Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4493

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
02/346674 HA RK 18-131
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/346674 HA RK 18-131

Beslissing van 20 juli 2018 inzake de wrakingsverzoeken ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker 1] ,

wonende [adres en woonplaats]

en

[verzoeker 2] ,

wonende [adres en woonplaats 2]

verzoekers.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van de politierechter van 26 juni 2018, met daarin opgenomen de door verzoekers mondeling gedane verzoeken tot wraking;

  • -

    de door de politierechter aan de wrakingkamer toegezonden schriftelijke reactie op de wrakingsverzoeken;

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaken;

  • -

    de behandeling van de wrakingsverzoeken door de wrakingskamer ter zitting van 13 juli 2018, waarbij aanwezig waren: verzoekers en de officier van justitie, [officier van justitie] .

Bij fax van 10 juli 2018 heeft [verzoeker 1] de voorzitter van de wrakingskamer verzocht om zich te verschonen. Ter zitting van 13 juli 2018 heeft de voorzitter van de wrakingskamer uiteengezet dat en waarom hij hiertoe geen reden ziet.

2 De verzoeken

2.1.

De verzoeken strekken tot wraking van [gewraakte rechter] , optredend als politierechter, in de zaken met parketnummers [parketnummers] (hierna: de hoofdzaken) op de gronden die verzoekers hebben uiteengezet in hun wrakingsverzoeken.

2.2.

Blijkens zijn hiervoor genoemde schriftelijke reactie, berust de politierechter niet in de verzoeken tot wraking.

3 Feiten

In de hoofdzaken worden verzoekers verdacht van overtreding van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, het wederrechtelijk vertoeven op een besloten erf, te weten [naam] in [vestigingsplaats] .

4 Standpunten partijen

4.1.

Verzoekers hebben aangevoerd, kort weergegeven, dat zij geen vertrouwen hebben in de onpartijdigheid van de politierechter omdat:

  • -

    zij in de houding van de politierechter ter zitting van 26 juni 2018 een gebrek aan verontwaardiging hebben gezien over de gang van zaken op [naam] . Elke kritische houding richting het Openbaar Ministerie ontbreekt bij de politierechter;

  • -

    verzoekers ter zitting van 26 juni 2018 niets hebben gehoord over de RIEC-stukken die zij hebben ingediend;

  • -

    de politierechter aanwezig was bij een besloten bijeenkomst waar alle deelnemers die betrokken waren bij sluiting van de [naam] ook aanwezig waren. Daar is besproken wat men over en weer kan betekenen bij ondermijning.

Ter zitting hebben zij hieraan toegevoegd dat de derde wrakingsgrond het belangrijkst is en dat de beide andere gronden in het licht van de derde wrakingsgrond moeten worden bezien. Volgens verzoekers is er een direct verband tussen de bijeenkomst op 7 juni 2017 en de aankondiging van de sluiting van [naam] twee dagen daarna.

4.2.

De politierechter heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat hij niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt omdat:

  • -

    de feitelijke constatering dat hij tijdens de zitting van 26 juni 2018 geen verontwaardiging heeft getoond juist is, maar dat het hem in het kader van de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet past om, in ieder geval voorafgaand aan het doen van uitspraak, verontwaardiging te tonen over de positie van het OM dan wel verdachte;

  • -

    zich in het digitale dossier van verdachte [verzoeker 2] enkele stukken bevinden die mede betrekking hebben op een RIEC-overleg. Dat het klopt dat hij bij de behandeling ter zitting niet is ingegaan op deze stukken. Dat bij die stukken geen begeleidend schrijven/toelichting zit. Dat verdachte [verzoeker 2] bij de bespreking van de feiten ter zitting evenmin aandacht heeft gevraagd voor deze stukken en dat hij gelet hierop ook geen aanleiding heeft gezien die stukken te berde te brengen ter zitting. In het procesdossier van verdachte [verzoeker 1] ziet hij de betreffende stukken niet terug, zodat het reeds om die reden niet vreemd is dat hij in die zaak niet over de stukken is begonnen;

  • -

    hij ter zitting van 26 juni 2018 al heeft aangegeven dat hij vorig jaar op een bijeenkomst is geweest met collega-rechters, afgevaardigden van het openbaar ministerie en de advocatuur en burgemeesters. Hij herinnert zich dat die bijeenkomst als thema ondermijning had, maar niet dat daar is gesproken over [naam] , althans niet in zijn bijzijn.

4.3.

De Officier van Justitie heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de politierechter niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt omdat:

  • -

    een gebrek aan verontwaardiging richting één der partijen tijdens de zitting juist past bij rechterlijke onpartijdigheid;

  • -

    in de pleitnota van verdachten niet aan het RIEC-stuk is gerefereerd, maar dat RIEC als zodanig wel ter zitting ter sprake is gekomen en het stuk in het dossier zat, zodat het stuk ter kennis van de politierechter zal zijn gekomen;

  • -

    de enkele aanwezigheid van de politierechter bij een dergelijke bijeenkomst niet in de weg staat aan een onpartijdig oordeel.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer duidt het niet tonen van verontwaardiging richting één der partijen ter terechtzitting, voorafgaand aan het doen van uitspraak, juist op onpartijdigheid van de politierechter. Pas als de rechter uitspraak doet, maakt hij zijn visie op de gang van zaken bekend en voordien is hij – zonder blijk te geven van enig (waarde-) oordeel – bezig met het vaststellen van de feiten en met de persoonlijke omstandigheden van verdachten.

5.4.

Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond stelt de wrakingskamer voorop dat verzoekers niet hebben geconcretiseerd wat de politierechter naar hun mening over de stukken met betrekking tot het RIEC-overleg had moeten opmerken. De wrakingskamer overweegt dat de enkele omstandigheid dat de politierechter stukken die in het dossier zitten niet ter zitting expliciet benoemt, niet meebrengt dat een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestaat. Temeer nu verzoekers de stukken ter terechtzitting ook zelf hadden kunnen benoemen en zij hiertoe kennelijk geen aanleiding hebben gezien.

5.5.

Ten aanzien van de derde wrakingsgrond stelt de wrakingskamer vast dat er op 7 juni 2017 een bijeenkomst heeft plaatsgevonden met als thema ondermijning. Daarbij waren, voor zover bij de wrakingskamer bekend, aanwezig burgemeesters, ambtenaren van de politie en het Openbaar Ministerie, advocaten en rechters, waaronder ook de politierechter.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is een zakelijk contact van een rechter met andere professionele partijen uit het eigen arrondissement op zichzelf geen reden om (een schijn van) partijdigheid bij de rechter aan te nemen. De enkele aanwezigheid van de politierechter op de bijeenkomst van 7 juni 2017 leidt niet in zijn algemeenheid tot gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter.

Verzoekers zien echter een verband tussen deze bijeenkomst en de aangekondigde sluiting van [naam] twee dagen daarna. Daarover overweegt de wrakingskamer dat verzoekers niet weten wat er tijdens de bijeenkomst is besproken en dat de politierechter zich niet kan herinneren dat daar is gesproken over [naam] , althans in zijn bijzijn. Hierdoor kan de wrakingskamer – nu er geen reden bestaat om te twijfelen aan de herinnering van de politierechter – niet vaststellen dat er enig verband is tussen de bijeenkomst en de aankondiging van de sluiting van [naam] twee dagen daarna. Er is dus geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de politierechter in de hoofdzaken.

De eerste twee wrakingsgronden in het licht van de derde wrakingsgrond bezien, leiden niet tot een ander oordeel.

5.6.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoekers bestaande vrees dat de politierechter ten aanzien van hen vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.

5.7.

Dit alles leidt ertoe dat de wrakingsverzoeken moeten worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst de verzoeken tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaken met parketnummers: [parketnummers] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van de schorsing wegens de indiening van deze verzoeken.

Deze beslissing is gegeven op 20 juli 2018, door mr. Breeman, mr. van der Lende-Mulder Smit en mr. Pellikaan, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.