Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4508

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
02/821229-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag op oma, verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar, TBS met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821229-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 mei 2018

in de strafzaak tegen

[verdachte 1]

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

thans gedetineerd in PPC te Den Haag

raadsvrouw mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 april 2018 waarbij de officier van justitie mr. Weijers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

hij op 20 oktober 2017, althans op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 oktober 2017 tot en met 22 oktober 2017, te Tilburg [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1934) opzettelijk van het leven heeft beroofd door meermalen met een mes in de hals en/of nek en/of borstkas, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken/snijden,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van (enig) strafba(a)r(e) feit(en), te weten: diefstal en/of afpersing van een hoeveelheid geld, al dan niet met geweld, gepleegd op voornoemd(e) tijdstip(pen) te Tilburg,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf aan dat/die feit(en) straffeloosheid en/of het bezit

van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 20 oktober 2017 te Tilburg schuldig heeft gemaakt aan doodslag op zijn oma, door haar meermalen te steken in haar hals, nek en borstkas. Zij baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte, het forensisch proces-verbaal en het tactisch dossier.

Van de ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag vordert zij vrijspraak, nu niet is vast komen te staan dat verdachte met het plegen van de doodslag het oogmerk had om aansluitend daaraan geld van haar te stelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Gezien de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen refereert de verdediging zich ten aanzien van de ten laste gelegde doodslag aan het oordeel van de rechtbank. Van de gekwalificeerde doodslag bepleit zij vrijspraak, omdat verdachte heeft verklaard dat hij niet met de intentie van diefstal naar de woning van zijn oma is gegaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 22 oktober 2017 werd [slachtoffer] (verder: het slachtoffer) door haar dochter en schoonzoon aangetroffen in de hal van haar woning in Tilburg. Zij lag op haar rechterzij in een foetushouding in een plas bloed op de grond. De schoonzoon heeft nog 112 gebeld maar constateerde tijdens het gesprek dat het slachtoffer koud en al overleden was1, 2. Het slachtoffer is de oma van verdachte.

Tijdens het forensisch sporenonderzoek werd onder de handdoek die achter de rug van het slachtoffer lag, een keukenmes met een rood/wit handvat aangetroffen. Aan de rechterzijde van de hals werd een verwonding aangetroffen van ongeveer zes centimeter. Bij het verplaatsen van het slachtoffer liep hieruit een grote hoeveelheid bloed.3

Bij sectie op het lichaam werden vier steekletsels en acht snijletsels vastgesteld, onder meer in de hals en hoog aan de borstkas, die bij leven waren ontstaan door inwerking van een uitwendig scherprandig snijdend en deels perforerend geweld zoals opgeleverd kan worden door één of meer scherprandige voorwerpen zoals een mes. Het intreden van de dood wordt verklaard door verbloeding als gevolg van één steekletsel aan de hals/nek. De drie overige steekletsels en acht snijletsels kunnen een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden door bloedverlies4.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij naar zijn oma is gegaan en hij haar met een keukenmes in haar nek heeft gestoken. Verdachte heeft hierover verklaard dat zijn oma tegen hem zei dat hij niet meer welkom was en dat hij daardoor heel erg boos is geworden, waarna hij een mes heeft gepakt en haar daarmee heeft gestoken. Nadat hij haar met het mes had gestoken heeft hij de tas van zijn oma uit haar slaapkamer gepakt en in de badkamer 40 euro uit haar portemonnee gehaald. Vervolgens is hij uit de woning vertrokken5. Over de andere aan zijn oma toegebrachte steek- en snijwonden kan hij zich niets herinneren. Hij zegt wel dat het niet anders kan zijn dat hij deze letsels moet hebben toegebracht.

Verdachte heeft de schoenen die hij op 20 oktober 2017 droeg enkele dagen later weggegooid in een prullenbak in de buurt van een opvangcentrum in de Hinthamerstraat in Den Bosch.6 Deze schoenen zijn op die plek teruggevonden7. Uit DNA-onderzoek bleek dat er sporen van verdachte op de instaprand van beide schoenen zaten. Tevens is vastgesteld dat op de linkerschoen bloed van het slachtoffer aanwezig was8.

Dader

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer meermalen met een mes in haar hals en borstkas heeft gestoken en gesneden, hetgeen dusdanig letsel heeft veroorzaakt dat zij daardoor is overleden. Weliswaar herinnert verdachte zich maar één steekbeweging, maar er zijn geen aanwijzingen dat deze door een ander zouden zijn toegebracht. Door met een keukenmes in de hals van het slachtoffer te steken, is naar het oordeel van de rechtbank het opzet op de dood een gegeven. Verdachte heeft ook zelf verklaard dat zijn oma op dat moment dood moest9.

Pleegdatum

Omtrent de pleegdatum van het steekincident overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte kan zichzelf de dag niet meer herinneren, maar wel dat hij rond 20.00 uur bij zijn oma is aangekomen10. In de middag van 20 oktober 2017 was het slachtoffer nog op bezoek geweest bij een van haar dochters.11 Diezelfde avond is door getuige [naam 3] gezien, dat er na twaalven in de woning van het slachtoffer nog licht brandde, wat ongebruikelijk was12. Op 21 oktober 2017 heeft een van de dochters van het slachtoffers meerdere malen getracht haar telefonisch te bereiken, wat niet is gelukt13. De rechtbank concludeert hieruit, dat het steekincident in de avond van 20 oktober 2017 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 20 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan doodslag op zijn oma.

Gekwalificeerde doodslag?

De vraag die tot slot beantwoord dient te worden, is of verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan zogeheten gekwalificeerde doodslag, wegens diefstal van geld na haar dood. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat verdachte zijn oma heeft gedood met het oogmerk om geld van haar weg te nemen. Op grond van het dossier en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast, dat verdachte na het doden van zijn oma geld uit haar portemonnee heeft weggenomen. Hij heeft daarover echter verklaard dat hij niet met die intentie naar zijn oma is gegaan. Hij hoopte dat zijn oma weer was afgekoeld na een eerder incident en dat hij weer welkom bij haar was. Hij hoopte dat hij wat kon eten en drinken bij haar en zichzelf kon douchen. Hij heeft zijn oma niet met het mes gestoken omdat hij haar geld afhandig wilde maken. Het idee om het geld te pakken kwam pas in hem op nadat hij haar had gedood. De rechtbank overweegt dat, hoewel verdachte zwervende was en zijn middelen uitgeput raakten, er op 20 oktober 2017 kennelijk ook geen sprake was van acute geldnood. Uit bankgegevens blijkt immers dat verdachte na de doodslag nog geld heeft opgenomen van zijn rekening. Diefstal als motief voor de doodslag acht de rechtbank daardoor minder aannemelijk. Verder kan het wegnemen van het geld niet los gezien worden van de andere door verdachte verrichte handelingen na de doodslag op zijn oma, zoals het uitblazen van de kaarsjes (terwijl hij het licht liet branden), het neerleggen van een theedoek op het slachtoffer en het openen van een flesje bier. Dergelijke handelingen in zulke bizarre omstandigheden wijzen niet direct op een doodslag gepleegd om een diefstal mogelijk of makkelijk te maken.

Gelet op de verklaring van verdachte en het ontbreken van overige aanknopingspunten daarvoor acht de rechtbank het voor een gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk niet bewezen en spreekt verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op 20 oktober 2017, althans op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 oktober 2017 tot en met 22 oktober 2017, te Tilburg [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1934) opzettelijk van het leven heeft beroofd door meermalen met een mes in de hals en/of nek en/of borstkas, althans in het lichaam van die [slachtoffer] te steken/snijden,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van (enig) strafba(a)r(e) feit(en), te weten: diefstal en/of afpersing van een hoeveelheid geld, al dan niet met geweld, gepleegd op voornoemd(e) tijdstip(pen) te Tilburg,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf aan dat/die feit(en) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Toerekeningsvatbaarheid

Over verdachte is een multidisciplinaire rapportage opgemaakt door drs. R. Thomassen, psychiater, gedateerd 31 januari 2018 en mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog, gedateerd 2 februari 2018. Beide deskundigen zijn tevens ter zitting gehoord.

Samenvattend concluderen zij beiden dat bij verdachte sprake is van een ernstige ziekelijke stoornis in de vorm van een psychotische stoornis, waarschijnlijk op basis van schizofrenie. Tevens is sprake van cannabisafhankelijkheid, hetgeen de psychotische stoornis kan hebben onderhouden en versterkt. Ten tijde van het ten laste gelegde was er sprake van een ernstige psychose waardoor er een direct en rechtstreeks verband is tussen de geconstateerde psychische problematiek van verdachte en het feit. Verdachte had weliswaar enig inzicht in het ongeoorloofde van zijn daad, maar was daarbij niet in staat om in overeenstemming met dat inzicht te handelen. Beide deskundigen adviseren dan ook verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en komt op basis hiervan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde verdachte wegens een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend. Verdachte is dus niet strafbaar en dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De maatregel

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

Op grond van de rapportages van de deskundigen en de gegeven toelichting daarop ter zitting, vordert de officier van justitie verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Vanwege de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte eist zij wel de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege aan hem op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op het feit dat verdachte geen bezwaar heeft tegen oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, sluit de verdediging zich aan bij de vordering van de officier van justitie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zijn oma gedood. Nadat hij vanwege zijn drugsgebruik en zijn gedrag door zowel zijn moeder als zijn vader de deur was gewezen, had hij enkele maanden bij zijn oma gewoond, maar ook door haar is hij uit huis gezet nadat hij haar geld afhandig had gemaakt. Verdachte voelde zich extreem gekrenkt en afgewezen doordat zijn oma op het moment dat hij weer bij haar aan de deur stond, tegen hem had gezegd, dat hij niet meer welkom bij haar was en geen familie meer was. Daardoor kon hij geen weerstand meer bieden aan de stemmen in zijn hoofd, waarvan hij naar eigen zeggen al jaren last had, die aan hem de opdracht gaven om zijn oma te doden. Met een keukenmes heeft verdachte haar onder meer in haar hals gestoken, waarna zij is doodgebloed.

Verdachte heeft hiermee onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de kinderen van zijn oma, waaronder zijn eigen moeder, en overige familieleden, wat ook duidelijk naar voren is gekomen in de slachtofferverklaringen van zijn moeder en zijn tantes. Doordat het leven van het slachtoffer haar op abrupte wijze is ontnomen, hebben de nabestaanden geen afscheid van haar kunnen nemen. Bovendien moeten zij leven met de wetenschap dat een van hun eigen familieleden - nota bene haar lievelingskleinzoon - hiervoor verantwoordelijk is. Hoe moeilijk dit is, is door zijn moeder ter zitting treffend verwoord: “Ik heb nu geen moeder meer en ik voel me geen moeder meer.”

De rechtbank stelt vast dat dit bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is.

Uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat de stoornis van verdachte aanwezig was ten tijde van het bewezenverklaarde en dat deze verdachte zodanig heeft beïnvloed in zijn gedrag en keuzes dat zijn handelingen daaruit verklaard kunnen worden. Het vereiste causale verband tussen de daad en de stoornissen is dan ook aanwezig.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat als verdachte niet wordt behandeld en begeleid. Gebleken is dat de psychotische belevingen toenemen, waarbij verdachte in staat wordt geacht over te gaan tot extreem gewelddadig gedrag. Extra risicovol is dat agressief gedrag van verdachte op basis van uiterlijk, oppervlakkige uitingen en gedragingen niet wordt verwacht.

Beide deskundigen concluderen dat het noodzakelijk is dat verdachte binnen een gedwongen kader wordt behandeld. Zij hebben opname in een psychiatrisch ziekenhuis en een tbs onder voorwaarden overwogen, maar zij zijn beiden tot de conclusie gekomen dat deze maatregelen niet toereikend zijn. De aard van de stoornis vereist een langdurige en intensieve behandeling. Eveneens brengt de aard van de psychische problematiek mee dat verdachte niet in staat is zich aan voorwaarden te houden. De psychiater en de psycholoog adviseren daarom om een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel, dat gelet op het voorgaande en op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel vereist. De rechtbank is verder van oordeel dat gezien de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte daardoor voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk is. De rechtbank legt aan verdachte dan ook de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op.

Nu de tbs-maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, kan deze langer dan vier jaar duren.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert ten aanzien van het ten laste gelegde feit een schadevergoeding van € 1.934,60 wegens daardoor geleden materiële schade, namelijk de kosten van de lijkbezorging.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van € 1.934,60 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] € 1.934,60 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 29 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Breeman, voorzitter, mr. Goossens en mr. Van der Burgh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 mei 2018.

Mr. Van der Burgh is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB4R017092 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 459 (proces-verbaal I)
of een pagina van het proces-verbaal forensische opsporing met BVH-nummer 2017255543 van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 232 (proces-verbaal II)
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] proces-verbaal I, p. 29

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , proces-verbaal I, p. 61.

3 Het proces-verbaal onderzoek PD slachtoffer, proces-verbaal II, p. 14-16.

4 Het geschrift te weten het rapport van het NFI betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 10 april 2018.

5 De ter terechtzitting van 17 april 2018 afgelegde verklaring van verdachte.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, proces-verbaal I p. 307-308, 310-311.

7 Proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaal I, p. 139.

8 Het geschrift te weten het rapport van het NFI betreffende onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Tilburg d.d. 12 februari 2018, proces-verbaal II, p. 206 en 207.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, proces-verbaal I p. 302.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, proces-verbaal I p. 301.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaal I p. 197.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] , proces-verbaal I p. 125.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaal I p. 198.