Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4492

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
02/346375 / HA RK 18-122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Middelburg

Procedurenummer: 02/346375 / HA RK 18-122

Beslissing van 11 juli 2018 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), van:

de besloten vennootschap [verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats]

verder te noemen verzoekster.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het op 19 juni 2018 van verzoekster ingekomen wrakingsverzoek, gericht tegen [gewraakte rechter] , kantonrechter en belast met de behandeling van na te noemen zaak;

  • -

    de van [gewraakte rechter] ingekomen schriftelijke reactie d.d. 2 juli 2018 op dit verzoek;

  • -

    de processtukken, zoals opgenomen in het procesdossier van de hierna te noemen zaak,

  • -

    de brief van [gemachtigde] , gemachtigde van [gedaagde] , gedaagde partij in na te noemen procedure, waarin hij laat weten dat hij en zijn cliënte niet zullen verschijnen, en

  • -

    de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 10 juli 2018, waarbij is verschenen namens verzoekster [naam] , directeur-groot aandeelhouder (dga) van verzoekster. [gewraakte rechter] , ofschoon daartoe uitgenodigd, is met bericht van verhindering niet verschenen.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van [gewraakte rechter] voornoemd, in zijn hoedanigheid van kantonrechter, belast met de behandeling van de zaak van verzoekster als eiseres tegen [gedaagde] , als gedaagde, procedurenummer [procedurenummer] .

2.2.

Blijkens de van hem ingekomen schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek berust [gewraakte rechter] , verder te noemen de kantonrechter, niet in het verzoek tot zijn wraking. De kantonrechter stelt zich daarin -kort samengevat- op het standpunt dat de verzoekster aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegde verwijten geen steun vinden in zijn “optreden” op 28 mei 2018 tijdens de ten overstaan van hem gehouden comparitie van partijen.

3 De feiten

3.1.

In de hiervoor genoemde zaak vordert verzoekster veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een geldsom van € 14.750,00 uit hoofde van een geldleningsovereenkomst, vermeerderd met contractuele rente. [gedaagde] voert daartegen verweer en heeft bij incident de kantonrechter verzocht zich onbevoegd te verklaren.

3.2.

Bij vonnis van 4 april 2018 heeft de kantonrechter (een andere dan [gewraakte rechter] ) de incidentele vordering van [gedaagde] afgewezen en is in de hoofdzaak een comparitie van partijen gelast.

3.3.

Deze comparitie heeft plaatsgevonden ten overstaan van de kantonrechter op 28 mei 2018, waarbij partijen met hun gemachtigden zijn verschenen. Na het sluiten van de comparitie heeft de kantonrechter de zaak voor vonnis verwezen naar de rol van 27 juni 2018.

3.4.

In zijn op 19 juni 2018 bij de rechtbank ingekomen wrakingsverzoek stelt verzoekster, bij monde van haar dga [naam] -kort zakelijk samengevat- dat de kantonrechter tijdens de comparitiezitting haar recht op hoor en wederhoor heeft geschonden. Zo werd haar dga [naam] door de kantonrechter herhaalde malen aangevallen en afgekapt op het moment dat hij belangrijke zaken aan de orde wilde stellen, kreeg hij geen gelegenheid om bewijs te mogen tonen voor de ongeldigheid van een door [gedaagde] ingebracht document en evenmin om andere belangrijke facetten aan de orde te stellen, werd hem onthouden verweer te bieden tegen een aperte leugen van [gedaagde] en werd door de kantonrechter de zaak behandeld als een herhaling van zijn met [gedaagde] eerder gevoerde echtscheidingsprocedure.

4 De beoordeling en de gronden daarvoor

4.5.

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hun - onder meer ingevolge artikel 6 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - toekomende recht op rechterlijke onpartijdigheid af te dwingen.

4.6.

Ingevolge artikel 36 Rv in relatie tot artikel 37 Rv dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten en of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan verzoeker bekend zijn geworden.

4.7.

Alvorens de wrakingskamer kan toekomen aan de beoordeling van de vraag of vrees voor vooringenomenheid van de rechter onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geacht kan worden, dient in verband met de ontvankelijkheid te worden bezien of het verzoek tijdig is ingediend.

4.8.

In dat kader is van belang dat verzoekster de gronden van haar wrakingsverzoek baseert op het verloop van de comparitiezitting van 28 mei 2018. Ofschoon dan ook de feiten en omstandigheden die voor verzoekster reden hebben gegeven voor het doen van haar wrakingsverzoek haar al op 28 mei 2018 bekend waren, is het wrakingsverzoek eerst op 19 juni 2018 ingekomen. Van een reden om het verzoek zo laat in te dienen is niet gebleken. De namens verzoekster bij behandeling van het wrakingsverzoek desgevraagd aangevoerde reden, dat haar dga de tijd heeft willen nemen om tot een weloverwogen wrakingsverzoek te komen, maakt die late indiening niet verschoonbaar. De daarvoor gebezigde tijdsduur van bijna 3 weken is daarvoor, bezien in het licht van het hiervoor onder 4.6. genoemd wettelijk voorschrift, buitensporig lang.

4.9.

Vastgesteld moet dan ook worden dat verzoekster niet heeft voldaan aan de hiervoor onder 4.6. genoemde voorwaarde. Dit moet ertoe leiden dat verzoekster niet in haar wrakingsverzoek kan worden ontvangen en dat aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek niet kan worden toegekomen.

5 De beslissing

De rechtbank

verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;

bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer [procedurenummer] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 11 juli 2018 door mrs. Poerink, Peters en van der Lende-Mulder Smit, in tegenwoordigheid van de Jong, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

--