Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3921

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
BRE 17/6095
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit) van het college over de afwijzing van zijn verzoek om maatschappelijke ondersteuning in het kader van de Wmo 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/6095 WMO15

uitspraak van 3 juli 2018 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Kiliç-Arslan,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit) van het college over de afwijzing van zijn verzoek om maatschappelijke ondersteuning in het kader van de Wmo 2015.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 april 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is geboren in 1988 en heeft Sikkelcelanemie waardoor hij problemen heeft met traplopen.

Hij woonde sinds 2010, aanvankelijk met zijn echtgenote en dochtertje en later alleen, op de derde verdieping van een flatgebouw zonder lift. Ook staat hij sindsdien ingeschreven als woningzoekende voor andere woonruimte. Vanaf 24 augustus 2017 woont hij in bij zijn broer.

Eisers gemachtigde heeft op 31 januari 2017 naar de gemeente gebeld om voor eiser een urgentie voor verhuizing naar een gelijkvloerse woning te vragen. Het college heeft dit aangemerkt als een melding in het kader van de Wmo 2015.

Met een brief van 2 februari 2017 heeft eisers gemachtigde aan WegWijs Roosendaal (het team dat de Wmo 2015 uitvoert; hierna: WegWijs) gevraagd om een medische urgentie af te geven waarna door de woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging1] (hierna: [naam woningbouwvereniging1] ) een passende woning kan worden gevonden.

In februari/maart 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en klantmanager [naam klantmanager] . Hiervan is op 6 maart 2017 een verslag opgesteld. Eiser heeft medische informatie overgelegd aan het college. Het college heeft het verslag aangemerkt als een aanvraag voor een maatwerkvoorziening met als datum 2 maart 2017.

Met een besluit van 27 maart 2017 (primair besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. De noodzaak tot het verstrekken van de gevraagde maatwerkvoorziening is niet gebleken. De gemeente geeft alleen een indicatie voor verhuiskosten, waarmee bij [naam organisatie] urgentie kan worden verkregen, als er sprake is van een plotseling optredende beperking die onvoorzien is. Dit is niet het geval. Eiser kan volgens het college op eigen kracht verhuizen naar een geschikte woning.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Met het bestreden besluit heeft het college eisers bezwaren ongegrond verklaard. De gemeente Roosendaal en WegWijs geven geen urgentieverklaringen af. Wel kan een indicatie voor een verhuiskostenvergoeding worden afgegeven, maar dan moet sprake zijn van een plotseling optredende beperking die onvoorzien was. Dat is niet het geval omdat eisers belemmeringen al jaren bekend zijn, ook toen hij in 2010 de flatwoning betrok. Eiser kan op eigen kracht een woning zoeken en verhuizen. Hij kan zo nodig bij [naam woningbouwvereniging1] een urgentieverklaring aanvragen. Daarbij komt dat de gemeente Roosendaal de (medische) expertise mist die noodzakelijk is om een (medische) urgentieverklaring af te geven.

Standpunt eiser

2. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat het in strijd is met de goede procesorde en met het rechtszekerheidsbeginsel. De regelgeving van de gemeente en de woningbouwvereniging is niet transparant met betrekking tot de urgentieregeling. [naam woningbouwvereniging1] en [naam organisatie] stellen dat eiser bij de gemeente een medische urgentie moet aanvragen, terwijl volgens de gemeente de woningbouwvereniging moet beoordelen of eiser een urgentieverklaring krijgt. Eiser wordt dus steeds van het kastje naar de muur gestuurd. Niet blijkt dat een bezwaarcommissie objectief advies heeft gegeven of behoorlijk onderzoek heeft gedaan. Eiser voert ook aan dat zijn situatie zeer spoedeisend en levensbedreigend is. Hij verwijst voor zijn beroepsgronden naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Eiser vordert dat het college wordt opgedragen zo spoedig mogelijk een urgentie af te geven althans zo te bepalen dat [naam woningbouwvereniging1] dan wel [naam organisatie] een urgentie afgeeft aan eiser zodat hij met voorrang een gelijkvloerse woning kan krijgen. Eiser vraagt ook om schadevergoeding.

Wettelijk kader

3. De rechtbank verwijst voor het wettelijk kader dat van toepassing is naar de bijlage die bij deze uitspraak is gevoegd.

Procesbelang

4.1

De rechtbank is gebleken dat eiser met ingang van 24 augustus 2017 de woning op de derde verdieping van de flat heeft verlaten en is ingetrokken bij zijn broer. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of eiser nog voldoende procesbelang heeft bij een oordeel van de rechtbank over zijn beroep.

4.2

Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden behaald en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding of een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.

4.3

Eiser heeft de rechtbank laten weten dat hij na zijn scheiding is ingetrokken bij zijn broer en dat hij geen zelfstandige woonruimte heeft, maar die nog steeds wenst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee voldoende procesbelang bij een oordeel van de rechtbank over zijn beroep.

Urgentieverklaring

5.1

De rechtbank leidt uit wat eiser bij de melding, de aanvraag, in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd het volgende af. Eiser vraagt een urgentieverklaring om met voorrang een gelijkvloerse woning te krijgen, zodat het ambulancepersoneel hem bij een crise niet meer met een stoel naar beneden hoeft te vervoeren, wat te veel tijd kost en risico’s met zich meebrengt.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat er binnen de gemeente Roosendaal geen publiekrechtelijke grondslag is voor het afgeven van een urgentieverklaring zoals eiser wenst. Het college heeft gemotiveerd toegelicht dat de gemeente geen urgentieverklaringen afgeeft en dat de urgentieverklaring die eiser wenst niet als maatschappelijke ondersteuning wordt gezien. Het doel dat eiser met de urgentieverklaring beoogt is om met voorrang een gelijkvloerse woning te krijgen, zodat het ambulancepersoneel hem bij een crise sneller uit de woning kan halen. De rechtbank ziet gelet op dit beoogde doel niet in hoe een dergelijke urgentieverklaring zíjn participatie en/of zelfredzaamheid zal ondersteunen.

Verhuiskostenvergoeding

6.1

Het college heeft eisers verzoek om een urgentieverklaring aangemerkt als een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Aan de weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van een plotseling optredende beperking die onvoorzien was. Eisers medische beperkingen bij het traplopen waren namelijk al jaren bekend, ook toen hij in 2010 de flatwoning betrok. Eiser heeft dit in beroep niet betwist.

6.2

De rechtbank is in het licht van wat eiser in beroep heeft aangevoerd van oordeel dat het college de verhuiskostenvergoeding op grond van artikel 8, derde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Roosendaal 2015 in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

Conclusie

7.1

Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

7.2

Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af.

7.3

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

BIJLAGE

Artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

– maatschappelijke ondersteuning:

(…)

2° ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

(…)

– maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

1° ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

2° ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

(…)

– participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

– voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening;

– zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Artikel 2.3.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie.

In het derde lid is bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Artikel 8, eerste lid, van de Verordening 2015 bepaalt dat het college het verslag als uitgangspunt neemt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

In het tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

In het derde lid is bepaald dat als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, het college kan besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie.