4.2

Ter plaatse van de voorziene antennemast geldt op grond van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] de bestemming “Groenvoorzieningen”.

Op grond van artikel 17.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor “Groenvoorzieningen” aangewezen gronden bestemd voor:

  1. plantsoenen, groenstroken en overige aanplanten;

  2. uitritten, voet- en fietspaden;

  3. nutsvoorzieningen;

  4. bermen en bermsloten;

  5. venementen.

Op grond van artikel 17.2.1 van de planvoorschriften is bouwen uitsluitend toegestaan ten dienste van de in artikel 17.1 omschreven doeleinden met inachtneming van de volgende bepalingen:

(…).

Inhoudelijke beoordeling door de rechtbank

5. Vast staat dat het realiseren van de antennemast in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . Op grond van de bestemming “Groen-voorzieningen” is het immers niet toegestaan om ter plaatse een antennemast te realiseren.

Nu de hoogte van de voorziene antennemast 37,5 meter bedraagt is het college bevoegd om, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2 van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en vijfde lid, van bijlage II van het Bor, een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan.

Daarbij moet voorop worden gesteld dat de bevoegdheid van het college om een dergelijke omgevingsvergunning te verlenen een discretionaire bevoegdheid betreft. Gelet hierop moet het gebruik van deze bevoegdheid door de rechtbank terughoudend worden getoetst.

6.1

Het college hanteert ter zake van de toepassing van de bevoegdheid om een dergelijke omgevingsvergunning te verlenen het beleid, dat is neergelegd in het op 18 juni 2013 vastgestelde en vervolgens op 26 juni 2013 gepubliceerde “Antennebeleid”.

Op de zoneringskaart behorende bij het Antennebeleid is een zonering aangegeven waarbinnen de plaatsing van vergunningplichtige antennemasten is toegestaan. In het Antennebeleid is toegelicht dat binnen deze zonering het ‘ja-mits principe’ geldt. Dit houdt in dat plaatsing mogelijk is, mits wordt voldaan aan de in het Antennebeleid neergelegde algemene en locatiespecifieke uitgangspunten en de richtlijnen voor welstand en monumenten. Buiten deze zone geldt dat plaatsing niet is toegestaan tenzij wordt aangetoond dat binnen de aangegeven zonering geen adequate locatie en/of oplossing kan worden gevonden. Het aantonen van deze noodzaak kan worden gebaseerd op een onder-bouwing van een dekkingsprobleem, capaciteitsprobleem of onmogelijkheid tot site-sharing.

6.2

Eisers 3 en 4 hebben zich op het standpunt gesteld dat het Antennebeleid om meerdere redenen onverbindend moet worden verklaard. Als gevolg hiervan komt de rechtbank toe aan een exceptieve toetsing van het Antennebeleid.

Volgens vaste rechtspraak van de AbRS (zie onder meer de uitspraak van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:901) houdt exceptieve toetsing van een besluit van algemene strekking, in dit geval een beleidsregel, in dat het besluit onverbindend moet worden verklaard of buiten toepassing blijft indien het in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het bevoegd gezag om de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden, die bij het nemen van een besluit van algemene strekking betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft daarbij overigens ook terughoudendheid te betrachten.

De rechtbank is niet gebleken dat het Antennebeleid in strijd is met een wettelijk voorschrift of met een algemeen rechtsbeginsel. Zo is naar het oordeel van de rechtbank het Antennebeleid niet in strijd met artikel 3:11 van de Awb tot stand gekomen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat voorafgaand aan het vaststellen van het Antennebeleid het college het ontwerp van het beleid gedurende zes weken voor een ieder ter inzage heeft gelegd, overeenkomstig artikel 3:11 van de Awb. Uit de stukken blijkt dat tijdens de inzagetermijn meerdere zienswijzen zijn ingediend. Het ontwerp van het Antennebeleid is naar aanleiding van deze ingediende zienswijzen en enkele ambtshalve wijzigingen aangepast. Eén van deze ambtshalve wijzigingen betreft de aanpassing van de zoneringskaart, waarbij de zonering ter hoogte van het bedrijventerrein Veertels in Riel is aangepast zodat ook de bedrijven aan de oost- en zuidzijde binnen de zonering zijn komen te liggen. Als gevolg van deze aanpassing is een gedeelte van de groenstrook tussen het bedrijventerrein Veertels en de woongebieden van Riel binnen de zonering komen te liggen en is de zonering dus uitgebreid richting de woongebieden. Het college was echter niet gehouden om het aangepaste Antennebeleid daarom opnieuw ter inzage te leggen. Zo is het een bestuursorgaan toegestaan om een ontwerp naar aanleiding van ingediende zienswijzen of ambtshalve wijzigingen aan te passen. Bovendien is de aanpassing van de zonering ter hoogte van het bedrijventerrein Veertels naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de tekst en de uitgangspunten van het Antennebeleid. Zo is in het Antennebeleid onder meer vermeld dat nieuwe antennemasten in gevoelige gebieden, nabij de woongebieden en/of op hoge cultuur-historisch waardevolle objecten onoverkomelijk zijn om voldoende dekking te kunnen blijven realiseren. Daarnaast is in het Antennebeleid expliciet vermeld dat het is toegestaan om solitaire antennemasten van maximaal 40 meter hoog te plaatsen op het bedrijventerrein Veertels. Het college heeft voldoende onderbouwd dat de aanpassing van de zonering betrekking heeft op een gedeelte van de groenstrook die tot het bedrijventerrein Veertels kan worden gerekend. Bovendien heeft het college ter zitting toegelicht dat de zonering niet is beperkt tot perceelsgrenzen of tot bestemmingsplangrenzen. Dit blijkt ook uit de zoneringskaart, nu niet alleen bedrijfspercelen binnen de zonering zijn gelegen, maar ook de openbare ruimte, zoals de straten en in dit geval dus ook een gedeelte van de groenstrook.

6.3.1

Eisers 1 tot en met 4 hebben zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de voorziene antennemast op meerdere onderdelen in strijd is met het Antennebeleid.

6.3.2

Allereerst is in geschil of de voorziene antennemast valt binnen de bij het Antennebeleid vastgestelde zonering, waar het ‘ja-mits principe’ geldt. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de hand van de bij de stukken gevoegde zoneringskaart worden vastgesteld dat de voorziene antennemast is gelegen binnen de zonering van het Antennebeleid. De rechtbank ziet in hetgeen eisers 1 tot en met 4 hebben aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat onduidelijk is waar de exacte begrenzing van de zonering is gelegen. Op welke schaal de zoneringskaart wordt afgedrukt maakt immers verschil in de nauwkeurigheid en zichtbaarheid van de exacte begrenzing van de zonering.

6.3.3

Nu de voorziene antennemast is gelegen binnen de zonering geldt volgens het Antennebeleid het ‘ja-mits principe’. Plaatsing is mogelijk, mits wordt voldaan aan de algemene en locatiespecifieke uitgangspunten en de richtlijnen voor welstand.

Als algemene uitgangspunten is in het Antennebeleid aandacht besteed aan de looptijd van het beleid, het plaatsingsplan van providers, het behoud van bestaande vergunningplichtige installaties en antennemasten, nieuwe antennemasten, site-sharing en bereikbaarheid. Als locatiespecifieke uitgangspunten is in het Antennebeleid aandacht besteed aan hoge gebouwen, randen van de kernen, overige locaties, waardevolle natuurgebieden, woongebieden en het gebruik van gemeentegronden.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de stukken, waaronder de bij de aanvraag gevoegde onderbouwing, het primaire besluit en de bestreden besluiten I tot en met III, voldoende onderbouwd dat de voorziene antennemast voldoet aan de algemene en locatiespecifieke uitgangspunten. Zo blijkt uit deze stukken dat site-sharing op de bestaande antennemast van KPN aan de noordzijde van Riel radiotechnisch niet tot de mogelijkheden behoort als gevolg van de beoogde dekking door [belanghebbende1] . Daarnaast is in deze stukken uiteengezet dat plaatsing op een hoog gebouw, te weten de kerk in Riel, dat volgens het Antennebeleid de voorkeur geniet, in dit geval radiotechnisch niet mogelijk is. De rechtbank ziet geen redenen om aan deze conclusies te twijfelen.

6.3.4

Met betrekking tot de richtlijnen van welstand zijn in het Antennebeleid uitgangspunten geformuleerd voor het oprichten van een antennemast. Deze uitgangspunten houden onder meer in dat moet worden aangesloten bij bestaande bebouwing of (opgaande) elementen/bosschages, plaatsing zoveel mogelijk uit het zicht of zichtlijnen moet geschieden en de antennemast met bijbehorende voorzieningen in de omgeving moet worden ingepast door zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze en/of beplantingen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college de Welstandscommissie heeft verzocht om advies uit te brengen over de voorziene antennemast. Op 16 augustus 2016 heeft de Welstandscommissie de advisering aangehouden, nu de aangeleverde informatie niet toereikend was voor een gefundeerde beoordeling. Op 3 oktober 2016 heeft de Welstandscommissie vervolgens geconcludeerd dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. In het advies heeft de Welstandscommissie opgemerkt dat het wel jammer is dat de betreffende locatie ongeveer op de rand van de zonering ligt. Uit het vervolgoverleg blijkt echter dat een geschikte andere locatie binnen dit gebied niet voorhanden is. Ook is volgens de Welstandscommissie gekozen voor een plaatsing zo dicht mogelijk bij de (achterzijde van de) bedrijfsbebouwing op een zo groot mogelijke afstand van de woonbebouwing aan de [naam locatie2] .

Op grond van vaste rechtspraak van de AbRS (zie onder meer de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1383) is het uitgangspunt dat het college, hoewel het niet aan een welstandadvies gebonden is en de verantwoordelijkheid voor welstandtoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van het welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien een advies wordt overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd wordt aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de geldende criteria.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het advies van de Welstandscommissie aan het verlenen van de omgevingsvergunning ten grondslag mogen leggen. In hetgeen eisers 1 tot en met 4 hebben aangevoerd en de second opinion van Pouderoyen ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van het advies. Zo blijkt uit het advies dat aan de hand van de in het Antennebeleid opgenomen uitgangspunten voor welstand is vastgesteld dat de voorziene antennemast voldoet aan redelijke eisen van welstand. Aan de opmerking in het advies dat een andere geschikte locatie niet voorhanden is, kent de rechtbank geen doorslaggevende betekenis toe, nu de Welstandscommissie moet adviseren over het bouwplan op de betreffende locatie zoals dat door [belanghebbende1] is aangevraagd.

6.3.5.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het oprichten van de voorziene antennemast niet in strijd is met het Antennebeleid.

7. Wat betreft de alternatieven overweegt de rechtbank als volgt.

Door eisers 1 tot en met 4 zijn de volgende vier alternatieve locaties aangedragen:

  1. sportpark De Krim;

  2. bedrijventerrein De Veertels, op een locatie verder weg gelegen van de woongebieden;

  3. de omgeving nabij het tennispark;

  4. de omgeving nabij de waterzuivering.

Ter onderbouwing van deze alternatieven hebben zij onder meer gewezen op de second opinion van Pouderoyen en het hiervoor genoemde advies van Schiphorst. De second opinion gaat met name in op de ruimtelijke afwegingen voor het oprichten van de antennemast op een alternatieve locatie. Het advies van Schiphorst gaat in op de radiografische dekking van de alternatieve locaties. In dit advies is door Schiphorst geconcludeerd dat de alternatieve locaties 3 en 4 wat betreft radiografische dekking niet als gelijkwaardig alternatief kunnen worden aangemerkt, omdat deze locaties teveel overlap tonen met de andere masten van [belanghebbende1] . Met een antennemast op de alternatieve locaties 1 en 2 kunnen volgens Schiphorst de problemen met de dekking in Riel worden opgelost. Vanuit radiotechnisch oogpunt is volgens Schiphorst de voorziene locatie ideaal, omdat deze locatie het dichtst bij de dorpskern ligt. Volgens Schiphorst is echter op locaties tot 100 meter zuidelijker dan de voorziene locatie nog steeds sprake van een acceptabele dekking. Ook verder gelegen alternatieve locaties tot 200 meter afstand zijn volgens Schiphorst nog acceptabel, maar zullen wel zorgen voor een lagere internetsnelheid.

Uit vaste rechtspraak van de AbRS (zie onder meer de uitspraak van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2800) volgt dat bij de beoordeling of een omgevingsvergunning kan worden verleend, het bouwplan zoals dat is ingediend het uitgangspunt vormt. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

De rechtbank stelt vast dat het bouwplan als doel heeft om de mobiele dekking in de kern Riel te verbeteren. Wat dit doel betreft moet met eventuele alternatieven dan ook een gelijkwaardig resultaat worden bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 1 tot en met 4 niet aannemelijk gemaakt dat met de alternatieve locaties wat betreft mobiele dekking in Riel een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt. Zo hebben het college en [belanghebbende1] voldoende onderbouwd dat de voorziene locatie wat betreft verbetering van de mobiele dekking het meest gunstige resultaat heeft. Dit wordt ook door Schiphorst bevestigd, nu in zijn advies is aangegeven dat de voorziene locatie ideaal is voor de radiografische dekking. Nu de alternatieve locaties wat betreft resultaat niet gelijkwaardig zijn, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de vraag of bij de alternatieve locaties sprake is van aanmerkelijk minder bezwaren.

De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten I tot en met III op dit punt onvoldoende zijn gemotiveerd. Zo wordt in deze besluiten verwezen naar de bespreking van de aangedragen alternatieven in het verweerschrift van het college als reactie op de bezwaren van eisers 1 tot en met 4.

8. Met betrekking tot de gezondheidsrisico’s van de voorziene antennemast verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de AbRS van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2518. Daarin heeft de AbRS overwogen dat de Gezondheidsraad in het rapport "Elektromagnetische velden, jaarbericht 2008" van maart 2009 heeft vermeld dat volgens de commissie Elektromagnetische velden er geen aanwijzingen zijn dat blootstelling aan radiofrequente velden in de woonomgeving leidt tot gezondheidsproblemen. Verder is in deze uitspraak verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9796, waarin een door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening opgesteld deskundigenbericht wordt genoemd. In dat deskundigenbericht is vermeld dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Bij deze onderzoeken wordt onderscheid gemaakt tussen thermische effecten, te weten opwarming, en effecten door geïnduceerde stroom, te weten stimulering van spieren en zenuwen door elektrische stroompjes. Voor deze effecten zijn blootstellingslimieten opgesteld. Wat betreft de effecten op de korte termijn wordt in deze onderzoeken geconcludeerd dat deze niveaus in de woon- en leefomgeving zo goed als nooit voorkomen. Wat betreft de lange termijn wordt in de onderzoeken geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat radiofrequente elektromagnetische velden kanker of andere langetermijneffecten kunnen veroorzaken. Wel zijn er volgens dit bericht wetenschappelijke onzekerheden over de eventuele invloed van het gewijzigde blootstellingspatroon door het sterk toegenomen gebruik van met name mobiele telefonie en de daarmee gepaard gaande GSM- en UMTS-basisstations en over de betekenis van de rapportage van, soms ernstige, gezondheidsklachten. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat deze onzekerheden voor de rijksoverheid aanleiding zijn geweest om een onderzoeksprogramma te starten en dat de Gezondheidsraad hierover een advies heeft uitgebracht met aanbevelingen voor nader onderzoek en het opzetten van een kennis- en onderzoekscentrum. De overheid heeft echter volgens dit bericht nog geen aanleiding gezien om op grond van het voorzorgsbeginsel een lagere grenswaarde vast te stellen voor radiofrequente elektromagnetische velden. De AbRS ziet in de overgelegde stukken en hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat een bestuursorgaan het voormelde standpunt van de Gezondheidsraad niet in redelijkheid aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Dat de Gezondheidsraad te kennen heeft gegeven dat er bij radiofrequente elektromagnetische velden geen reden is het ALARA-principe niet toe te passen, laat onverlet dat de Gezondheidsraad zijn standpunt over de gevolgen van deze straling, zoals hiervoor weergegeven, niet heeft gewijzigd. Bovendien is volgens de AbRS niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is.

De rechtbank ziet in hetgeen eisers 1 tot en met 4 hebben aangevoerd geen aanleiding om inzake de gezondheidsrisico’s op dit moment een ander standpunt dan de AbRS in te nemen. Gelet op het voorgaande kan het standpunt van het college dat een terughoudend beleid ten aanzien van antennemasten wat betreft de gezondheidsrisico’s niet te rechtvaardigen is, niet als onjuist worden aangemerkt.

9. Ook in de overige door eisers 1 tot en met 4 aangevoerde gronden ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat de bestreden besluiten I tot en met III onrechtmatig zijn, onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of niet deugdelijk zijn gemotiveerd.

Zo is de rechtbank niet gebleken dat het oprichten van de voorziene antennemast in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast is met betrekking tot de gevreesde waardevermindering van belang dat bij een eventuele waardevermindering een tegemoetkoming in planschade kan worden aangevraagd op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Bovendien is de rechtbank niet gebleken dat in dit geval zich dusdanig bijzondere omstandigheden voordoen dat het college op grond van artikel 4:84 van de Awb van het Antennebeleid had moeten afwijken.

Dit betekent dat het college in redelijkheid de aangevraagde omgevingsvergunning voor het oprichten van de antennemast aan [belanghebbende1] heeft kunnen verlenen.

Conclusie

10. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de beroepen van eisers 1 en eisers 2 ongegrond moeten worden verklaard. Dit betekent dat de bestreden besluiten I en II in stand kunnen blijven. Het beroep van eisers 3 moet gegrond worden verklaard en de rechtbank zal bestreden besluit III vernietigen, voor zover daarbij het bezwaar van [eiser3H] ontvankelijk is verklaard en het bezwaar van [eiser3F] niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank zal alsnog het bezwaar van [eiser3H] niet-ontvankelijk verklaren en het bezwaar van [eiser3F] ongegrond verklaren. Tot slot moet het beroep van eisers 4 ongegrond worden verklaard.

11. Nu het beroep van eisers 3 gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers 3 te worden vergoed.

12. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eisers 3 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501, en wegingsfactor 1). De overige door eisers 3 genoemde kosten, te weten de deskundigenkosten ter hoogte van een bedrag van € 10.702,45, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit omdat het beroep van eisers 3 niet op inhoudelijke gronden gegrond is verklaard en de gemaakte deskundigenkosten enkel ter ondersteuning van de inhoudelijke beroepsgronden hebben gediend.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers 1, eisers 2 en eisers 4 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep van eisers 3 gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit III, voor zover daarbij het bezwaar van [eiser3H] ontvankelijk is verklaard en het bezwaar van [eiser3F] niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar van [eiser3H] tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk en het bezwaar van [eiser3F] tegen het primaire besluit ongegrond;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit III;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers 3 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers 3 tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.