Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:4091

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
05-05-2019
Zaaknummer
BRE - 16 _ 4747 en 16_4748
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV;

In geschil is de boxkwalificatie van vergoedingen die door belanghebbende van een BV zijn ontvangen in verband met een door hem aan die BV verstrekte winstdelende lening. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende moet worden aangemerkt als feitelijk houder van 100% van het economisch belang in de BV. Het verstrekken van de lening aan de BV moet dan worden aangemerkt als het rendabel maken van vermogensbestanddelen in de zin van art. 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB. De vergoedingen zijn daarom door de inspecteur terecht in box 1 belast als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Wet inkomstenbelasting 2001 2.14
Wet inkomstenbelasting 2001 3.90
Wet inkomstenbelasting 2001 3.92
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-05-2019
FutD 2019-1270 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2019/1095
V-N 2019/30.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/4747 en 16/4748

uitspraak van 11 juli 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming,

derde-belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.099.436 en een conform de aangifte vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.200 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.97). Tegelijkertijd is een bedrag van € 326.964 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Over het jaar 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.093.674 en een conform de aangifte vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 236.000 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.07). Tegelijkertijd is een bedrag van € 329.861 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 22 juni 2016 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag 2010 gehandhaafd.

1.3.

In een brief van de inspecteur van 22 juni 2016 is de gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2009 gemotiveerd en aangegeven dat de nog te ontvangen uitspraak op bezwaar inzake die aanslag voor beroep vatbaar is. Bij brief van 5 juli 2016 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij die dag de uitspraak op bezwaar administratief heeft verwerkt en dat die uitspraak ten onrechte zal vermelden dat dit document een niet voor beroep vatbare vermindering betreft.

1.4.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 20 juli 2016 beroep ingesteld met betrekking tot beide navorderingsaanslagen. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 46. Aan het beroep betreffende de navorderingsaanslag 2009 is zaaknummer BRE 16/4747 toegekend; aan het beroep betreffende de navorderingsaanslag 2010 zaaknummer BRE 16/4748.

1.5.

Bij verminderingsbeschikking van 4 augustus 2016 is de navorderingsaanslag 2009 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.947.399 en een (ongewijzigd) belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.200 en is de beschikking heffingsrente verminderd tot € 153.106.

1.6.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 24 augustus 2016 aangegeven dat dit faxbericht, indien en voor zover noodzakelijk, geldt als een beroepschrift tegen de in 1.5 genoemde verminderingsbeschikking. Het faxbericht is als processtuk toegevoegd aan het procesdossier van de onder 1.4 bedoelde beroepen. Aan het faxbericht is geen zaaknummer toegekend en heffing van griffierecht is achterwege gelaten.

1.7.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.8.

De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2018 te Breda. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1.10.

Bij brief van 29 mei 2018 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat de termijn van de uitspraak met zes weken is verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is directeur van en enig aandeelhouder in [A BV] (hierna: [A BV] ). Deze vennootschap is indirect 80% aandeelhouder in [B BV] (hierna: [B BV] ).

2.2.

In 2004 had [B BV] een bouwterrein, ook wel “ [kavel] ” genoemd, in eigendom. [B BV] en [C NV] zijn in 2004 met elkaar in onderhandeling getreden omdat [C NV] onder meer dit bouwterrein wilde aanwenden voor de bouw van een nieuw kantoorpand voor [C NV] (hierna: het pand).

2.3.

De ontwikkeling van het kantoorpand is ondergebracht in [C II BV] (hierna: [C II BV] ). Daarbij is overeengekomen dat [B BV] een 30%-belang zal krijgen in [C II BV] en dat [C II Holding BV] (hierna: [C II Holding BV] ) 70% van de aandelen in [C II BV] zal houden.

2.4.

Op 20 april 2004 is een raamovereenkomst gesloten tussen onder meer [C NV] , [C II BV] en [B BV] . Daarbij is onder meer overeengekomen dat:

  • -

    [C II BV] het pand zal ontwikkelen;

  • -

    [B BV] de [kavel] zal verkopen aan [C II BV] ;

  • -

    [B BV] zal optreden als gedelegeerd ontwikkelaar en daarvoor een ontwikkelingsfee zal ontvangen;

  • -

    het pand uiterlijk na realisatie zal worden overgedragen aan een belegger en dat de daaruit voortvloeiende winst zal worden verdeeld in 30% voor [B BV] en 70% voor [C II Holding BV] .

2.5.

In de periode 22 juli 2005 tot en met 19 september 2005 vinden de in 2.6 vermelde handelingen plaats die in de situatie resulteren zoals in onderstaand schema weergegeven:

[schema]

2.6.

Bovenstaande situatie is als volgt tot stand gekomen:

2.6.1.

Op 22 juli 2005 is [Stichting E] (hierna: [Stichting E] ) opgericht. In de oprichtingsakte staat [D] als oprichter en bestuurder van [Stichting E] vermeld.

2.6.2.

Op 6 september 2005 is [F BV] (hierna: [F BV] ) door [Stichting E] opgericht. De bestuurder van [F BV] is [A BV] .

2.6.3.

Op 19 september 2005 is door [A BV] een lening van € 18.000 verstrekt aan [Vereniging G] die in 2009 is opgegaan in de [Stichting H] (hierna: de [Stichting H] ). De voorwaarden voor de verstrekking van deze lening zijn onder meer dat de leensom uitsluitend mag worden gebruikt ter volstorting van de te certificeren aandelen van [F BV] en dat [A BV] het pandrecht op deze certificaten krijgt.

2.6.4.

Eveneens op 19 september 2005 is het economisch belang van [B BV] in [C II BV] overgedragen:

  • -

    aan [I BV] (14,25%);

  • -

    aan [D] , [J] en [K] (in totaal 3,15%);

- aan belanghebbende, zijn zoon [L] en zijn dochter [M] (in totaal 12,6 %).

2.6.5.

Vervolgens is op 19 september 2005 het economisch belang van 12,6% in [B BV] van belanghebbende en zijn kinderen overgedragen aan [F BV] . Hun vordering op [F BV] in verband met deze overdracht is omgezet in een vordering uit geldlening ter grootte van de koopprijs. De voorwaarden voor deze geldlening zijn onder meer:

  • -

    de lening heeft een looptijd van 9 jaar en 11 maanden;

  • -

    er is geen verplichting tot aflossing, tenzij de juridische gerechtigdheid wordt vervreemd;

  • -

    er zal een winstafhankelijke vergoeding worden betaald, in die zin dat de winst van [F BV] voor 85,4% aan belanghebbende toekomt, 6,8% aan ieder van zijn kinderen en 1% aan de [Stichting H] ;

  • -

    tot zekerheid voor de lening wordt door [Stichting E] pandrecht op haar aandelen in [F BV] verleend aan belanghebbende en zijn kinderen.

2.7.

[F BV] heeft in 2009 een bedrag van € 2.596.160 en in 2010 (per saldo) een bedrag van € 4.037.223 betaald aan belanghebbende.

2.8.

In 2010 heeft [F BV] een bedrag van € 71.025 betaald aan de [Stichting H] die dit bedrag als gift heeft verantwoord in haar boekhouding.

2.9.

Belanghebbende heeft de vordering uit hoofde van de winstdelende lening aan [F BV] (zie 2.6.5) in zijn aangiften IB/PVV over 2009 en 2010 aangegeven als bezitting behorende tot de rendementsgrondslag van box 3.

2.10.

De FIOD en de Belastingdienst hebben (strafrechtelijke) onderzoeken gedaan naar de gang van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van het pand. Bij deze onderzoeken zijn onder meer [B BV] , [F BV] , de [Stichting H] , [Stichting E] en [C II BV] betrokken.

2.11.

De inspecteur heeft naar aanleiding van de in 2.10 genoemde onderzoeken bij de navorderingsaanslagen 2009 en 2010 het aangegeven belastbare inkomen in box 1 gecorrigeerd in die zin dat de ontvangen bedragen met betrekking tot de winstdelende lening (zie 2.6.5) zijn aangemerkt als belastbare inkomsten uit overige werkzaamheden.

2.12.

Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur zijn standpunt gehandhaafd dat de in 2.11 genoemde ontvangsten moeten worden belast in box 1. Wel heeft hij met betrekking tot de navorderingsaanslag 2009 hiervoor een lager bedrag in aanmerking genomen en de navorderingsaanslag dienovereenkomstig verminderd. Daarbij is aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend van € 1.230.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de boxkwalificatie van de bedragen die door belanghebbende in 2009 en 2010 in verband met de winstdelende lening van [F BV] zijn ontvangen.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de in 3.1 bedoelde bedragen moeten worden belast in box 3. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze bedragen moeten worden belast in box 1 (primair standpunt), dan wel in box 2 (subsidiair standpunt). Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de navorderingsaanslagen. De inspecteur concludeert (primair) tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: ontvankelijkheid van het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag 2009

4.1.

Anders dan belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat de motivering van de uitspraak op bezwaar van 22 juni 2016 (zie 1.3) niet is aan te merken als de uitspraak op bezwaar, nu daarin is aangekondigd dat de uitspraak op bezwaar inzake 2009 nog afzonderlijk aan belanghebbende zal worden toegezonden. De rechtbank heeft, mede gelet op de brief van 5 juli 2016 van de inspecteur (zie eveneens 1.3), de verminderingsbeschikking van 4 augustus 2016 (zie 1.5) aangemerkt als uitspraak op bezwaar. Niet-ontvankelijkheid van het beroep betreffende de navorderingsaanslag 2009 is niet aan de orde. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.1.1.

Op grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb is een voortijdig ingediend beroep ontvankelijk indien de uitspraak op bezwaar ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Naar het oordeel van de rechtbank doet die situatie zich hier voor, nu in de brief van 5 juli 2016 is vermeld dat op die dag de uitspraak op bezwaar administratief is verwerkt en welke foutieve tekst op die uitspraak zal staan. Deze uitlatingen wekken de indruk dat de inspecteur op dat moment bekend was met de inhoud van de uitspraak op bezwaar van 4 augustus 2016 waardoor belanghebbende in ieder geval redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak op bezwaar toen reeds tot stand was gekomen.

4.1.2.

Ook met voorbijgaan aan voornoemd oordeel is sprake van een ontvankelijk beroep betreffende de navorderingsaanslag 2009 nu het faxbericht van belanghebbende van 24 augustus 2016 (zie 1.6) is aan te merken als ingediend beroep tegen de verminderingsbeschikking zijnde de uitspraak op bezwaar (zie 4.1). Het beroep is dan tijdig ingediend en daarom ontvankelijk.

Inhoudelijk

4.2.

Gelet op de rangorderegeling van artikel 2.14 van de Wet IB 2001 zal de rechtbank beginnen met de behandeling van de vraag of de door belanghebbende van [F BV] ontvangen bedragen dienen te worden belast in box 1. Om redenen van proceseconomie zal daarbij eerst de stelling van de inspecteur worden beoordeeld dat sprake is van een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden op grond van artikel 3.90 in verbinding met artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001.

4.3.

Op grond van artikel 3.90 van de Wet IB 2001 wordt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden aangemerkt het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling. In artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 is, voor zover hier van belang, bepaald dat onder een werkzaamheid mede wordt verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Om de door belanghebbende ontvangen bedragen als zodanig te kunnen kwalificeren, dient eerst de vraag beantwoord te worden wie feitelijk eigenaar is van de certificaten in [Stichting E] .

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is de [Stichting H] slechts op papier (‘formeel’) certificaathouder en worden de certificaten in [Stichting E] voor rekening en risico van belanghebbende gehouden. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen:

4.4.1.

De [Stichting H] heeft tot zekerheid van de aan haar verstrekte lening het pandrecht op de certificaten in [Stichting E] aan [A BV] verleend. De [Stichting H] mag de certificaten niet aan derden verkopen.

4.4.2.

Tot zekerheid van de lening aan [F BV] is aan belanghebbende en zijn kinderen het pandrecht op de aandelen in [F BV] verleend. [Stichting E] is niet bevoegd de aandelen in [F BV] aan derden te verkopen.

4.4.3.

[F BV] heeft geen medewerking verleend aan de certificering van de aandelen, waardoor de [Stichting H] als certificaathouder geen ‘certificaathoudersrechten’ heeft, zoals het recht om vergaderingen bij te wonen.

4.4.4.

Tijdens de in 2.10 genoemde strafrechtelijke onderzoeken is een aantal pagina’s in beslag genomen met daarop onder meer kladaantekeningen van een gesprek op 8 juli 2005 tussen, onder anderen, belanghebbende en zijn toenmalige adviseur [adviseur] met betrekking tot de op te zetten structuur (zie 2.5). Uit deze kladaantekeningen is af te leiden dat belanghebbende en zijn adviseur bewust de bovenstaande beperkingen hebben willen bewerkstelligen. Zo staat er onder meer vermeld:

“Voorwaardelijk pandrecht op aandelen t.b.v. winstd. leningen, dan altijd wijziging mogelijk als het mis gaat”

(…)

“Certificering (…) zonder medewerking uitgeven, dan hebben de cert.houders geen zeggenschap”

(…)

“Voorkomen dat de [Stichting H] [rechtbank: hiermee wordt bedoeld de [Stichting H] ] cert. kan verkopen: niet overdraagbaar maken, [Stichting E] moet terugkopen”

4.4.5.

Tijdens het in 4.4.4 genoemde gesprek heeft belanghebbende voorgesteld om [D] als bestuurder aan te stellen van [Stichting E] met de zwager van belanghebbende als tweede bestuurder. Voormelde [D] is als enig bestuurder aangesteld. Verder is tijdens onderzoek gebleken dat de administratie van [Stichting E] wordt bewaard op het kantoor van [A BV] te [woonplaats] . Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende (in)direct invloed heeft op het bestuur van [Stichting E] .

4.4.6.

In een e-mail van 3 februari 2013 aan de [Stichting H] heeft [N] , één van de personen die namens (thans) de [Stichting H] de in 2.6.3 genoemde afspraken hebben gemaakt, verklaard dat het volgens hem om een constructie ging die voor onder andere belanghebbende een fiscaal voordeel zou betekenen en een schenking zou opleveren voor de [Stichting H] . Daarbij zou, zodra het pand zou worden verkocht, [B BV] deze schenking doen aan de [Stichting H] . Ook heeft [N] verklaard dat hij met belanghebbende zelf een bespreking heeft gehad over de vraag of het percentage van 1% van de met de verkoop van het pand behaalde winst dat de [Stichting H] zou ontvangen nog verhoogd kon worden naar 2% en dat belanghebbende daar niet toe bereid was.

4.4.7.

Tijdens een gesprek met de inspecteur op 12 februari 2013 hebben de algemeen directeur en een lid van de Raad van Toezicht van de [Stichting H] verklaard dat zij tot het moment van het onderzoek van de Belastingdienst niet wisten dat de [Stichting H] certificaathouder was van [Stichting E] . Zij wisten enkel dat de [Stichting H] een gift had ontvangen van 1% van de winst van de verkoop van het pand. Voornoemd lid van de Raad van Toezicht heeft hierover in dat gesprek opgemerkt: “We hebben het nooit anders beschouwd als een gewone gift. Het idee dat hier sprake zou zijn van een 'giftige' constructie is nooit bij ons opgekomen.” Zoals overwogen in 2.8 heeft de [Stichting H] het door haar ontvangen bedrag ook als gift verantwoord.

4.4.8.

Uit dit alles leidt de rechtbank af dat het zowel belanghebbende als de [Stichting H] enkel te doen was om het doen respectievelijk ontvangen van een gift en dat het houden van de certificaten door de [Stichting H] verder voor haar geen betekenis had. Middels het hele palet aan overeenkomsten is de [Stichting H] vleugellam gemaakt waardoor zij op geen enkel moment in staat is geweest om aan haar certificaathouderschap enige invulling van praktische betekenis te kunnen geven, deze is dan ook niet gegeven.

4.5.

Gelet op het geheel van het overwogene in 4.4, is de rechtbank van oordeel dat niet de [Stichting H] maar belanghebbende zelf moet worden aangemerkt als degene die (via [A BV] ) feitelijk houder is van 100% van het economisch belang in [F BV] (vgl. HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4102, BNB 2013/42). Het verstrekken van de lening door belanghebbende aan [F BV] moet dan worden aangemerkt als het rendabel maken van vermogensbestanddelen die ter beschikking zijn gesteld aan een vennootschap waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft (artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001). De vergoedingen op de lening zijn dan aan te merken als een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB 2001.

4.6.

Belanghebbende heeft voor het geval de rechtbank tot de in 4.5 genoemde conclusie zou komen, nog aangevoerd dat sprake is van fraus legis aan de zijde van de inspecteur. Daartoe voert belanghebbende aan dat de inspecteur in zijn conclusie van dupliek heeft erkend dat de winst van [C II BV] is gecorrigeerd, waarbij de bedragen die (uiteindelijk) bij belanghebbende in box 1 worden belast, bij de rechtspersoon niet in aftrek zijn toegelaten. Dat is volgens belanghebbende in strijd met doel en strekking van het boxensysteem van de Wet IB 2001.

De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag hoe de bedragen bij de rechtspersoon in de vennootschapsbelasting zijn betrokken, los staat van de beoordeling hoe deze bij belanghebbende dienen te worden belast in de inkomstenbelasting. Zie ook de arresten HR 18 april 2003, BNB 2003/268 en HR 12 september 2003, BNB 2004/111 waarin tot uitdrukking is gebracht dat het de inspecteur is toegestaan ter zake van hetzelfde feitencomplex bij de ene belastingplichtige een andersluidende of zelfs tegenovergestelde stelling te betrekken dan de opvatting die hij jegens een andere belastingplichtige huldigt. De handelwijze van de inspecteur kan daarom niet worden gekwalificeerd als fraus legis.

4.7.

Gelet op het voorgaande en de rangorderegeling van artikel 2.14 van de Wet IB 2001 zijn de door belanghebbende in 2009 en 2010 van [F BV] ontvangen bedragen bij de navorderingsaanslagen terecht belast in box 1. Voor dat geval is niet in geschil dat de navorderingsaanslagen na uitspraken op bezwaar tot de juiste hoogte zijn vastgesteld.

Vergoeding van immateriële schade

4.8.

De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen aan als samenhangende zaken waarin éénmaal spanning en frustratie is geleden. Het eerste bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 14 januari 2015. Dit betekent dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn van 2 jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep in eerste feitelijke aanleg is verstreken met (afgerond) 17 maanden. Van bijzondere omstandigheden, waardoor van de hoofdregel van een redelijke termijn van 2 jaar zou moeten worden afgeweken, is niet gebleken. Voor de berekening van de schadevergoeding wordt een tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Belanghebbende heeft daarom recht op een vergoeding van 3 x € 500 = € 1.500.

4.9.

De bezwaarfase heeft geduurd van 14 januari 2015 tot 22 juni 2016 of afgerond 17 maanden. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is dan ruim 11 maanden (17 maanden - 6 maanden) en de vergoeding over de bezwaarfase bedraagt dan 11/17 x € 1.500 = afgerond € 971, te betalen door de inspecteur. Het restant van € 529 (€ 1.500 minus € 971) dient dan te worden toegerekend aan de Minister voor Rechtsbescherming. De Minister is daarom in zoverre mede aangemerkt als partij in dit geding.

Conclusie

4.10.

Gelet op het overwogene in 4.7 zijn de beroepen ongegrond. De toekenning van de vergoeding van immateriële schade maakt dat niet anders.

5 Vergoeding proceskosten en griffierecht

5.1.

Voor de toekenning van een integrale proceskostenvergoeding, zoals belanghebbende heeft verzocht, is geen aanleiding, aangezien de beroepen ongegrond zijn en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur (overigens) in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.

5.2.

Wel ziet de rechtbank in de omstandigheid dat aan belanghebbende de in 4.8 vermelde schadevergoeding wordt toegekend aanleiding voor een forfaitaire vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase. De proceskostenvergoeding wordt dan op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op (afgerond) € 626,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5). Omdat de vergoeding alleen plaatsvindt in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaken gesteld op 0,5 (licht). De rechtbank heeft daarbij de zaken aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit. Deze kosten hoeven dus maar éénmaal te worden vergoed.

5.3.

Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de inspecteur als aan de rechtbank is te wijten, zullen om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid de inspecteur en de Minister voor Rechtsbescherming ieder voor de helft worden veroordeeld in de proceskosten (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Ook dient om die reden het griffierecht van € 46 door ieder voor de helft te worden vergoed.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 971;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 529;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 313,12 (1/2 x € 626,25);

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 313,13 (1/2 x € 626,25);

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht tot een bedrag van € 23 (1/2 x € 46) aan hem vergoedt;

  • -

    gelast dat de Minister voor Rechtsbescherming het door belanghebbende betaalde griffierecht tot een bedrag van € 23 (1/2 x € 46) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2018 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr. dr. S.M.H. Dusarduijn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:


Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.