Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2018:3843

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
AWB 17_4091
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning oprichten akkerbouwbedrijf met opslag drijfmest.

Brummen-jurisprudentie. Vragen over activiteiten 'bouwen' en 'gebruik' kunnen in deze beroepsprocedure niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

Activiteit 'milieu': vergunningplichtige inrichting. College heeft terecht gesteld dat mestsilo vanwege inhoud niet onder werking Activiteitenbesluit valt.

Geen reden voor twijfel aan bevindingen trillingsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/4091 WABOA

uitspraak van 3 juli 2018 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [plaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[derde partij] , te [plaats] .

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 12 april 2017 (bestreden besluit) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning aan [derde partij] ten behoeve van een nieuw te bouwen landbouwloods en het verbreden/verplaatsen van een inrit aan de [adres 1] (voorheen: [adres 2] ) te [plaats] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 mei 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.M. van den Boom en mr. H.H.C. Mailoa. [derde partij] is verschenen.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[derde partij] exploiteert een varkenshouderij aan de [adres 3] in [plaats] . Voorts is hij eigenaar van het onbebouwde perceel aan de [adres 1] in [plaats] .

Op 4 november 2011 heeft [derde partij] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een akkerbouwloods en het verbreden/verplaatsen van een inrit op het perceel plaatselijk (inmiddels) bekend [adres 1] te [plaats] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] . Op 23 december 2011 heeft [derde partij] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een akkerbouwbedrijf met de opslag van drijfmest op hetzelfde perceel.

Het college heeft twee ontwerpbesluiten ter inzage gelegd. Eisers, die wonen op het tegenovergelegen perceel [adres eisers] in [plaats] , hebben tegen beide ontwerpbesluiten zienswijzen ingediend.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 30 mei 2013 een omgevingsvergunning verleend:

 voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ voor de akkerbouwloods;

 voor de activiteit ‘aanleggen van een uitrit’ voor de inrit;

 voor de activiteit ‘milieu’ voor het oprichten van een inrichting (akkerbouwbedrijf met opslag van drijfmest).

Eisers hebben tegen dat besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank (zaaknummer BRE 13/4040 WABOM). De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 14 maart 2014 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het besluit van 30 mei 2013 vernietigd en heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij het bestreden besluit heeft het college wederom omgevingsvergunning verleend voor dezelfde activiteiten. In de separate nota ‘Weerlegging ingebrachte zienswijzen, april 2017’ heeft het college op de zienswijzen van eisers gereageerd.

Beroepsgronden

2. Het beroep is, zo heeft de rechtbank ter zitting met partijen vastgesteld, niet gericht tegen het bestreden besluit voor zover daarmee de aanleg van een inrit is vergund, doch uitsluitend tegen de overige vergunde activiteiten.

Eisers hebben aangevoerd dat er belangrijke gebreken kleven aan het rapport naar aanleiding van het op hun woonadres verrichte trillingsonderzoek. Eisers stellen zich op het standpunt dat dit rapport om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd.

Eisers plaatsen vraagtekens bij de bedrijfsvoering van [derde partij] en bij zijn bedoeling bij de aanvragen. Zij verzoeken het college om die reden met klem om ervoor te zorgen dat [derde partij] zich aan de verleende omgevingsvergunning zal houden en om zo nodig handhavend op te treden. Tevens verzoeken zij het college om zich niet alleen te laten leiden door wat geschreven staat in de aanvraag, maar om ook verder te kijken naar wat er in de wereld om ons heen gebeurt en welke logische consequenties daaruit te trekken zijn. Zij wijzen op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit blijkt dat niet alleen moet worden getoetst of het bouwwerk kan worden gebruikt overeenkomstig de bestemming, maar ook of het bouwwerk met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Daarnaast wijzen zij erop dat alle activiteiten op het bouwblok van het perceel [adres 1] uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf mogen worden uitgevoerd. Zij stellen zich op het standpunt dat, aangezien [derde partij] heeft aangegeven een nieuw akkerbouwbedrijf te willen oprichten, daarmee zijn bestaande varkenshouderij moet worden aangemerkt als een ander bedrijf.

Ontvankelijkheid beroep

3. Het college heeft de rechtbank verzocht om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het beroep niet tijdig bij de rechtbank zou zijn ingediend. Het college heeft in dat verband gesteld dat de beroepstermijn eindigde op 25 mei 2017 en dat het beroepschrift pas op 31 mei 2017 door de rechtbank ontvangen is.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit op schrift is gesteld op 12 april 2017. De termijn voor het instellen van beroep bedraagt zes weken. Bepalend voor het antwoord op de vraag, wanneer de beroepstermijn is aangevangen, is de datum waarop het bestreden besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter inzage is gelegd. Desgevraagd kon het college ter zitting niet vertellen wanneer het bestreden besluit ter inzage is gelegd.

Eisers hebben hun beroepschrift niet bij de rechtbank ingediend, maar bij de gemeente Steenbergen op 19 mei 2017. Het college heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank, en de rechtbank heeft dit op 31 mei 2017 ontvangen.

Artikel 6:15, derde lid, van de Awb bepaalt dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan – in dit geval het college van de gemeente Steenbergen – bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Er is geen reden om aan te nemen dat eisers het beroepschrift willens en wetens bij het onbevoegde orgaan hebben ingediend, dus ook niet voor de veronderstelling dat eisers kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht hebben gemaakt. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat eisers op 19 mei 2017 beroep hebben ingesteld. Dat is in ieder geval binnen zes weken na de datum waarop het besluit op schrift is gesteld. Ervan uitgaan dat, zoals het college heeft gesteld, de laatste dag van de beroepstermijn 25 mei 2017 was, is het beroepschrift op tijd ingediend.

De rechtbank acht het beroep ontvankelijk.

Wettelijke grondslag

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

  1. het bouwen van een bouwwerk,

  2. […],

  3. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

  4. […],

  5. 1° het oprichten,

2° het veranderen of veranderen van de werking of

3° het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…].

Omvang geding

5. Zoals hiervoor (onder 1.) al aangegeven, heeft de rechtbank zich eerder gebogen over deze zaak, en heeft zij daarover op 14 maart 2014 uitspraak gedaan. Het is eerst van belang om vast stellen over welke beroepsgronden of onderdelen van het bestreden besluit de rechtbank op 14 maart 2014 zich al onherroepelijk heeft uitgelaten. Die onderwerpen kunnen immers (op basis van de zogenaamde ‘Brummen-jurisprudentie’) in deze beroepsprocedure niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Slechts nieuw gebleken feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond rechtvaardigen.

 De rechtbank heeft vastgesteld dat de mestsilo moet worden aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde en dat deze vergunningvrij kan worden opgericht op grond van artikel 3, zesde lid, onder a, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), tenzij het gebruik van de mestsilo in strijd is met het bestemmingsplan.

 De rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor het oordeel dat de mestsilo in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt voor activiteiten als agrarisch nevenbedrijf in de vorm van bijvoorbeeld zelfstandige mestopslag.

 Ook voor wat betreft de landbouwloods heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het beoogd toekomstig gebruik ziet op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordelen. De vragen, of de in geding zijnde mestsilo vergunningvrij mag worden opgericht en of het college voor de in geding zijnde landbouwloods een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ en ‘gebruik van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’, kunnen derhalve in deze beroepsprocedure niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

Eisers hebben ter zitting nadrukkelijk aangegeven dat zij het ‘beoogd gebruik’ door [derde partij] in deze beroepsprocedure opnieuw aan de orde willen stellen. Zij zeggen te vrezen voor toekomstige ontwikkelingen op het perceel. De rechtbank ziet evenwel in de beroepsgronden geen reden om anders te oordelen dan in de uitspraak van 14 maart 2014. Mocht er in de toekomst sprake zijn van gebruik dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan, dan kunnen eiseres het college verzoeken daartegen handhavend optreden.

Activiteit ‘milieu’

6. De rechtbank ziet zich voor wat betreft de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘milieu’ in eerste instantie – ambtshalve – voor de vraag gesteld of het college in dit geval bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen, meer concreet of de inrichting van [derde partij] (akkerbouwbedrijf met opslag van drijfmest) een vergunningplichtige inrichting is of dat deze valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit).

De rechtbank stelt vast dat deze vraag in de vorige beroepsprocedure ook aan de orde is geweest. In de uitspraak van 14 maart 2014 is overwogen dat het in geding zijnde mestbassin onder de werking van het Activiteitenbesluit valt. De rechtbank leest in de uitspraak van 14 maart 2014 evenwel geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordeel dat de inrichting voor wat betreft de activiteit ‘milieu’ vergunningvrij is en ziet dus nog wel ruimte om daarover een oordeel te geven.

Een mestbassin valt onder de werking van het Activiteitenbesluit als (artikel 3.50, eerste lid):

 de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins niet meer bedraagt dan 750 m², of;

 de gezamenlijke inhoud van de in de inrichting aanwezige bassins niet meer bedraagt dan 2.500 m³.

Vast staat dat de in geding zijnde mestsilo een oppervlakte heeft van circa 707 m² en een inhoud van 5.000 m³. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de in geding zijnde mestsilo vanwege de inhoud niet onder de werking van het Activiteitenbesluit valt, maar moet worden aangemerkt als een vergunningplichtige inrichting. De rechtbank volgt het college daarin. Het college heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat de vergunningplicht ook voortvloeit uit het bepaalde in bijlage I bij het Bor, onderdeel C, categorie 7.5, onder i.

7. Het beroep van eisers is gericht tegen het trillingsonderzoek, dat is uitgevoerd door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) en waarvan op 21 september 2015 rapport is uitgebracht.

Eisers hebben in hun beroepschrift vragen gesteld over het rapport en op een aantal punten kritiek gegeven op het rapport. Het college heeft daarop in zijn verweerschrift gereageerd. Ter zitting is gebleken dat daarmee het grootste aantal vragen is beantwoord. Met partijen is vastgesteld dat de resterende beroepsgronden nog zijn gericht tegen:

 gewicht (er is geen documentatie waaruit blijkt dat het voertuig een gewicht van 51 ton heeft);

 snelheid (de snelheid waarmee is gereden door de vrachtauto, temporisering van optrekken of afremmen, zijn niet te controleren);

 kalibratie (rapporten van de apparatuur ontbreken).

De rechtbank stelt voorop dat het trillingsonderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk en deskundig te achten persoon en dat het rapport van de OMWB dus kan worden beschouwd als een deskundigenrapport. Dat wordt door eisers ook niet betwist. Het college mag in beginsel dan ook op het door de OMWB uitgebrachte rapport afgaan. Dit is slechts anders, indien moet worden geoordeeld dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingebracht.

Op basis van het beroepschrift kan de rechtbank niet concluderen dat het rapport van de OMWB onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat aan het trillingsonderzoek of rapport anderszins zodanige gebreken kleven, dat het college dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het plaatsen van vraagtekens bij de in het rapport vermelde feiten en bevindingen, zonder daar andere gegevens of bewijsstukken tegenover te stellen, is onvoldoende. In het rapport is vermeld dat voor de uitvoering van de trillingsmetingen gebruik is gemaakt van een zwaar beladen vrachtwagen (bulk/mest, 51 ton). De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen en vindt het niet nodig dat daarvan documentatie aan het rapport wordt gehecht. Hetzelfde geldt voor de vraagtekens die eisers hebben geplaatst bij de snelheid waarmee is gereden door de vrachtwagen en de temporisering van het optrekken en afremmen. In het rapport is voorts vermeld dat alle beschikbare en in het onderzoek gebruikte meetapparatuur een keer per twee jaar wordt gekalibreerd en gecertificeerd door een geaccrediteerde instantie (DKD). Ook daarvoor geldt dat de rechtbank geen reden ziet om daaraan te twijfelen, nu eisers het tegendeel niet aannemelijk hebben gemaakt. Overigens heeft het college in het verweerschrift aangegeven dat de kalibratierapporten desgewenst kunnen worden opgevraagd.

Ten aanzien van de opmerking van eisers, dat er geen metingen voor schade aan gebouwen zijn verricht op basis van de richtlijn SBR-A, heeft het college in het verweerschrift toegelicht dat primair de richtlijn SBR-B (hinder voor personen) van toepassing is. Het college heeft opgemerkt dat de trillingsniveaus, waarbij mogelijk schade aan een woning kan optreden, ruimschoots hoger liggen dan de waarden, waarbij mogelijk sprake is van hinder voor personen. Het college stelt zich op het standpunt dat, aangezien ruimschoots wordt voldaan aan de trillingsnormen voor personen, er ook geen sprake kan zijn van gevaar voor schade aan gebouwen als gevolg van trillingen. Die toelichting komt de rechtbank aannemelijk voor en de rechtbank volgt het college daarom in zijn standpunt.

8. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.