Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3875

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:42, 8:31, van de Awb. Artikel 4, 16 en 27e AWR. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Gevolgen niet voldoen aan artikel 8:42 Awb. Aangifteplicht. Omkering bewijslast. Nieuw feit. Toetsingsmoment kwade trouw. Verlengde navorderingstermijn. Voortvarendheidseis. Woonplaatsdiscussie. De zaak betreft een belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2002 tot en met 2013. Kern van het geschil tussen belanghebbende en de inspecteur is of belanghebbende al niet (binnenlands) belastingplichtig is. Belanghebbende heeft hoewel daartoe uitgenodigd geen aangiften gedaan. De rechtbank overweegt dat de inspecteur op diverse punten geen duidelijkheid heeft kunnen scheppen over onder meer het gehouden woonplaatsonderzoek van de Belastingdienst en de rol en hoedanigheid van een belastingambtenaar bij een FIOD-onderzoek. De rechtbank komt mede op basis daarvan tot de conclusie dat niet alle 8:42-stukken zijn overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Geen wettelijke regel staat eraan in de weg om ná het einde van de aanslagtermijn belanghebbende uit te nodigen tot het doen van aangifte. Dat belanghebbende geen aangiften heeft gedaan, hoeft weliswaar niet zonder meer te leiden tot omkering van de bewijslast, maar hier is er geen sprake van dat voldoende uitdrukkelijk en gemotiveerd te kennen worden gegeven dat en waarom er geen sprake is van belastingplicht. Ondanks de omkering van de bewijslast heeft de inspecteur de bewijslast dat aan de voorwaarden voor navordering is gedaan. Mede gelet op het niet-voldoen aan de 8:42-verplichtingen en gelet op artikel 8:31 Awb, is de rechtbank van oordeel dat bij bepaalde navorderingsaanslagen niet aan het nieuwfeitvereiste is voldaan. Het door de inspecteur aangevoerde niet-retourneren van de aangiftebiljetten kan bovendien geen kwade trouw opleveren omdat dit een gedraging betreft die dateert van ná het verstrijken van de aanslagtermijnen. Met betrekking tot de resterende navorderingsjaren 2002-2004 geeft de rechtbank verder enige oordelen in verband met de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Een van de oordelen is dat met betrekking tot een bepaald inkomensbestanddeel niet aan de zogenoemde voortvarendheidseis is voldaan. Voor zover aan de eisen van navordering is voldaan en voor zover het gaat om primitieve aanslagen, dient bij de beoordeling van de belastingaanslagen rekening te worden gehouden met de omkering van de bewijslast. Gelet op de ingebrachte informatie is niet onredelijk het uitgangspunt van de inspecteur dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is. Ook van de schatting van de hoogte van het (resterende) inkomen kan niet gezegd worden dat deze willekeurig is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-02-2019
FutD 2019-0471 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2019/451
V-N 2019/17.2.6
NTFR 2019/590
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers: BRE 15/7989 tot en met 15/8000

uitspraak van 5 juli 2018

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , domicilie kiezende te Amsterdam,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 31 december 2014 over de jaren 2002 tot en met 2010 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en voor de jaren 2011 tot en met 2013 aanslagen IB/PVV opgelegd. Tegelijk is bij deze belastingaanslagen heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht bij beschikking.

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 19 november 2015 de (navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 15 december 2015, ontvangen bij de rechtbank op 16 december 2015, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift, met als bijlage onder meer een CD-ROM, ingediend.

1.5.

Bij brief van 3 november 2017 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.

1.6.

Bij brief van 9 november 2017 heeft de inspecteur op dat stuk gereageerd. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 10 november 2017 gereageerd.

1.7.

Op 14 november 2017 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van die zitting. Het onderzoek ter zitting is geschorst in verband met de mogelijke oproeping door belanghebbende van een getuige, [A] (hierna: [A] ), die ter zitting namens de inspecteur was verschenen. Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting is op 22 november 2017 aan partijen gestuurd. In de begeleidende brief van diezelfde datum heeft de rechtbank twee nadere procesbeslissingen bekendgemaakt.

1.8.

Bij brief van 6 december 2017 heeft de inspecteur op het proces-verbaal en het mogelijke getuigenaanbod van belanghebbende gereageerd.

1.9.

Bij fax van 9 januari 2018 heeft belanghebbende op de brief van de inspecteur van 6 december 2017 gereageerd.

1.10.

Bij brief van 15 januari 2018 heeft de rechtbank een reactie gestuurd naar aanleiding van de in 1.8 en 1.9 genoemde stukken.

1.11.

Bij brief van 10 januari 2018 heeft de inspecteur een nader stuk ingediend.

1.12.

Bij brief van 30 maart 2018 heeft belanghebbende een nader stuk over het oproepen van de getuige ingediend. Bij brief van 6 april 2018 heeft belanghebbende een ontbrekende bijlage bij voormeld stuk ingezonden.

1.13.

Bij brief van 5 april 2018 heeft de inspecteur gereageerd op het stuk van belanghebbende van 9 januari 2018.

1.14.

Het vervolg van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zittingen staat het volgende vast:

1.

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende stond in de onderhavige jaren niet in enig Nederlands bevolkingsregister ingeschreven.

2.2.

Een proces-verbaal van opsporingsambtenaar [B] (hierna: [B] ) van 7 februari 2011 (bijlage 1 bij de brief van 3 november 2017) vermeldt:

“Door de Coördinatiegroep Constructie Bestrijding PG Trust/Stichting Particulier Fonds van de Belastingdienst Rivierenland werd onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van verdachte [belanghebbende] en de inkomsten en uitgaven van de [Stichting C] . Dit onder meer met het doel om te beoordelen of [belanghebbende] als Nederlands belastingplichtige kon worden aangemerkt.

(...)

Op 10 september 2008 werd door mij een bezoek gebracht aan [A] van de Coördinatiegroep Constructie Bestrijding PG Trust/Stichting Particulier Fonds van de Belastingdienst Rivierenland. Door hem werden meerdere voor handen zijnde stukken, met betrekking tot verdachte [belanghebbende] en de [Stichting C] , in het belang van het onderzoek naar vermoedelijke betrokkenheid bij witwassen, aan mij ter beschikking gesteld.”

2.3.

Er heeft onder meer naar belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden, onder de naam “[onderzoek]”. In dat kader is een overzichtsproces-verbaal met (kennelijk) dagtekening 10 of 21 maart 2013 door de FIOD (hierna: het overzichtsproces-verbaal) opgesteld. Van dit proces-verbaal is één pagina (door belanghebbende) als stuk in deze zaak ingebracht (bijlage 3 bij de brief van 9 januari 2018). Op deze pagina staat onder meer vermeld:

“ [belanghebbende] heeft van 8 oktober 1999 tot en met 31 december 2008 officieel ingeschreven gestaan op Curaçao. Volgens de autoriteiten op Curaçao is hij sedertdien niet meer woonachtig op Curaçao en vertrokken onbekend waarheen. Volgens de systemen van de belastingdienst staat hij echter nog steeds ingeschreven op Curaçao. Uit een door de belastingdienst ingesteld woonplaatsonderzoek komt naar voren dat hij vermoedelijk vanaf 2002 in Nederland woonachtig is.”

2.4.

Bij brief van 4 september 2013, verzonden per e-mail, met het onderwerp “verzoek artikel 55 AWR” heeft [D] (hierna: [D] ) namens de inspecteur aan officier [E] (hierna: [E] ) van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie onder meer geschreven:

“Ik verzoek u de Belastingdienst op grond van artikel 55 AWR inzage te geven in en gebruik te maken van het onderzoek [onderzoek] voor heffings- en invorderingdoeleinden door de Belastingdienst.

Onderzoek is ingesteld door de FIOD Haarlem onder gefisnummer [nummer] .”

2.5.

[E] heeft daarop bij ongedateerde brief, die kennelijk op of kort na 4 september 2013 is verzonden, onder meer geantwoord:

“Er bestaan mijnerzijds geen bezwaren om aan de vordering ex 55AWR, tot kennisneming en gebruik van gegevens in de zaak met het gefisnummer [nummer] (zaaksnaam [onderzoek] ) ten behoeve van het heffing en inning, uitvoering te geven.

Ik verzoek u daartoe met de FIOD ambtenaren van het onderzoek contact op te nemen.”

2.6.

In een proces-verbaal van 10 februari 2016 staat onder meer vermeld:

“Ik, [F] , opsporingsambtenaar, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD verklaar het volgende.

Naar aanleiding van een verzoek van de Belastingdienst en met goedkeuring van de officier van justitie [E] heb ik op 1 maart 2013 per mail de navolgende documenten aan de belastingdienst verstrekt:

[volgt opsomming stukken; Rb]

Op 4 september 2013 heeft de officier van justitie middels een brief gericht aan de belastingdienst toestemming gegeven tot het gebruik van de stukken ten behoeve van de heffing en de inning.

Ondertekening verbalisant

Ik heb dit proces-verbaal op 10 februari 2016 te Haarlem op ambtsbelofte opgemaakt.”

2.7.

Bij brief van 27 juni 2014 heeft [G] (hierna: [G] ) namens de inspecteur belanghebbende bericht dat hij zich op het standpunt stelt dat belanghebbende in elk geval vanaf begin 2002 woonachtig is in Nederland. De inspecteur verwijst daartoe naar een groot aantal (door hem gestelde) feiten en omstandigheden. In diezelfde brief nodigt de inspecteur belanghebbende uit om aangiften IB/PVV te doen voor de jaren 2002 tot en met 2013. Als bijlagen heeft de inspecteur aangiftebiljetten meegestuurd. In de brief meldt de inspecteur onder meer nog het volgende over de aangiftebiljetten:

“Het is mij niet mogelijk gebleken om op dit moment nog papieren aangiftebiljetten Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 tot en met 2008 te verkrijgen. Om die reden heb ik kopieën gemaakt van het aangiftebiljet 2009 en hierop met pen het jaartal aangepast naar 2002 tot en met 2008. Ik wens te benadrukken dat Ik u middels deze brief en de bijgevoegde aangiftebiljetten uitnodig tot het doen van aangifte voor elk van de jaren 2002 tot en met 2013.”

2.8.

Belanghebbende is schriftelijk herinnerd (1 oktober 2014) en aangemaand (15 oktober 2014) om aangifte te doen voor elk van de jaren. Belanghebbende heeft voor geen van de jaren aangifte gedaan.

2.9.

In een brief van 14 oktober 2014 aan de inspecteur schrijft de advocaat van belanghebbende, [gemachtigde] , onder meer het volgende naar aanleiding van de herinnering tot het doen van aangifte:

“U stelt dat cliënt in Nederland woonachtig is. Cliënt betwist uitdrukkelijk dat dit het geval is en is in staat dit nader te onderbouwen door middel van schriftelijke bescheiden en getuigenverklaringen. (…)

Nu er geen sprake is van een (fiscale) woonplaats in Nederland is volgens cliënt geen sprake van een binnenlandse belastingplicht. Aangifte als binnenlands belastingplichtige behoeft dan niet te worden gedaan. Van buitenlandse belastingplicht in Nederland is evenmin sprake.

Gelet op het voorgaande is cliënt van mening dat hij (vooralsnog) niet verplicht is om een aangifte in te dienen."

2.10.

De (navorderings)aanslagen zijn cijfermatig als volgt opgebouwd:

[overzicht]

3 Geschil

2.

3.1.

In geschil is of de (navorderings)aanslagen terecht dan wel naar te hoge bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op beide zittingen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de (navorderings)aanslagen en de rentebeschikkingen.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: onduidelijke gang van zaken

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op diverse punten niet de van hem te verwachten duidelijkheid heeft kunnen scheppen. De gevolgen hiervan worden hierna besproken bij het geschil over artikel 8:42 van de Awb en over de aanwezigheid van een nieuw feit. Het gaat om de volgende punten:

  1. De e-mail van 1 maart 2013 waarmee volgens [F] bepaalde stukken van het strafdossier naar de Belastingdienst zijn gezonden, is niet ingebracht door de inspecteur in deze procedure. Desgevraagd heeft de inspecteur verklaard dat hij die e-mail niet heeft en niet weet aan welke persoon of personen die e-mail is gezonden.

  2. Onduidelijk is welke persoon van de Belastingdienst het verzoek heeft gedaan dat heeft geleid tot toezending van de stukken per e-mail van 1 maart 2013. Als het schriftelijk is gedaan, is het verzoek een op de zaak betrekking hebbend stuk, dat alsdan ten onrechte niet is ingebracht. Als het mondeling is gedaan, dan bevreemdt nog steeds dat de inspecteur niet duidelijk heeft kunnen maken wie het verzoek heeft gedaan. Bovendien verdient opmerking dat het bezwaarlijk is dat tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie gevoerde correspondentie zoals een verzoek als hier niet schriftelijk wordt vastgelegd, omdat het daarmee onmogelijk wordt gemaakt na te gaan wat de inhoud van deze correspondentie is geweest (vgl. ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, rov. 3.19).

  3. Onduidelijk is gebleven wie de selectie heeft gemaakt van de stukken uit het strafdossier. Als (een ambtenaar namens) de inspecteur de selectie heeft gemaakt, dan kan het gehele strafdossier mogelijk tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren indien die ambtenaar het gehele strafdossier tot zijn beschikking heeft gehad. Opmerking verdient in dit kader ook dat de correspondentie tussen [D] en [E] geen beperking bevat tot bepaalde stukken, maar integendeel algemene formuleringen bevat (‘inzage te geven en gebruik te maken van’ respectievelijk ‘kennisneming en gebruik van’). Daarbij is ook opmerkelijk dat de correspondentie zelfs geen verwijzing naar belanghebbende bevat, terwijl het strafrechtelijk onderzoek – naar de rechtbank begrijpt – ook op anderen dan belanghebbenden betrekking had.

  4. Onduidelijk is waarom stukken van het strafdossier op een eerder moment per e-mail zijn verstrekt dan het moment waarop het verzoek is gedaan en de goedkeuring is gevolgd. Onduidelijk is ook wat in de tussentijd (tussen maart 2013 en september 2013) met de stukken bij de Belastingdienst is gebeurd. Volgens een verklaring van de inspecteur ter zitting is er niets met de stukken gebeurd. Onduidelijk is dan waarom om de stukken is gevraagd.

  5. Onduidelijk is wat er gebeurd is met de stukken bij de Belastingdienst in de periode september 2013 tot begin 2014. Tijdens de eerste zitting werd de indruk gewekt dat men bij de Belastingdienst vanaf september 2013 bezig is geweest de stukken uit het strafdossier te analyseren (vgl. proces-verbaal van de zitting, p. 3). Tijdens de tweede zitting verklaarde [G] – de aanslagregelende ambtenaar – echter dat hij pas begin 2014 de stukken heeft ontvangen (proces-verbaal van de tweede zitting, p. 3).

  6. De rol van [A] is onduidelijk. Volgens zijn eigen verklaring op de eerste zitting was hij ter bijstand ingehuurd als deskundige bij het onderzoek door het Openbaar Ministerie. Deze verklaring is evenwel (ook na die zitting) niet ondersteund met een verklaring van de zijde van het Openbaar Ministerie. In de pleitnota van de gemachtigde van belanghebbende tijdens de eerste zitting staat (op pagina 3) dat in het in 2.3 genoemde overzichtsproces-verbaal staat: “Door [A] , medewerker van de Belastingdienst is, met toestemming van de officier van justitie [E] , onderzoek gedaan naar de woonplaats van verdachte [belanghebbende] over de periode 2002 tot en met mei 2012.” En “Op grond daarvan komt hij in zijn rapport tot de conclusie dat verdachte [belanghebbende] vermoedelijk woonachtig is geweest in Nederland in de periode 2002 tot en met mei 2012.” Dit citaat zou bovendien de indruk kunnen wekken dat [A] een woonplaatsonderzoek heeft uitgevoerd in zijn hoedanigheid van ambtenaar van de Belastingdienst.

  7. Aan de inspecteur is op de tweede zitting om een reactie gevraagd op de hiervoor onder vi) vermelde citaten. De inspecteur heeft verklaard dat geen onderzoek door de Belastingdienst is gedaan maar door [A] en dat het bedoelde memo niet van de Belastingdienst is. Deze verklaringen zijn evenwel verder op geen enkele wijze onderbouwd.

4.2.

Aan het voorgaande doet niet af het door de inspecteur ingebrachte stuk “Logboek feitelijke handelingen en werkzaamheden Belastingdienst” (bijlage 1 bij de brief van 9 november 2017). Dat stuk biedt geen, althans onvoldoende, duidelijkheid over bovenstaande punten. Bovendien valt op dat sommige handelingen en werkzaamheden er niet in zijn vermeld, zoals (a) het verzoek omstreeks 1 maart 2013 aan Bodegraven c.q. het Openbaar Ministerie om stukken uit het strafdossier, (b) de ontvangst per e-mail van die stukken, en (c) het verstrekken van stukken door [A] aan [B] van de FIOD tijdens een bezoek op 10 september 2008. Verder valt op dat blijkens het logboek in de eerste helft van 2008 veel onderzoekshandelingen plaatsvinden en dat dit eind augustus 2008 abrupt stopt, terwijl in het logboek niet op enig moment melding wordt gemaakt van het (tijdelijk) stopzetten van het woonplaatsonderzoek om de reden dat het OM bezig is met onderzoek.

De op de zaak betrekking hebbende stukken

4.3.

Op grond van artikel 8:42 van de Awb is het aan de inspecteur om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen en, nu belanghebbende betwist dat dit is gebeurd, aannemelijk te maken dat hij dat heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Zo is in elk geval de meergenoemde e-mail van 1 maart 2013 van [F] een op de zaak betrekking hebbend stuk dat niet is overgelegd. Niet gebleken is dat de inspecteur voldoende inspanning heeft verricht om die e-mail te achterhalen. Nu de inspecteur onvoldoende duidelijkheid heeft kunnen geven over het memo woonplaatsonderzoek, gaat de rechtbank ervan uit dat ook dat memo een op de zaak betrekking hebbend stuk is. De stelling dat [A] het woonplaatsonderzoek zou hebben gedaan in de hoedanigheid van deskundige bij het OM, is onvoldoende onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat de onduidelijkheid over wie de selectie van stukken uit het strafdossier heeft gemaakt en over de rol van [A] , voor risico van de inspecteur komt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het gehele strafdossier wel ter beschikking van (een ambtenaar optredend namens) de inspecteur heeft gestaan. Dat niet alle stukken zijn gebruikt bij het opleggen van de aanslagen, doet er dan niet aan af dat het gehele strafdossier, voor zover dat betrekking heeft op belanghebbende, als op de zaak betrekking hebbend stuk is aan te merken (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, rov. 3.4.2, onder iii)). In het midden kan dan blijven of de omstandigheid dat [A] op de eerste zitting is verschenen namens de inspecteur, niet reeds meebrengt – gelet op de gelijkheid der wapenen – dat het strafrechtdossier daarmee ook ter beschikking van belanghebbende moet komen te staan. Met betrekking tot overige stukken waarvan belanghebbende stelt dat die bestaan en dat die op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur ten aanzien van die stukken niet aan zijn verplichting op grond van artikel 8:42 van de Awb heeft voldaan.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dus artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden. Het is aan de rechtbank om aan die schending op grond van artikel 8:31 van de Awb de gevolgen te verbinden die haar geraden voorkomen. De inspecteur heeft zich kunnen uitlaten over die eventuele gevolgen (vgl. brief van 5 april 2018, p. 4). De rechtbank ziet geen aanleiding om meer gevolgen aan de schending te verbinden dan het gevolg dat in onderdeel 4.13 wordt vermeld.


Omkering bewijslast in verband met het niet doen van de vereiste aangifte?

4.5.

Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt het beroep ongegrond verklaard als de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan, tenzij de belastingplichtige doet blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast). Het is aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

4.6.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur met zijn in 2.7 vermelde brief van 27 juni 2014 belanghebbende op ordentelijke en gemotiveerde wijze heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte. In die brief heeft hij uitgebreid uiteengezet op basis van welke feiten dan wel vermoedens hij van mening is dat belanghebbende in Nederland woont en om die reden aangifteplichtig is als binnenlands belastingplichtige. Dat voor de jaren 2002 tot en met 2008 het aangiftebiljet van 2009 is meegezonden maakt dat niet anders, mede gelet op de – in 2.7 geciteerde – toelichting die in de brief is gegeven. Opmerking verdient verder dat geen wettelijke regel eraan in de weg staat om ná het einde van de aanslagtermijn een uitnodiging tot het doen van aangifte te versturen. De wettelijke systematiek verzet zich daartegen evenmin. De informatie van een aangifte kan immers van belang zijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag. Of de inspecteur bevoegd is een navorderingsaanslag op te leggen, is een andere kwestie. Gelet op het voorgaande faalt het betoog van belanghebbende dat belanghebbende niet op juiste wijze is uitgenodigd tot het doen van aangiften voor de jaren 2002 tot en met 2008.

4.7.

Het staat vast dat belanghebbende geen aangiften heeft ingediend. Dit hoeft echter nog niet zonder meer te leiden tot de conclusie dat sprake is van omkering van de bewijslast. Omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte zou achterwege kunnen blijven indien belanghebbende in plaats van aangifte te doen, uitdrukkelijk en gemotiveerd te kennen geeft dat en waarom hij van mening is niet belastingplichtig te zijn (vgl. Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:30). Belanghebbende heeft zich in zijn reactie beperkt tot een enkele betwisting van de stelling dat hij inwoner van Nederland is (zie 2.9). Deze enkele betwisting kan in het licht van de uitgebreide onderbouwing van het tegendeel door de inspecteur niet worden aangemerkt als een (voldoende) motivering zoals zojuist bedoeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Dat heeft tot gevolg dat de sanctie van de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.

4.8.

Deze sanctie als gevolg van het niet-doen van de vereiste aangifte geldt niet voor de beoordeling of voldaan is aan voorwaarden voor navordering die zijn neergelegd in artikel 16 van de AWR (vgl. Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359). Daarop zal daarom als eerste worden ingegaan.

Navorderingsbevoegdheid: nieuw feit of kwade trouw (jaren 2002-2010)

4.9.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR heeft de inspecteur de bevoegdheid tot navordering als hij aannemelijk maakt dat er enig feit was dat grond oplevert voor het vermoeden dat binnen de aanslagtermijn ten onrechte een aanslag achterwege is gebleven (het zogeheten nieuwe feit), dan wel dat belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw was.

4.10.

De inspecteur beroept zich erop dat een nieuw feit wordt gevormd door de informatie die naar voren is gekomen uit de in 2013 verkregen strafrechtelijke stukken, met name de feiten en omstandigheden die er – volgens de inspecteur – op duiden dat belanghebbende in Nederland woonachtig is sinds in elk geval het jaar 2002.

4.11.

De rechtbank stelt voorop dat voor beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuw feit in geval er een primitieve aanslag is vastgesteld vergeleken moet worden met de situatie ten tijde van het vaststellen van die primitieve aanslag. In een geval zoals hier waarin geen primitieve aanslag is opgelegd, moet vergeleken worden met de situatie aan het einde van de aanslagtermijn.

4.12.

De inspecteur heeft in zijn schriftelijke reactie van 9 november 2017 in bijlage 1 een “Logboek feitelijke handelingen en werkzaamheden Belastingdienst” (hierna: het logboek) gevoegd. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de inspecteur vóór 2008 reeds zodanig veel aanknopingspunten had wat betreft de woonplaats van belanghebbende, dat gezegd kan worden hij een ambtelijk verzuim heeft begaan door geen nader onderzoek in te stellen, onder het opleggen van (primitieve) aanslagen ter behoud van rechten. Ook overigens is niet gebleken van dergelijke aanknopingspunten. Gelet op de aanslagtermijn van artikel 11, derde lid, van de AWR van drie jaar betekent dit dat de inspecteur voor de jaren 2002 tot en met 2004 beschikt over een nieuw feit en over die drie jaren dus mag navorderen. Dat nieuwe feit bestaat uit de informatie die uit het strafrechtelijk onderzoek naar voren is gekomen. Weliswaar bestaat die informatie grotendeels uit feiten en omstandigheden na het jaar 2004, maar naar het oordeel van de rechtbank kan een feit in de zin van artikel 16 van de AWR voor een bepaald jaar ook een feit zijn dat zich pas ná dat jaar voordoet, omdat het gaat om een “vermoeden” dat ten onrechte een aanslag achterwege is gebleven.

4.13.

Vanaf 2008 is blijkens het logboek de situatie veranderd in die zin dat vanaf het begin van dat jaar substantieel veel meer onderzoeksactiviteiten hebben plaatsgevonden naar belanghebbende en zijn fiscale woonplaats. Het logboek vermeldt nauwelijks tot geen onderzoeksactiviteiten meer in de periode tussen medio 2008 en 4 september 2013. Ter zake van die periode stelt de inspecteur, naar de rechtbank begrijpt, dat onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van het OM. Zoals hiervoor is opgemerkt bestaat hierover echter op diverse punten onduidelijkheid. De onduidelijkheid over de onderzoekswerkzaamheden van (ambtenaren namens) de inspecteur in de periode vanaf 2008, alsmede van de stand van de bevindingen daarvan aan het eind van elk jaar, komt naar het oordeel van de rechtbank, zo nodig met toepassing van artikel 8:31 van de Awb, voor rekening van de inspecteur. Dat betekent dat de inspecteur voor de jaren 2005 tot en met 2010 niet beschikte over een nieuw feit.

4.14.

Voor het jaar 2010 komt daar overigens nog bij dat de inspecteur uiterlijk vanaf 4 september 2013 beschikte over gegevens op grond waarvan hij tijdig een primitieve aanslag – desnoods ter behoud van rechten – had kunnen opleggen, aangezien de driejaarstermijn voor het jaar 2010 pas ultimo 2013 verliep. De inspecteur heeft ook bevestigd dat alle informatie waarop de aanslag 2010 uiteindelijk is gebaseerd reeds in september 2013 binnen was, zij het dat die informatie nog geanalyseerd moest worden. De inspecteur heeft desgevraagd ter zitting niet duidelijk kunnen maken waarom niet een aanslag kon worden opgelegd vóór 1 januari 2014. Sterker nog, tijdens de tweede zitting heeft de aanslagregelend ambtenaar [G] verklaard dat hem de informatie pas begin 2014 werd aangeleverd. Kennelijk is in de tussentijd niets met de binnengekomen informatie gedaan.

4.15.

Uit wat de inspecteur heeft aangevoerd volgt niet dat voor de jaren 2005 tot en met

2010 sprake is van kwade trouw. Het door de inspecteur aangevoerde niet-retourneren van de aangiftebiljetten in 2014 kan namelijk geen kwade trouw opleveren omdat dit een gedraging betreft die dateert van ná het verstrijken van de aanslagtermijnen voor de jaren 2005 tot en met 2010. Anders dan waarvan de inspecteur mogelijk uitgaat, moet de kwade trouw aanwezig zijn binnen de aanslagtermijn. Het gaat er immers voor de aanwezigheid van kwade trouw, in een geval als hier, in de kern om of een belanghebbende de inspecteur op het verkeerde been heeft gezet, waardoor de inspecteur ten onrechte geen aanslag binnen de aanslagtermijn heeft opgelegd. Ook overigens heeft de inspecteur onvoldoende onderbouwd waarom sprake is van kwade trouw (binnen de toepasselijke aanslagtermijnen).

4.16.

Het voorgaande betekent dat de inspecteur wat de jaren 2005 tot en met 2010 betreft niet bevoegd is om na te vorderen. De beroepen in de zaken met procedurenummers 15/7992 tot en met 15/7997 zijn gegrond. De rechtbank zal de desbetreffende navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen vernietigen.

De verlengde navorderingstermijn (resterende navorderingsjaren 2002-2004)

4.17.

De navorderingsaanslagen over de jaren 2002 tot en met 2004 kunnen enkel worden opgelegd indien de verlengde navorderingstermijn van toepassing is, aangezien deze jaren buiten de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar van artikel 16, derde lid, van de AWR liggen. Het is aan de inspecteur om per bestanddeel aannemelijk te maken dat het voorwerp van belasting in het buitenland is opgekomen dan wel wordt gehouden (vgl. Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359).

i) Box 3 (jaren 2002-2004)

4.18.

In elk van de jaren 2002-2004 is over een box 3-inkomen geheven van € 80.000, dus naar een vermogen van meer dan € 2.000.000. De inspecteur is naar het oordeel van de rechtbank niet in de bewijslast geslaagd dat sprake is van in het buitenland opgekomen inkomen (c.q. gehouden vermogen). De inspecteur heeft zijn standpunt gebaseerd op stellingen zoals vermeld op p. 10 van het nader stuk van 9 november 2017. De inspecteur heeft die stellingen echter niet met bewijs onderbouwd en niet geconcretiseerd met bedragen. Daarmee heeft de inspecteur niet voldoende concreet onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat sprake is van box 3-inkomen dat in het buitenland is opgekomen. In zoverre is in elk geval niet voldaan aan de vereisten voor navordering. Voor dat geval is niet in geschil dat de navorderingsaanslagen in zoverre ten onrechte zijn opgelegd en dat deze moeten worden verminderd. De beroepen in de zaken met procedurenummers 15/7989 tot en met 15/7991 zijn reeds daarom gegrond.

4.19.

Behalve box 3-inkomen heeft de inspecteur bij de navorderingsaanslagen over de jaren 2002 tot en met 2004 ook box 1-inkomen in aanmerking genomen. De rechtbank zal hierna per jaar een beoordeling geven in hoeverre met betrekking tot dat inkomen navordering mogelijk is met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Bij de omschrijving van de diverse posten zal de rechtbank aansluiten bij het overzicht dat is opgenomen als bijlage 3 bij het verweerschrift.

ii) het jaar 2002

4.20.

Het gaat om een fictief loon van € 38.118 en ontvangsten van [Stichting C] (hierna SPF) voor een bedrag van € 52.328. Voor zijn standpunt dat fictief loon in aanmerking dient te worden genomen, heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende directeur en grootaandeelhouder was van diverse vennootschappen, namelijk [I] (hierna: TF NV), [J] (hierna: TI NV) en de vennootschappen vermeld in onderdeel 6.5.1 van het verweerschrift. Belanghebbende heeft niet betwist dat hij in 2002 aandeelhouder was van FTF NV en TI NV en als directeur werkzaamheden daarvoor heeft verricht (vgl. brief 3 november 2017, onderdeel 3.35 en 4.5). Evenmin heeft hij betwist dat hij inkomsten vanuit SPF heeft genoten. Voorts is niet bestreden dat FTF NV, TI NV en SPF op Curaçao zijn gevestigd. Aldus is sprake van inkomsten die in het buitenland, te weten Curaçao, zijn opgekomen. In zoverre geldt naar nationaal recht de verlengde navorderingstermijn. Dit staat los van de beoordeling van de omvang van het in aanmerking genomen inkomensbestanddeel (zie 4.30 hierna).

4.21.

Voor dat geval stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur niet voldoende voortvarend heeft gehandeld in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009 in zaak C-157/08, Passenheim-Van Schoot (hierna: het arrest Passenheim). De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft weliswaar onderbouwd waarom niet voortvarend gehandeld is, maar heeft verder niet onderbouwd waarom met vrucht een beroep op het arrest Passenheim zou kunnen worden gedaan. Dat laatste had wel op zijn weg gelegen, nu belanghebbende zich op schending van het Unierecht beroept en in aanmerking genomen dat hier geen sprake is van een grensoverschrijdende activiteit binnen de Unie maar dat Curaçao, een territoir behorende tot de landen en gebieden overzee van die lidstaat (hierna: LGO), betrokken is. Hier moet er (veronderstellenderwijs) van worden uitgegaan dat het gaat om een activiteit Nederland-Curaçao, omdat materieelrechtelijk gezien alleen aan heffing zou worden toegekomen indien de inspecteur gelijk zou hebben, dat belanghebbende woonachtig zou zijn in Nederland voor de toepassing van artikel 4 van de AWR. Het is niet duidelijk op welke feiten en omstandigheden belanghebbende de toepassing van het Unierecht baseert. Hierdoor is onduidelijk welk unierechtelijk recht belanghebbende voor ogen staat. Daarbij verdient opmerking dat belanghebbende wellicht het vrije verkeer van werknemers voor ogen heeft, maar dat artikel 186 EG-Verdrag (artikel 202 VwEU) voor regels voor het vrije verkeer van werknemers met de LGO slechts verwijst naar later te sluiten overeenkomsten en dat in het LGO-besluit geen regels daarover zijn opgenomen. Dit betekent dat voor het jaar 2002 niet aan de beoordeling van de voortvarendheid wordt toegekomen.

4.22.

Conclusie is dan dat de verlengde navorderingstermijn onverkort van toepassing is op het (fictief) loon in verband met de werkzaamheden voor FTF NV en TI NV en over inkomsten verkregen van SPF.

iii) het jaar 2003

4.23.

Voor 2003 heeft de inspecteur naast een fictief loon van € 38.118, een bedrag van € 1.500 in aanmerking genomen onder de noemer “storting eigen bankrekening”. Niet gesteld – laat staan aannemelijk gemaakt – is dat dit laatste bedrag een bestanddeel betreft dat in het buitenland is opgekomen. Reeds daarom is de verlengde navorderingstermijn met betrekking tot dat bedrag niet van toepassing. Met betrekking tot het fictief loon geldt wat hiervoor bij 4.20 tot en met 4.22 is overwogen dienovereenkomstig. De verlengde navorderingstermijn is derhalve enkel op het (fictief) loon in verband met de werkzaamheden voor FTF NV en TI NV van toepassing.

iv) het jaar 2004

4.24.

Voor 2004 heeft de inspecteur drie bedragen in aanmerking genomen als box 1-inkomen. Ten eerste gaat het om een bedrag van € 1.800 onder de noemer “storting eigen bankrekening”. Evenals voor 2003 het geval was, is niet gesteld – laat staan aannemelijk gemaakt – dat dit bedrag een bestanddeel betreft dat in het buitenland is opgekomen of wordt gehouden. Voor dat bedrag is derhalve de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing.

4.25.

Ten tweede gaat het om een fictief loon van € 38.118. Voor 2004 geldt dat belanghebbende voor alle gestelde vennootschappen heeft betwist dat hij daar directeur-aandeelhouder van was althans werkzaamheden daarvoor heeft verricht, met uitzondering van de in België gevestigde [X ] In beginsel zou dan de verlengde navorderingstermijn van toepassing zijn op het (fictief) loon in verband met die vennootschap.

4.26.

Ook voor 2004 beroept belanghebbende zich echter op het arrest Passenheim. In het kader van de vraag of dit beroep succesvol is, moet er ook hier (veronderstellenderwijs) van worden uitgegaan dat belanghebbende woonachtig is in Nederland, nu op dat uitgangspunt de heffing door de inspecteur is gebaseerd. Nu [X ] in België is gevestigd, gaat het om een grensoverschrijdende economische activiteit binnen de Unie. Allereerst verdient dan opmerking dat naar het oordeel van de rechtbank de betekenis van het arrest Passenheim niet beperkt is tot de vrijheid van kapitaalverkeer, waarover het arrest Passenheim ging, maar zich ook uitstrekt tot de andere verkeersvrijheden, zoals de vrijheid van werknemers en de vrijheid van vestiging. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld indien hij gedurende een periode van zes maanden onverklaarbaar heeft stil gezeten (vgl. Hoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717). Het ligt in eerste instantie op de weg van de inspecteur inzichtelijk te maken dat van dergelijk stilzitten geen sprake is. Aanvankelijk – tijdens de eerste zitting – heeft de inspecteur verklaard dat, kort gezegd, de op 4 september 2013 ontvangen informatie nog moest worden geanalyseerd en daarom niet voor het einde van 2013 een aanslag kon worden opgelegd. Tijdens de tweede zitting heeft (echter) de aanslagregelende ambtenaar – [G] – verklaard dat hij (pas) begin 2014 het dossier heeft gekregen en met die informatie aan de slag is gegaan. Het is daarmee onduidelijk gebleven wat in de periode tussen 4 september 2013 en ‘begin 2014’ met de informatie is gedaan. Onduidelijk is voorts gebleven wat precies ‘begin 2014’ is. Nu daarin redelijkerwijs mogelijk ook maart 2014 (of later) kan vallen, heeft de inspecteur niet inzichtelijk gemaakt dat geen sprake is van een periode van meer dan zes maanden onverklaarbaar stilzitten. Dit betekent dat het gemeenschapsrecht zich verzet tegen navordering over (fictief) loon met toepassing van de verlengde navorderingstermijn.

4.27.

Ten derde gaat het om een bedrag van € 19.362 onder de noemer “(…) payment on behalf of [Y]”. Belanghebbende heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij dit bedrag heeft ontvangen, dat dit bedrag als box 1-inkomen is aan te merken, en dat [Y] een op de Turks en Caicos Eilanden gevestigd lichaam is. Nu aldus sprake is van in het buitenland opgekomen inkomen, betekent dit dat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is op dat inkomen.

4.28.

Ook hier heeft belanghebbende zich echter beroepen op het arrest Passenheim. Deze beroepsgrond wordt verworpen. Belanghebbende – op wiens weg dat had gelegen – heeft namelijk onvoldoende duidelijk gemaakt wat het karakter van de inkomst is, waardoor niet vastgesteld kan worden of er een in de relatie tot de Turks en Caicos Eilanden – zijnde een LGO van het Verenigd Koninkrijk – geldende vrijheid is waarop een beroep kan worden gedaan met een stelling gebaseerd op het arrest Passenheim.

4.29.

Uit het voorgaande volgt dat de verlengde navorderingstermijn enkel van toepassing is met betrekking tot inkomsten verkregen van [Y] .

v) Conclusie navorderingstermijn jaren 2002-2004

4.30.

Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur met betrekking tot navorderingsaanslagen 2002-2004 alleen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn kan navorderen over de volgende box 1-inkomensbestanddelen:

  • -

    2002: (fictief) loon in verband met de werkzaamheden voor FTF NV en TI NV en over inkomsten verkregen van SPF, zijnde € 90.446;

  • -

    2003: (fictief) loon in verband met de werkzaamheden voor FTF NV en TI NV, zijnde € 38.118;

  • -

    2004: inkomsten verkregen van [Y] , zijnde € 19.362.

Toetsing hoogte belastingaanslagen met als kader de omkering van de bewijslast

4.31.

Zoals eerder overwogen is hier de sanctie van omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (i) of sprake is van een willekeurige schatting van het inkomen door de inspecteur, en, zo nee, (2) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de belastingaanslag, zoals die luidt na uitspraak op bezwaar, onjuist is (vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401 en HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Deze beoordeling hoeft, gelet op het voorgaande, alleen te worden uitgevoerd voor de resterende belastingaanslagen 2002-2004 en 2011-2014, met bovendien wat betreft de belastingaanslagen 2002-2004 de beperking tot de bedragen die in aanmerking zijn genomen in verband met de in 4.30 vermelde inkomensbronnen.

4.32.

In een geval als hier is onderdeel van de ‘willekeur’-toets ook of onredelijk is het uitgangspunt van de inspecteur dat belanghebbende inwoner van Nederland is in de zin van artikel 4 van de AWR en dus binnenlands belastingplichtig is. Dat uitgangspunt is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk, reeds gelet op de informatie die hij van de FIOD en het OM heeft gekregen uit de zaak “[onderzoek]”. Ook van de schatting van de hoogte van het (resterende) box 1-inkomen in elk van de jaren 2002-2004 en 2011-2014 kan, gelet op de gegeven toelichting, niet gezegd worden dat deze willekeurig of anderszins onredelijk hoog is. Met betrekking tot de aanslagen 2011-2013 kan aan belanghebbende worden toegegeven dat het geschatte box 3-inkomen in absolute zin hoog is. De schatting overschrijdt echter niet de grens van redelijk naar willekeur. Daarbij is van belang dat de inspecteur zijn schatting onder meer heeft gebaseerd op verifieerbare saldi op de rekening van belanghebbende bij ABN Amro, en rekening(en) van SPF en een verklaring van [H] over de omvang van inkomen dat belanghebbende op de Turks en Caicos Eilanden had verdiend. Bovendien is van belang dat de inspecteur over beperkte gegevens beschikte doordat belanghebbende geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogen (niet in een aangifte en ook niet in een later stadium), vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, rov. 4.4.3 en 4.4.6.

4.33.

Belanghebbende is met wat hij heeft aangevoerd niet geslaagd in de verzwaarde bewijslast dat de resterende belastingaanslagen (voor de resterende bedragen) te hoog zijn.

Fair play

4.34.

Belanghebbende betoogt dat de inspecteur ten onrechte in deze procedure gebruik maakt van de informatie die hij in het kader van de aanslagregeling IB/PVV 2014, op grond van artikel 47 van de AWR, bij belanghebbende heeft opgevraagd. Het aldus hanteren van controlebevoegdheden ten dienste van een lopende procedure is in strijd met het fair play beginsel, aldus belanghebbende. De inspecteur betwist een en ander.

4.35.

De rechtbank overweegt dat zelfs als die informatie buiten beschouwing blijft, de voorgaande oordelen niet anders zouden zijn geweest. Ook zonder die informatie zou het oordeel zijn geweest dat de inspecteur in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat belanghebbende in Nederland woonde in de zin van artikel 4 van de AWR. De stelling van belanghebbende kan dus niet tot een voor hem gunstiger resultaat leiden, zodat de beoordeling of dat beginsel geschonden is achterwege kan blijven.

Verzoek horen [A]

4.36.

Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om [A] als getuige op te roepen, nu [A] geen gehoor geeft aan de oproep die belanghebbende heeft gedaan. Belanghebbende heeft als motivering aangevoerd dat verklaringen van [A] helderheid kunnen verschaffen over de op de zaak betrekking hebbende stukken en over het voor de navorderingsbevoegdheid vereiste nieuwe feit.

4.37.

De rechtbank wijst het verzoek af, reeds omdat het oproepen van [A] haar niet zinvol voorkomt. De rechtbank heeft reeds de onduidelijkheid of alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd voor risico van de inspecteur laten komen. Ook wat het nieuwe feit betreft is de onduidelijkheid voor de jaren 2005-2010 voor risico van de inspecteur gekomen. Oproeping komt voor de overige jaren 2002-2004 niet zinvol voor.

Getuigenaanbod belanghebbende

4.38.

Belanghebbende heeft in zijn pleitnota bij de zitting van 14 november 2017 aangeboden personen (anderen dan [A] ) als getuigen op te roepen en te doen horen. De rechtbank heeft hem die gelegenheid geboden bij in elk geval de brief met de uitnodiging voor de tweede zitting. Belanghebbende heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt en het getuigenaanbod tijdens die tweede zitting ook niet (concreet) herhaald.

Vergoeding van immateriële schade

4.39.

De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 13 januari 2015 ontvangen en op 19 november 2015 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet heden, op 5 juli 2018, uitspraak. Gelet op de complexiteit van deze zaak is een redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep tweeënhalf jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn in deze zaak met meer dan een half jaar maar minder dan een jaar is overschreden. Voor toepassing van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn hangen alle beroepen met elkaar samen. Dat betekent dat een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000 op haar plaats is. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan de rechtbank toe te rekenen, nu – gelet op de complexiteit van de zaak – de periode tussen ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar niet de (verlengde) redelijke termijn voor de inspecteur overschrijdt. Daarom zal de Minister voor Rechtsbescherming worden veroordeeld aan belanghebbende de schade te vergoeden en is die minister als partij in de procedure betrokken. Hij heeft in situaties als deze te kennen gegeven zonder nadere consultatie te berusten in een veroordeling door de rechtbank. De rechtbank zal de Minister voor Rechtsbescherming daarom overeenkomstig veroordelen.

Slotsom

4.40.

De beroepen in de zaken met zaaknummers 15/7989 tot en met 15/7997 dienen gegrond te worden verklaard. De navorderingsaanslagen 2002 tot en met 2004 moeten namelijk worden verminderd en de navorderingsaanslagen 2005 tot en met 2010 moeten worden vernietigd. De beroepen in de zaken met zaaknummers 15/7998 tot en met 15/8000 moeten ongegrond worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur, in de zaken waarin de beroepen gegrond zijn, te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt vast te stellen: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de indiening van een zienswijze na de eerste zitting, 0,5 punt voor de tweede zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1,5, in totaal dus een bedrag van € 2.628. Voor zowel de bezwaar- als beroepsfase geldt dat de zaken met elkaar samenhangen in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit omdat de zaken zowel in bezwaar als in beroep gelijktijdig zijn behandeld en de werkzaamheden van de bijstandverlener nagenoeg identiek (konden) zijn. Het gaat dan dus om negen samenhangende zaken zodat de samenhangfactor van 1,5 van toepassing is. De totale te vergoeden proceskosten bedragen dus € 3.942.

6 Beslissing

In de zaken met procedurenummers 15/7998 tot en met 15/8000

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

In de zaken met procedurenummers 15/7989 tot en met 15/7997

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen betreffende de aanslagen 2011 tot en met 2013 ongegrond;

  • -

    verklaart de overige beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen 2002 tot en met 2010;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen 2005 tot en met 2010 alsmede de daarmee samenhangende heffingsrentebeschikkingen;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag 2002 tot een berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.466, en vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag 2003 tot een berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.118, en vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag 2004 tot een berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.362, en vermindert de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.942;

  • -

    veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juli 2018 door mr. drs. L.B. Smits, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Namens hem tekent mr. C.A.F.M. Stassen.

De griffier, Namens de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.